Kuiterts nieuwste boek (6, slot)

1992-07-03
  • Jaargang 36
  • nummer 14
'De hemel beware ons - heeft reformatorisch Nederland niets beters in huis?', moet de Hervormde predikant drs. C. Blenk uit Amsterdam over Kuiterts boek(en) gezegd hebben op een spreekbeurt in Nijkerk. Stoere taal! Een beetje lossig voor een Bonder, dat wel, maar toch kloek. Even later zegt hij: "We moeten opnieuw leren hoe het evangelie in deze tijd gebracht moet worden" en: "We hebben een diepe cultuuranalyse nodig". Dat verraadt toch, zou je zeggen, enige verlegenheid. Hoe kan een mens in verlegenheid dan zo krachtig van zich afpraten als het gaat om een poging de bijbelse boodschap voor onze tijd te vertolken?
Een poging die niet eens helemaal ongeslaagd genoemd kan worden, gezien de verkoopcijfers van Kuiterts boek. "Maar dat zo'n boek zo'n hoge vlucht neemt, dat is nu juist het verderfelijke", hoor je dan weer een ander zeggen. Maar als dat waar is, waarom scoort Wiersinga die met zijn boek veel en veel verder gaat (veel te ver, mijns inziens) dan niet evenredig hoger?
Zou het toch niet kunnen zijn dat er onder de massa's kerkverlaters in ons land velen zijn die niet meer onder 'ons' Woord komen omdat hun honger door ons niet gestild wordt (hoezeer we ook ons best doen), maar die nu gretig grijpen naar Kuiterts boek omdat het, hoe dan ook maar in ieder geval op religieus-herkenbare wijze, op vragen ingaat waar ze mee zitten? Dat ds. Blenk die ik als een bescheiden mens ken tegenover Kuitert zo hoog van de toren blaast, heeft denk ik toch meer te maken met Gereformeerdenhaat die Bonders nog wel eens wil ontsieren. Hoe dat verder ook zij, we kunnen ons met machtswoorden van Kuitert niet afmaken. "Zoals de man is, is zijn kracht", houdt zelfs de wereld ons voor (Richteren 8:21).

Belijden niet bewijzen
"De bijbel Gods Woord", - waarom zegt Kuitert dat niet? Dat was de vraag waar we de vorige keer mee eindigden.
Kuitert zou mij kunnen antwoorden: dat zeg ik wél. Op p. 30 heeft hij het over de bijbel als boek van christelijke waarheden over God die samenvatten wat de christenheid voor Gods werk aan mens en wereld houdt en hij zegt: "Wil iemand dat Gods openbaring noemen, niets op tegen, maar we hebben het dan niet over een bovennatuurlijke kennisbron maar bijvoorbeeld over een waardeoordeel van christenen over hun eigen geloofstraditie".
Er is bij Kuitert wel degelijk ruimte voor de belijdenis dat de bijbel Gods Woord, het boek van Gods openbaring is, alleen (zo wil hij zeggen): het is een belijdenis, er kan buiten de kring van de belijders geen enkele bewijskracht aan worden toegekend.
Dat laatste benadrukt Kuitert sterk. Hij doet dat niet met graagte. Op p. 25 lees je: "Kan men overtuigd gelovige zijn en tegelijk het eigen geloof relativeren? Dat lijkt mij niet eenvoudig, maar aan enige relativering kunnen we desondanks niet ontkomen". Je merkt hier duidelijk dat hij er zijn best voor moet doen. Maar waarom doet hij het dan? Wat voor belang denkt hij ermee te dienen? Op p. 47 schrijft Kuitert in ander verband: "Gelovige mensen zullen de voorstelling van God, die hun eigen geloofstraditie hen biedt, niet graag een ontwerp noemen". En opnieuw voel je dat Kuitert als zelf gelovig mens moeite heeft met zijn eigen afstandelijke taal. Maar nog eens: waarom pijnigt hij zichzelf daar dan mee?

Elia op de kameel
Ik zie het zo dat precies hier blijkt dat Kuitert een bewuste twintigste eeuwer is die leeft en werkt in een plurale samenleving, waarin meer godsdiensten dan de christelijke zich melden en waarin de sekularisatie machtig toegeslagen heeft. Met het eerste verschijnsel wil hij rekenen en in het laatste wil hij niet berusten. Met andersgelovigen wil hij een vrij gesprek aangaan zonder het nog voordat het begonnen is te frustreren en de niet-meer-gelovigen wil hij duidelijk maken dat over het geloof te praten valt. Ergens (p. 45) komt Kuitert met het bijbelverhaal van Elia op de Karmei uit I Koningen 18 op de proppen. Ik laat het leerzame verband waarin hij deze geschiedenis opvoert nu even terzijde en wil hier het vermoeden uitspreken dat dit geding tussen Elia en de Baälspriesters op de achtergrond van Kuiterts denken nog een andere en grotere rol speelt dan hij hier laat zien. In deze zin: Staan we ook vandaag niet voor de vraag wie of er nu eigenlijk God is? De Vader van onze Here Jezus Christus of ... ? Deze vraag zal vandaag niet als in Elia's tijd beantwoord kunnen worden door vuur van de hemel (in die zin herhaalt de geschiedenis zich nooit) maar, naar de eis van onze dagen, door argumenten aan de praktijk ontleend.
Welke godSdienst helpt de mens nu het beste? Ik weet wel dat Kuitert meent dat het uiteindelijke gelijk van een godsdienst pas aan de overzijde van de tijd geopenbaard zal worden, maar Kuitert zal zelf ook wel toegeven dat dat voor de praktijk wel wat laat is en zelfs mosterd na de maaltijd en hij nodigt dan ook iedereen tot toetsing in het heden uit. Laat iedereen meedoen, hoe meer toetsers hoe groter de kans op resultaat (p. 31/2). Ik denk dat we in dat licht ook die bekende en veel vragen oproepende stelling van Kuitert moeten bezien dat alles wat wij over boven zeggen, van beneden komt (p. 23). Hij wil ermee voorkomen dat voortijdig deuren worden dicht gedaan. Naar de Islam, bijvoorbeeld. Maar ook naar de van het eigen geloof vervreemden. Hij nodigt ze uit en hij roept ze terug: Ons geloof is niet alleen maar betuigbaar, het is het ook bespreekbaar. Er zijn goede argumenten om christelijk te geloven.

Pastoor en profeet
Je kunt voor dit bedoelen begrip en waardering hebben, maar zou het werken?, vraag ik me af. Zou je voor hetzelfde geld niet minder ver kunnen gaan? Je kunt je met verbazing afvragen waar de profeet Elia de souplesse vandaan haalde om daar op de Karmei zo zijn zaak in de waagschaal te stellen - juist omdat het verhaal geen enkele twijfel oproept omtrent de vraag waar hij zelf stond. De twijfelaars een twijfelaar worden zonder eigen zekerheid op te geven, pastor worden maar tegelijk profeet blijven, het zal niet gemakkelijk zijn geweest.
Maar precies hierin ligt voor mij een aanwijzing verborgen van hoe het eigenlijk zou moeten. Als volgt: Je betuigt je geloof, krachtig en zonder aarzeling, maar je toont tegelijk je ervan bewust te zijn dat het je gel66f is dat je betuigt, en dat het dus met niet-gelovigen natuurlijk bespreekbaar is. Zou dat toch niet 'eerlijker' zijn dan zoals Kuitert het doet? Ik zet dat woord 'eerlijker' expres tussen hoge komma's om er de zakelijkheid van mijn bedoeling mee uit te drukken. 'Eerlijker', omdat uit Kuiterts boek toch meer dan duidelijk blijkt hoe volgens hem dat geding beslist gaat worden, al wil hij dat in het midden laten. Dat laatste lukt hem niet, hij deelt met Elia volledig het geloof in de goede afloop. Dat is aan alles te merken. Ik moet het nog sterker zeggen: Omdat Kuitert heel sterk gelooft durft hij op dit geding aan te sturen. Maar past het daarbij dan wel dat hij zich af en toe zo koudneutraal opstelt? Hierboven gaf ik de moeite al aan die hij daar zelf mee heeft. We raken hier eigenlijk aan het moeilijke punt in hoeverre de godsdienstwetenschappelijke methode voor een gelovige insider bruikbaar is. Kuitert is van die mogelijkheid zo zeer overtuigd dat hij haar mijns inziens overvraagt. Maar hoe sympathiek is zijn falen als je let op de pastorale drijfveer erachter.


Wijsheid
Laten we nu nog opzettelijke aandacht geven aan de stelling van Kuitert die achter zijn hele bijbelbeschouwing ligt: "Alles wat wij over boven zeggen, komt van beneden". Er is (laat ik dit voorop stellen) meer van waar dan ons misschien lief is. Zo vind ik zelf de inspiratie-gedachte waaraan we gewend zijn moeilijk verenigbaar met het feit dat we in de Schrift betrekkelijk veel wijsheid aantreffen. Bijvoorbeeld in de boeken Spreuken en Prediker, maar toch ook nog wel op andere plaatsen. Ook in de wetten. Zeker, "de vreze des HEREN is het beginsel der wijsheid", dat adagium wordt ons bij de ingang van die boeken al meegegeven (Spreuken 1:7) en Jakobus onderscheidt tussen de wijsheid van boven en die van beneden (3:13 e.v.) en koning Belsazar maakt uit de wijsheid van Daniël op dat de geest der goden in hem woont (Daniël 5:14). Heel in het algemeen heb ik er dan ook geen moeite mee dat de wijsheid op God wordt teruggevoerd. Hij is er de oorsprong van, zoals van al onze vermogens. Maar van de andere kant moet het woord 'wijsheid' als aanduiding van een menselijke eigenschap toch iéts betekenen. Wijsheid heeft te maken met inzicht, het is verwerkte ervaring en bij uitstek een denkwerk. De wijze wordt van bovenaf echt niets voorgezegd, althans dat is het niet waarom we hem een wijze noemen.
Dat de menselijke wijsheid als van goddelijke oorsprong wordt voorgesteld slaat dan ook niet op wat de wijze inhoudelijk beweert maar op de denkkracht die hij van God ontvangen heeft en waarmee hij het leven te lijf gaat. Nu, dat sluit helemaal aan bij Kuitert die zegt dat we bij 'openbaring' niet aan iets inhoudelijks moeten denken (een bovennatuurlijke bron van Godskennis, p. 29) maar aan "de capaciteit van mensen om te reageren op de kennelijke tegenwoordigheid van God de Schepper in hun leven" (p. 46). Zijn bekende stelling lijkt dus voor wat de wijsheid in de bijbel betreft op te gaan. De wijsheid staat wel in de bijbel maar ze is toch van beneden.
Het is waar, de bijbelse wijsheid schrijft behalve haar denkkracht ook haar denkproducten aan God toe, maar dat is bescheiden vroomheid, niet bedoeld om aan die producten een goddelijk gezag toe te kennen in de zin waarin het inspiratie-dogma dat meent. Er wordt meer lovend en prijzend betuigd dat de producten van de wijsheid van God afkomstig zijn. Dat gaat in de bijbel zeer ver, tot zelfs daar waar de wijsheid de gestalte van vakkennis aanneemt. Zo somt de profeet Jesaja verschillende landbouwkundige vaardigheden op en zegt vervolgens dat God de boer over de juiste wijze daarvan heeft onderricht (28:23 e.v.). Daar is dit van waar dat wij inderdaad niet meer weten hoe de mensen aan zulke kennis gekomen zijn.
Wie heeft het wiel uitgevonden? "Dat komt van God vandaan", zei de antieke mens en dat antwoord bevredigde hem geheel. Respectabel vroom, maar een schaduwzijde ervan is dat degenen die zulke antwoorden geven weinig openstaan voor cultuurtechnische vernieuwingen. Ze kennen gemakkelijk aan het overgeleverde een gezag toe dat te ver gaat. Daarom nemen wij modernen dat 'van God' niet zo gauw over omdat we bang zijn dat dat het onderzoek stremt. Wijsheid, in de vorm van vakkennis of verder reikend, is een menselijke hebbelijkheid die bij gevolg onder menselijke controle staat. Het criterium ervoor ligt 'beneden'. Zou het anders zijn dan zouden we het woord 'wijsheid' als aanduiding ervan moeten vermijden. Ook de wijsheid van Job en zijn vrienden was bij alles wat zij van God beweerde, van beneden. Kuiterts bovengenoemde stelling is er volledig op van toepassing.

Profetie
Maar is daar alles van de bijbel mee gezegd? Er gaat - om bij het laatste voorbeeld te blijven - aan de dialogen van het boek Job een voorwoord vooraf en daarin hebben wij met iets anders te maken. Met profetie. De verschillende visioenen in de eerste hoofdstukken, vergelijkbaar met dat van de profeet Micha ben Jimla (I Koningen 22:19-23), maken ons getuige van een geding tussen de HERE en satan waarvan Job de inzet vormt. Zij doen een volslagen nieuw licht vallen op Jobs lijden en een commentaar wordt erop gegeven, "dat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensen hart is opgeklommen". Valt dat ook onder Kuiterts stelling? Ik weet wel, profetie wordt in de bijbel ook weer in menselijke en tijdgebonden voorstellingen gegoten.
Bileam ligt voor zijn visioen als een open camera op de grond (Numeri 24:15 en 16) maar het licht dat bij hem binnenvalt is toch eeuwigheid met tijd vermengd. Ik besef verder ook terdege dat ik wijsheid en profetie niet altijd zo scherp kan onderscheiden als ik zoëven aan de hand van het boek Job deed. Alles tot je dienst, maar valt dat profetische element van de bijbel ook onder 'beneden'? Goed, buiten Israël kwam ook profetie voor.
Opgegraven teksten uit Mesopotamië hebben dat duidelijk gemaakt als we het van Bileam al niet wisten. Er is niets op tegen de Bijbelse en buitenbijbelse profetieën met elkaar te vergelijken en de gelijkenis en overeenstemming tussen die twee vast te stellen. Maar komt er niet een moment dat je met de tovenaars van farao moet zeggen: "Dit is Gods vinger" (Exodus 8:19)? Aan dat opmerkelijke woord ging ook gelijkenis en overeenstemming vooraf, - maar ... tot op zekere hoogte. Daarna scheidden zich de wegen. En breekt nu dat onderscheidende moment met name niet aan als het gaat over Gods heilsplan in schepping en verlossing en alles wat daarmee samenhangt? Dat een mens het allerbelangrijkste in het leven: met God in het reine komen (wat ook volgens Kuitert zijn diepste verlangen is!), niet zelf kan doen maar daarvoor op God is aangewezen, is dat een gedachte waar men van 'beneden' op komt? Gaat het daarvoor niet te zeer in tegen al he, menselijke van ons mensen?
Moet je daarvan niet met Paulus zeggen dat het niet naar de mens en dus ook niet van een mens is (Galaten 1:11 en 12)? En is daarom het venijnige verzet ertegen, tot in het eigen hart toe, niet een krachtige aanwijzing dat we hierin met nog wel iets meer te doen hebben dan met een ontwerp van beneden? Eerder wees ik er al op dat Kuitert voor de menselijke vijandschap tegen het evangelie weinig oog heeft.
Ik vrees dat hij die voor zijn voorstelling van zaken ook niet zo goed kan gebruiken. Maar ze is niettemin een geweldige realiteit. En het is nu vanwege dit profetische daf onafscheidbaar door de hele Schrift heengevlochten zit dat ik zeg: De bijbel is van boven. Dat dit een geloof is is waar (al zijn er bijkomende argumenten voor aan te voeren) maar behoeft niet telkens herhaald te worden. Ieder die aan een religie-gesprek deelneemt behoort daarvan op de hoogte te zijn.

Tenslotte
We moesten nu (voorlopig?) maar eens stoppen met het gesprek over dit veel losmakende boek. Er zou nog wel meer te behandelen zijn. Ik had ook nog wel iets willen zeggen over Kuiterts snelle afrekening (in ruim drie pagina's, 186-189) met de verkiezing in de zin van de voorbeschikking. Ik kan opnieuw het pastorale hiervan wel waarderen, maar stuit toch op de vraag of dit wegredeneren van de predestinatie wel klopt met de rest van zijn theologie. De Remonstrantse professor G.J. Hoederdaal heeft eens gezegd dat in het algemeen een Godsvoorstelling die sterk met ethische waarden verbonden is de predestinatie scherper zal afwijzen dan een Godsvoorstelling die rekening houdt met het ondoorgrondelijke bovenethische wezen Gods. Dat lijkt me juist. Nu valt Kuiterts boek zonder enige twijfel onder de laatst genoemde soort van theologie, getuige zijn pleidooi voor de belijdenis van de onbegrijpelijkheid van God (p. 62) en zijn stelling dat de moraal niet de clou vormt van het christelijk geloof, al is ze er wel een noodzakelijk, kenmerkend en onmisbaar ingrediënt van (p. 134). Kuitert zou de diepzinnige opmerking van Noordmans kunnen beamen dat de bijbel niet ethisch maar wel zo ethisch mogelijk is. Ik ben het met een en ander van harte eens, maar vraag me af of er juist vanwege de onbegrijpelijkheid van God die bij Kuitert zoveel nadruk krijgt, niet meer ruimte uitgespaard moet worden voor de voorbeschikking, hoe onpopulair de gedaChte daaraan ook is. Maar zoals gezegd, ophouden nu.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief