Het sterven overleven

2010-10-29
  • Jaargang 54
  • nummer 21
‘Iedereen wil naar de hemel, maar niemand wil dood’, staat op zo’n witte kaart van Loesje. Er lijkt een algemeen idee van de hemel als toestand van geluk. De hel als plaats waar je niet wilt komen is buiten beeld. Maar is het bij christenen wel zoveel anders? We leven het liefst totdat wij het genoeg vinden. Kijken we uit naar Christus?

De vraag die in deze bijdrage gesteld wordt is: wat is de invloed van Johannes Calvijn in dat opzicht? Een belangrijk hoofdstukje uit de Institutie heet: De overdenking van het toekomstige leven. Daar gaan hoofdstukken over zelfverloochening (‘afzien van jezelf’) en kruisdragen aan vooraf. Leert Calvijn dit leven onder te waarderen? Staat de hemel bij hem het zicht op de nieuwe aarde in de weg?

Sterven aan het leven
De genoemde hoofdstukken van de Institutie zijn vaak apart uitgegeven als: Over het christelijke leven; ik gebruik de voortreffelijke vertaling van C.A. de Niet. Het heeft veel gelovigen aangesproken. Ik denk vooral omdat Calvijn de pijn van het leven benoemt. Waarom lijkt hij niet zoveel van het leven nu te verwachten? Wel, ‘de ene ziekte na de andere belaagt ons telkens weer. Nu eens woedt de pest, dan weer worden wij gekweld door rampen van een oorlog. Soms wordt de hoop op een goed jaar verteerd door vorst of hagel, wat een mislukte oogst meebrengt en ons tot armoede leidt. Vrouw, ouders, kinderen, verwanten worden weggerukt door de dood, een brand verteert het huis …’ (Institutie III 7.10). Is dit misschien hoe medemensen in de Oost-Europa, Azië en Afrika het leven ervaren?

Ruimte voor het leven
Vanuit deze beléving van doodsdreiging ga je begrijpen waarom Calvijn zo over bekering schrijft als hij doet: het is afsterving (mortificatio) en levendmaking (vivificatio). Vooral de zonde moet nu eindelijk eens gaan stérven. Dan krijgt het echte leven tenminste ruimte om te groeien! Daarom kan Calvijn spreken over ‘de leerschool van het kruis’ (Institutie III 9.1). Zondaars hebben training nodig zoals atleten pijn verdragen om de finish te halen en eeuwige roem te verwerven.
Ja, Calvijn tekent de aarde nu en de hemel straks als zwart en wit. ‘Want als de hemel het vaderland is, wat is de aarde anders dan een oord van ballingschap? Als afreizen uit de wereld ingaan in het leven is, wat is de wereld dan anders dan een graf?’ En: ‘Indien Gods tegenwoordigheid genieten het toppunt van geluk is, is haar te missen toch iets vreselijks? Maar tot het ogenblik waarop wij uit de wereld gaan, leven wij als ballingen buiten Gods tegenwoordigheid.’ Zouden onze asielzoekers die beeldspraak misschien beter begrijpen dan wij?
Misschien dat wij meer zegen op aarde ervaren en daardoor meer over het genieten van Gods goedheid kunnen zeggen. Leren we daardoor ook meer naar zijn nabijheid verlangen? Over één ding is Calvijn glashelder: de verwachting van de komst van de Heer Jezus.

Uitkijken naar de Levende
Het derde deel van de Institutie gaat over Gods genade in Christus en de uitwerking op ons leven. Dat deel loopt uit op een hoofdstuk over de laatste opstanding (hoofdstuk 25). Calvijn had er in de uitleg van het Apostolicum al bij stilgestaan. Nu wijdt hij er een extra hoofdstuk aan. Eigenlijk zijn we door te geloven al overgegaan van de dood in het leven, stelt hij met het woord van de Heer uit Johannes 5:24. Maar we leven nog in de hoop ‘die in de hemel is weggelegd’. ‘Wanneer we dan zo de blik op Christus gericht houden, wanneer we slechts oog voor de hemel hebben en niets op de aarde onze ogen ervan kan weerhouden om ons af te leiden van de zaligheid die ons beloofd is, dan gaat werkelijk het woord in vervulling dat ons hart daar is, waar onze schat is’ (Institutie III 25.1). Zo spreekt hij van verbondenheid ‘aan het leven in de hemel dat ogenschijnlijk zo ver van ons af ligt’. Maar dat leven is Christus in eigen persoon! De hemel is daar waar Hij is, waar vandaan Hij ons tegemoet komt.

Calvijn schrijft of preekt weinig over de nieuwe hemel en aarde. Hij heeft het niet aangedurfd de visioenen van Openbaring uit te leggen. Dat heeft te maken met een geloofsprincipe, namelijk dat nieuwsgierigheid naar wat God verhuld heeft of verborgen houdt ons niet past. Over het bestaan van de gestorvenen lees ik: ‘De Schrift zegt dat Christus bij hen tegenwoordig is en dat Hij ze opneemt in het paradijs om daar vertroosting te verkrijgen, terwijl de zielen van de verworpenen de pijnigingen ondergaan die ze verdiend hebben, maar verder gaat zij niet. Welke doctor of docent aan de universiteit zal ons dan onthullen wat God verborgen heeft?’ (25.6). Calvijn zou geen romans als die van Randy Alcorn schrijven! De verwachting is niet verdeeld over allerlei denklijnen, maar gebundeld in de komst van Hem die ons redden zal.

Hoop voor stervenden
In lijn met de Apostolische geloofsbelijdenis benoemt Calvijn wel: de persoonlijke begroeting van Christus, opstanding in vlees en bloed van de doden, en concreet eeuwig leven. Laten we vooral uitzien naar de komst van Christus! Alle dingen worden in afwachting gehouden van zijn verschijning als verlosser!
Bij de opstanding gaat het bovendien om het lichaam waarin we hier op aarde geleefd hebben. Geen nieuwe materie, geen andersoortige lichamen. ‘in aanmerking genomen dat de dood, die zijn oorsprong vindt in de val van de mens, niet wezenlijk is, heeft de vernieuwing die Christus teweeg gebracht heeft, immers op hetzelfde lichaam betrekking dat ooit sterfelijk geworden is’. Kortom, God maakt dit bestaan nieuw door de dood eruit weg te halen, net zoals Christus uit de dood opstond in het lichaam waarin hij geleden had. Als wij nu het sterven van Christus in ons lichaam, omdragen, zoals Calvijn met Paulus zegt, zullen we ook in de lichamelijke opstanding van onze Heer delen.

Het is om die reden dat Calvijn begraven als lijkbezorging als geloofsdaad duidt. God kan wel een ander, nieuw lichaam scheppen dat geen relatie met het oude heeft. Toch begraven wij de doden om ‘de mensen tot het besef te brengen dat voor de begraven lichamen een nieuw leven bereid’ is. Daarom verwachten we de ópstanding, het hérrijzen van de doden. Begraafplaatsen zijn slaapplaatsen (in het Latijn: coemeteria).
Dat is wat anders dan crematoria.
Calvijn ziet het eeuwige leven bovenal als leven in Gods nabijheid. Dat zal pas leven zijn! Terwijl eeuwige dood het tegendeel is: voorgoed buiten Gods goedheid leven – hoewel dat geen léven is. Over bijzonderheden van hemel en hel wil Calvijn niet speculeren. Bijvoorbeeld of er verschil in status is tussen profeten en apostelen, tussen apostelen en martelaren, tussen ongehuwd gebleven vrouwen en getrouwden. Mensen die daarover speculeren ‘laten in hun onderzoek geen hoekje van de hemel onberoerd’. In plaats van te willen weten hoe het er daar aan toe gaat is het belangrijker te letten op de wég die naar de hemel voert. Je vindt de weg – in het leven, door de dood – als je let op de gestalte van Christus die ons tegemoet komt.
Bij Calvijn valt de hemel haast samen met de nieuwe aarde. Wie weet, misschien is de aarde aan de andere kant van de dood al vernieuwd!

Prof. dr. Erik de Boer is universitair docent klassieke talen aan de TU in Kampen en hoogleraar Geschiedenis van de reformatie aan de VU te Amsterdam.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief