Jezus Christus, Heer van onze toekomst
1992-07-03
- Jaargang 36
- nummer 14
1. Uitzicht
Precies twee weken geleden stonden wij op Grouse Mountain, de berg waar men een adembenemend uitzicht heeft over Groot-Vancouver.
De stad geldt als één van de mooiste steden ter wereld, en ik ben bereid dit op gezag van anderen te geloven. In het dal van de Fraser-River strekt zij zich uit, over een afstand van 40 kilometer van west naar oost en 30 kilometer van noord naar zuid. Aan de noordkant wordt de stad begrensd door hoge witbesneeuwde bergtoppen, in het westen en zuiden door fjorden en baaien, eilanden en daarachter de Grote Oceaan.
Het is een glasheldere avond: van de Grouse Mountain af kunnen we nagenoeg heel Groot-Vancouver overzien. Langzaam wordt het donker en de lichten in de stad worden ontstoken.
Felwit verlicht de brede hoofdstraten, die de stad in blokken verdelen.
Oranje de secundaire wegen en groen de dorpsgewijs bewoonde wijken daar tussen in. Het geheel gehuld in een oranjeachtig waas.
"Getooid als een bruid, die voor haar man versierd is", zeg ik. "Wie ben ik, dat ik dit mag meemaken", antwoordt mijn vrouw. En als we in de Skyride langzaam naar beneden zakken, worden zelfs de luidruchtige Chinese kindertjes stil. "Waw!", zegt één van hen. Inderdaad, een adembenemend schouwspel. Ik realiseer me dat we kijken naar en onder de indruk zijn van een 'stad van de mèns'. Mèt alle lelijke, smerige, slechte en gevaarlijke uithoeken die zo'n stad ook heeft. Ik heb ze gezien op onze tochten door deze wereldstad, ik heb erover gehoord in de nieuwsberichten van radio en tv. Niettemin: 'getooid als een bruid', en: 'wie ben ik'. Als gouden de portalen van Vancouver zijn, hoe zullen dan de zalen van Nieuw-Jeruzalem zijn, de stad van God!
"Jeruzalem is als een bruid getreden voor God in wit en goud en in haar heldre ogen staat een vrede door niemand ooit aanschouwd."
Het promotiefilmpje van de stad Vancouver suggereert dat er maar één plek ter wereld is waar je ècht goed kunt wonen, maar het gezang zegt dat alleen van Nieuw-Jeruzalem geldt: daar "zal geen rouw, er zal geen dood meer wezen, nergens verdriet meer zijn, de eerste dingen werden uitgewezen, voorbij ging alle pijn" (330:2a, 3b).
Van dfe miljoenenstad geldt zéker: "getooid als een bruid, die voor haar man versierd is", en: "wie ben ik, dat ik dit mag meemaken!"
En dit zijn dan meteen de twee brandpunten waar mijn lezing om draait: de stad en haar bewoners, het grote heil en de kleine ik. Waar we géén aandacht aan kunnen besteden, is de vraag op welke manier we deel krijgen aan deze geweldige toekomst èn hoe deze verwachting onze alledaagse handel en wandel beïnvtoedt - zeg maar: op welk visum je binnenkomt en aan welke gedragscode je je hebt te houden. Hier staat het nieuwe testament vol van, maar aan al deze religieuze en ethische vragen gaan we nu voorbij. Vanavond gaat het om onze toekomstverwachting 'sec'; en dan nog niet eens onze toekomstverwachting in het algeméén, maar over wat ieder van ons pers66nlijk staat te wachten.
Mij is gevraagd' door het Comité Gereformeerde Studieavonden Zaanstreek tot u te spreken over het onderwerp: 'Jezus Christus, Heer van onze toekomst. Eschatologie en persoonlijk heil'.
2. Eschatologie
'Eschatologie' betekent: de log ie, de leer van het eschaton/de eschata, het laatste/de laatste dingen, het eind.
Aan alles komt een eind. Geld en goed raken een keer op - denk aan de 'laatste' penning uit de bijbel! Ruimte en tijd houden op - denk aan het 'uiterste' der aarde en de 'laatste' dag van een feest. Er komt een eind aan wat je denkt en zegt en doet. Het leven van de enkeling is eindig, maar ook steden en volken gaan ten onder. Alle gebeurtenissen hebben een 'afloop'. Er is altijd een 'laatste', een eind. Het is altijd: opgaan, blinken en verzinken.
De Grieken dachten dat zij aan de aantrekkingskracht van de tijd konden ontsnappen naar een boventijdelijke wereld. De wereld waar wij hier en nu in leven is maar een schijnwereld, de ware werkelijkheid is hierboven en komt hierna. Het lichaam is een gevangenis voor de ziel. Bij zijn dood wordt de mens bevrijd van de lagere en geleid naar de hogere werkelijkheid. "Wat zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? De goden zij dank, door mijn eigen dood!"
In deze visie is er dus sprake van een duidelijke tweedeling: de lijn van de tijd en de boog van de eeuwigheid. En tussen deze twee is geen werkelijk kontakt. "Meer de geest van de. aard verheven, hier beneden is het niet!"
Ook de Joden kenden een tweedeling, echter geen vertikale van beneden en boven, maar een horizontale van nu en straks. Ook het oude testament kent de vergankelijkheid van alle dingen, 'ijdelheid der ijdelheden'. Maar deze is er vanwege de zonde van de mens.
De zonde is het virus dat het hele bestand van de wereld vernietigt. De mens moet niet bevrijd worden van het lichaam, maar van de zànde. Het is juist dàt wat God op 'de dag des HEREN' zal doen. God zal hemel en aarde met al wat erin is vernieuwen.
Het.zal dezelfde wereld zijn (continuïteit), maar zonder zonde en dood (discontinuileit).
De oudtestamentische en joodse tweedeling in 'deze eeuw' en 'de toekomende eeuw' klinkt letterlijk door in het nieuwe testament (b.v. in Mat.
12:32). Het nieuwe van het nieuwe testament is, dat in de persoon en met het werk van Jezus Christus de toekomst al is begonnen in het heden!
Wat God in het oude testament heeft beloofd, is met de eerste komst van Christus vervuld en zal bij zijn terugkomst voltooid worden. Deze drieslag is zeer wezenlijk voor het goed verstaan van de bijbelse boodschap.
Oude testament: nieuwe testament: komende eeuw = belofte: vervulling: voltooiing.
In dit verband is het opvallend, dat het woord 'eschaton' niet alleen: het laatste, het eind, de afloop kan betekenen, maar ook: de toekomst!
Aartsvader Jakob wacht reeds op de Verlosser en de verlossing in de toekomende dagen (eschatoon, LXX). Ook de profeten zien in de toekomst het heil en de Heiland dagen.
Het laatste van déze eeuw betekent tegelijk het eerste van ~fe eeuw. Het eind van het heden is meteen het begin van de toekomst. "Ik weet", zegt Marta tot Jezus, "dat Lazarus zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage" (escnetët), op de laatste dag die meteen de eerste zal zijn. De laatste van de oude reeks, bepaald door zonde en dood. De eerste in een nieuwe serie, gekenmerkt door Geest en leven.
Op verschillende manieren is geprobeerd deze duidelijke boodschap van oud en nieuw testament wèg te verklaren.
Niemand ontkent dat het oude testament een uitdrukking als 'de dag des HEREN' gebruikt, en dat er in het nieuwe testament sprake is van 'het koninkrijk der hemelen'. En dat profeten en apostelen hierbij denken aan 'de toekomende eeuw' als vervolgop (continuïteit) en in tegenstellig tot (discontinuïteit) 'deze eeuw'. Maar – zo zegt men - het gaat hier alleen om een wijze van spréken, waar de bijbelschrijvers iets anders mee bedoélden. Ik kan dit het best duidelijk maken aan de hand van een tekst als Lucas 17: 20-21. "En op de vraag van de Farizeeën, wanneer het koninkrijk Gods komen zou, antwoordde Hij hun en zeide: Het koninkrijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het koninkrijk Gods is bij u." De statenvertaling heeft hier: "het koninkrijk Gods is binnen ulieden".
Volgens de liberale theologen gaat het hier niet over de toekomst, maar over het heden. Niet over iets uitwendings, maar over iets inwendigs: een wereld van liefde en broederschap. De lijn van de toekomst is hier verschrompeld tot een kleine punt in het heden. Iemand als Albert Schweitzer voegde aan dezelfde tekst het verklarende woordje 'plotseling' toe: "het koninkrijk Gods is plotseling bij u". Het gaat dus wel over iets dat - van Jezus uit gezien - in de toekomst moest gebeuren: onverwachts, plotseling zou Hij in heerlijkheid voor hun neus staan. Maar dit is nooit gebeurd: als een gedesillusioneerd mens kwam Jezus om aan het kruis. In de theologie noemen we dit de 'consequente' eschatologie. Jezus zou volgens eigen zeggen terugkomen, maar het feest ging niet door. Na deze eeuw is er geen toekomende eeuw meer.
De bekende nieuwtestamenticus Rudolf Bultmann gaf weer een andere 'verklaring' van die voor de moderne mens onbegrijpelijke drieslag beloftevervulling-voltooiing. Hij liet de historische lijn verleden-heden-toekomst als het ware een kwartslag kantelen, zodat de toekomst niet daar-en-straks maar hier-en-nu op ons afkomt. Niet horizontaal, aan het eind van de geschiedenis, maar vertikaal, op dit ogenblik. Mét Jezus' boodschap komt van boven af Gods rijk naar mij toe en sta ik hier en nu voor de beslissende keus: voor of tegen Hem. "Zie, het koninkrijk Gods is bij u !"
We noemen dit de 'existentialistische' uitleg. Bultmann wil geen wissel trekken op een verre vage eeuwigheid, maar stelt ons heel persoonlijk en heel dringend voor de keus: geloof of ongeloof. In die visie verdampt het hiernamaals voor het hiernamaals.
Vanzelfsprekend zijn er nog vele andere pogingen gedaan om aan de klem én het kruis van de bijbelse boodschap te ontkomen. Ik laat die nu maar voor wat ze zijn. De genoemde voorbeelden maken duidelijk hoe belangrijk het is om de schrift te laten zeggen wat zij wil zeggen. Wat Lucas 17:21 betreft, kan men "het koninkrijk is bij u" heel goed vertalen met "het koninkrijk is onder u, in uw midden". Hierbij kan men inderdaad denken aan Jezus zelf die belovend en bevelend in de kring aanwezig is, of aan Jezus' leerlingen die gelovend en gehoorzamend Hem volgen.
De bijbel zegt dat God de schepping goed gemaakt heeft. Verder, dat door de zonde van de mens de schepping in al haar onderdelen ontwricht is. Dan, dat God het plan heeft opgevat om heel de schepping te verlossen van zonde en dood. In het oude testament heeft Hij dit beloofd. In de persoon en met het werk van Jezus Christus heeft Hij deze belofte vervuld. En op de jongste dag (eschaton) zal Hij zijn plan geheel voltooien.
Vandaar, dat de bijbel, die begint met de schepping van hemel en aarde, eindigt met de herschepping van hemel en aarde - een wereld zonder zonde en zonder ook maar een greintje dood. Dingen, planten, dieren en mensen zijn dan radicaal en totaal vernieuwd. "De hemel en de aarde wordt stralende en puur.
God zal zich openbaren in heel zijn creatuur" (Gezang 288:1b)
3. Persoonlijkheil
Het is duidelijk dat in dit kader het persoonlijke heil aandacht màg krijgen, ja onze volle aandacht m6ét hebben.
"Ook ons zal God verlossen uit alle pijn en nood, van 't woeden van de boze, van 't vrezen voor de dood, van aarzelen en klagen, verdriet en bitterheid, van alles wat wij dragen, van 't lijden aan de tijd" (Gezang 288:4). Verlost worden concrete mensen, zoals u en jij en ik.
De gereformeerden zijn dit persoonlijke aspect van de definitieve verlossing niet uit de weg gegaan. De Heidel bergse catechismus staat bekend om zijn persoonlijke begin: "Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus". Dit geldt voor het verléden: Hij heeft voor mij betaald.
Dit geldt voor het héden: Hij bewaart mij. En dit geldt ook voor de t6ékomst: "Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven" (vr. 1). Een waar geloof betekent volgens de catechismus onder andere "dat ook mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil door God geschonken zijn" (21).
Christus heeft beloofd, dat Hij door het avondmaal "mijn ziel met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven voedt en verkwikt" (75). Het vierde gebod vraagt van mij, "dat ik de eeuwige sabbat in dit leven begin" (103).
De Heilige Geest is ook mij gegeven om "eeuwig bij mij te blijven" (53).
"Ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben en eeuwig zal blijven" (54). Christus zal "mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid" (52).
"Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel, zal ik na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensen hart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen" (58). Kortom, "ik ben door het geloof een lid van Christus (onder andere ook) om na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren" (32).
Het spreekt vanzelf dat in het gemeenschappelijke 'wij', dat de catechismus in verband met onze toekomstverwachting hanteert, ook het persoonlijke 'ik' besloten ligt. Maar in de antwoorden die ik zojuist heb aangehaald, wordt dit 'ik' ook létterlijk gen6émd.
Genoeg om duidelijk te maken dat volgens de gereformeerden 'ik' in de schare die niemand kan tellen niet onderga, maar juist ten volle tot ontplooiing kom. Op de nieuwe aarde wordt mijn persoonlijkheid niet vernietigd maar vernieuwd.
"Ik, ellendig mens!" roept Paulus uit. "Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!" (Rom. 7:24v, 8:23).
Het is duidelijk dat Paulus niet-Grieks - van het lichaam af wil maar bijbels - van de zonde. Hij wil zijn lichaam juist houden (continuïteit), maar dan als een lichaam dat van zonde en dood is bevrijd (discontinuïteit).
Schrijvend over de opstanding der doden vergelijkt hij de begrafenis met 'zaaien' en de opwekking met 'oogsten'. Paulus zegt: "Er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid en een geestelijk lichaam opgewekt" (1 Kor. 15:42-44). En het woord 'geestelijk' betekent stellig niet: onstoffelijk, maar: geheel en al beheerst door de Heilige Geest (vergelijk in dezelfde brief hoofdstuk 2:13vv en 10:3v).
In déze eeuw lijken we op Adam. Ons lichaam stamt uit de aarde. We hebben het leven van de gééf. We takelen af en sterven. Er zit niet veel eer en macht aan ons lichaam. Het is 'vlees en bloed', een 'ziellijk' lichaam.
Maar na de opstanding op de jongste dag zullen we op de Jezus Christus lijken. Ons vernieuwde lichaam is van hemelse makelij. We stralen licht en leven uit naar onze omgeving. We worden niet meer moe en ziek en oud.
We gaan niet meer dood. We zijn een toonbeeld van eer en macht. Kortom: een pneumatisch, door Gods Geest geregeerd, lichaam. "Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen" (Filipp.3:21). Hoe persoonlijk dit bedoeld wordt, blijkt uit het 'ik' en 'mij' dat Paulus in dit verband verschillende keren gebruikt.
"Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn". "Voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad".
We kunnen ook denken aan de aartsvaders, van wie getuigd wordt dat zij allen voor God leven en die met name worden genoemd: Abraham, Izak en Jakob. Aan Mozes en Elia, die in heerlijkheid verschenen, als zodanig worden herkend. Aan de misdadiger aan het kruis, tot wie Jezus zei: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn".
We kunnen denken aan de rij gelovigen die in Hebreeën 11 worden opgesomd.
Aan de namen van de twaalf apostelen op de fundamenten van Nieuw-Jeruzalem. En aan de telkens herhaalde belofte: "Wie overwint (enkelvoud), hem c.q. haar zal Ik geven ...". Enzovoort.
Als kerklied volstrekt ongeschikt, brengt gezang 265 wél onder woorden waar wij het vanavond over hebben: "David is daar met harp en al, koormeester van de stad, Maria, denkend aan de stal, zingt het magnificat; Simeon heft zijn lofzang aan, Mirjam en Hanna zijn bij alle vrolijkheid vooraan met trom en tamboerijn. Te Deum zingt Ambrosius en alle (kerk)vaders mee, Johannes en Gregorius, zingen laudamus te.
En Luther zingt er als een zwaan en Bach, de grote Bach, die mag de maat der englen slaan de lieve lange dag.
De negers met hun loftrompet, de joden met hun ster, wie arm is, achteropgezet, de vromen van oudsher, van alle kanten komen zij de lange lanen door, het is een eindeloze rij, de kinderen gaan voor.
Jeruzalem, mijn vaderhuis, mijn moederstad, wanneer zal ik u zien? Wij zijn op reis naar u en naar de Heer!"
Johannes schijft: "Wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn (bij de wederkomst), wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is" (1 Joh. 3:2). Want om Hem gaat het. Door Hem kan het. En met Hem zullen we het zien en beleven!
4. Jezus Christus. Heer van onze toekomst
Jezus was niet de eerste dode die weer levend werd. Anderen in oud en nieuw testament zijn Hem voorgegaan.
J.ezus is wel de eerste die dood geweest is en die altijd blijft leven. Allen die in Hem geloven zullen Hem op die weg volgen: Jezus ging niet de dood in om daarna weer terug te komen. Maar Hij ging door de dood heen en kwam er aan de andere kant weer uit, in die nieuwe manier van bestaan waarin men niet meer kan sterven. Tegenover de leerlingen duidde Hij dit aan met de woorden: "toen Ik nog bij u was" (Luc. 24:44). Hij staat in hun midden, spreekt tot hen, toont hun zijn handen en voeten, eet gebakken vis voor hun ogen, en toch is Hij niet meer bij hen!
Het is dezelfde Jezus. 'Jezus zelf' loopt met de Emmaüsgangers op. Tot Paulus wordt gezegd: "Ik ben Jezus, die gij vervolgt". De opstanding der doden is er 'door een mens'. In de evangeliën is sprake van Jezus' handen, voeten, zijde, littekens. Een geest heeft geen vlees en beenderen, Hij wel. De leerlingen kunnen Hem zien, aanraken, vastpakken.
Maria herkende Hem aan de manier waarop Hij haar aansprak: "Mariam!"
De Emmaüsgangers zullen Hem wel herkend hebben aan zijn wijze van bidden. In tweede instantie herkenden zij Hem. Tussen Pasen en hemelvaart hebben de leerlingen met Hem gegeten en gedronken.
Evenals vroeger, "toen Hij nog bij hen was", sprak Jezus met de leerlingen over Gods koninkrijk. De opgestane was dezelfde als de gekruisigde. Dit was in de schrift al beloofd. En dit is 2000 jaar geleden vervuld. De identiteit van de lijdende knecht des Heren en de Heer van leven en dood staat vast: "Het is de Heer!" Het was dezelfde Jezus. Er is continuïteit!
Maar er is ook discontinuïteit! De lijkwade was intact gebleven, maar Jezus was er uit opgestaan. Het graf was gesloten, maar Jezus had het verlaten. De deuren waren gesloten, maar Jezus kwam en stond in hun midden.
De dood heeft geen macht meer over Hem. Hij sterft niet meer. Hij leeft uit de kracht van God. Hij heeft een krachtig, verheerlijkt lichaam van hemelse makelij. Hij is zoals God het in den beginne heeft gewild: een stralend mens!
En zo'n mens zullen u en jij en ik ook worden, belooft het evangelie. Hij zal . ons vernederd lichaam veranderen, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt. Wij zullen Hem gelijk wezen.
De tarwekorrels die de boer oogst, zien er precies zo uit als de tarwekorrel die hij heeft gezaaid. Toch is er verschil: de ene korrel is uitgegroeid tot een volle aar. Op de nieuwe aarde zijn wij precies dezelfde mensen als nu (continuïteit). Toch zijn we heel anders: volmaakt geworden (discontinuïteit).
We kunnen ons dit met geen mogelijkheid voorstellen. Wat geen oog in de natuur heeft gezien, geen oor in de geschiedenis heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen in de filosofie - dat heeft God bereid voor wie Hem liefhebben. Jezus zal zich tot ons nemen. Hij zal nieuwe wijn met ons drinken in het koninkrijk van zijn Vader. Wij zullen bij Jezus onze intrek nemen. Wij zullen bij Hem zijn en met Hem leven. We zullen Hem zien. We zullen Hem kennen van aangezicht tot aangezicht. Eeuwig leven is leven met Jezus. Eeuwig leven is ook leven met elkaar.
Mensen uit alle plaatsen en tijden leven in eendracht en blijdschap met elkaar. Met Jezus Christus zullen wij als koningen in de nieuwe wereld heersen. Wij verwachten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.
5. De toekomst
GENESIS 1
In het nieuwe begin herschiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en leeg. De grauwsluier van de dood lag over heel de schepping. Door het wanbeheer van de mens zuchtte zij op alle gebieden. Verlangend keek de schepping uit naar de komst van de echte, geïnspireerde Mens.
Daarom zei God: "Laat Me eerst een Mens maken naar mijn beeld, als mijn gelijkenis. Die moet rechtvaardig heersen over mens en dier, plant en ding". En God schiep de Mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij Hem; in ware gerechtigheid en heiligheid schiep Hij Hem. De dood liet Hij achter zich, Hij stond in het eeuwige leven. Hij was sprekend zijn hemelse Vader, diens heerlijkheid straalde van Hem af en Hij was vol heilige Geest.
God zag hoe goed de Mens was, en Hij noemde Hem Jezus. "Want", zei Hij, "Gij hebt de mensen verlost van hun zonden en heel de schepping gered van de dood. Gij zijt mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb." En God gaf Hem alle macht in hemel en op aarde. En God zei: "Er zij weer licht"; en er was weer licht. Want de heerlijkheid van God verlichtte heel de schepping. De Here God was haar licht en zijn Zoon. En God zag hoe goed het licht was. En God noemde het licht 'duurzame dag'. Toen pas vernieuwde God de hemel en de aarde, door vuur en door Geest. De hemel zuiverde Hij van schadelijke straling en van de aarde verwijderde Hij alle sporen van de dood. En God noemde de hemel 'loutere lucht', en de aarde noemde Hij 'goede grond'.
En zo was het. En de zee was niet meer oneindig groot. En God zag hoe goed het was.
En God zei: "De bomen moeten elke maand vruchten dragen, twaalf keer per jaar. Altijd moeten ze de mensen in leven houden. Zelfs de bladeren zullen dienen om in eeuwig leven te houden. De wijnstok moet druiven voortbrengen, zodat mijn Zoon de wijn nieuw kan drinken met zijn vrienden. En de vijgenboom zal groeien en bloeien, zodat men er onder kan zitten en kan genieten van het goede leven". En zo was het. En God zag hoe goed het was. En God ontfermde zich ook over de dieren - dat zij niet meer zouden doden of gedood worden. De wolf verkeerde bij het schaap en de panter legde zich neer bij het bokje; het kalf en de jonge leeuw waren samen, en een klein kind kon voor ze zorgen. Men deed geen kwaad en stichtte geen verderf op heel Gods goede grond. Want de aarde was vol van kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. En God noemde de dieren 'niet-bedreigde soorten'. En God zag hoe goed het was. En toen - toen veranderde God de mensen die op Hem hadden vertrouwd.
Hij herschiep hen naar het beeld van zijn Zoon. Zij werden Hem gelijk, zij leken sprekend op Hem. In ware gerechtigheid en heiligheid herschiep Hij hen. De dood lieten zij achter zich, zij stonden in het eeuwige leven. Zij straalden van vreug<;le en zij waren vol heilige Geest. En God zegende hen en God zei teit hen: "Vervult de vernieuwde aarde en heerst, samen met de Zoon, over dieren en planten en alle dingen".
En God zag alles wat Hij hersteld had, en zie: hoe goed was het! Zo werden voltooid de herschapen hemel en de vernieuwde aarde en al hun heer. Toen had God eindelijk rust van al het werk dat Hij gemaakt, verlost en hersteld had. En God verheugde zich in al zijn werken. De hemel verheugde zich. De aarde juichte. De zee bruiste en haar volheid. Het veld en al wat daarop is verblijdde zich. Alle bomen van het woud jubelden. Van tussen de takken lieten de vogels hun lied horen.
Alle dieren eerden God. De morgensterren juichten. En de mensen loofden hun Heer. Misschien zal" Genesis 1 nooit geschreven en gelezen worden. Maar de mensen zullen zich verblijden en juichen voor eeuwig over wat God schept wat geen oog heeft gezien en wat geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor hen die Hem liefhebben.
Literatuur:
o. Jager, Het eeuwige leven, Kampen 1962, 541-578.
J.H. Veefkind, Toekomstverwachting, Amsterdam 1984.
W.G. Rietkerk, De aarde en haar toekomst, Kampen 1991.