Priesters en oudsten (2)

1992-07-03
  • Jaargang 36
  • nummer 14
Oudsten
'Ouderlingen' (presbyters) zijn 'oudsten' en het Oude Testament gebruikt voor hen een woord dat 'baardigen' betekent: volwassen mannen van rijpe leeftijd. Andere Semitische talen duiden ze aan als 'grijzen', mannen wier ouderdom en ervaring aan hun haarkleur is af te lezen. We komen ze vaak tegen in het O.T. In de stad Sukkot (Richt. 8:14) waren er 77, maar meestal worden geen getallen genoemd. Het gaat bij hen om hoofden van families, die als leiders en vertegenwoordigers van de vrije burgers, zowel als ze nog in stamverband leven als wanneer ze zich in een stadje of dorp gevestigd hebben, op plaatselijk niveau bestuurlijke taken uitoefenen. Niet ieder gezinshoofd was 'oudste'. Als in Joz. 7 Achan als schuldige wordt aangewezen, gebeurt dat als achtereenvolqens zijn stam, zijn 'geslacht' en tenslotte zijn 'familie' zijn uitgeloot. En die 'familie' was die van Zabdi, zijn grootvader, hoewel Achan getrouwd was en kinderen had. De gezamenlijke familieoudsten vormden de oudsten van 'het geslacht' of de clan en een aantal daarvan (waarbij afstamming, macht en aanzien een rol speelden) vormden de oudsten van de stam. Israël kent later zelfs 'oudsten van het volk', maar we weten niet hoe groot die groep was en hoe ze gekozen/aangewezen werden. Bij de verbondssluiting op de Sinaï wordt het volk vertegenwoordigd door 70 oudsten, die Jahwe mogen zien en aan het verbondsmaal aanzitten.
De oudsten van een dorp of stad hadden gezag, konden onderhandelen (1 Sam. 11:3; 16:4) en oefenden bestuurlijke en rechterlijke taken uit (Ruth 4:2, 11; Deut. 19:12; 21:3; Joz. 20:4). De oudsten van Gilead kiezen Jefta als leider, die van Juda (d.w.z. van een aantal Judese steden) worden door David gepaaid met geschenken, als hij koning wil worden (1 Sam. 30:26 vv.). Zelfbestuur door 'oudsten' ontstond niet na de vestiging van Israël in Kanaän.
Het was een erfenis uit de voorgeschiedenis van een volk bestaande uit stammen, clans en families, waarvan de oude geslachtsregisters getuigenis afleggen. Die structuur bleef in Kanaän veelszins intact: de verdeling van het land was erop gebaseerd en vaak vestigden clans zich in dorpen. Ook de vestiging van het centralistische koningschap (waartegen profetisch verzet rees) deed 'oudsten' niet verdwijnen (1 Kon. 21:8; Jer. 18:1), noch op lokaal noch op nationaal niveau.
En ook na de ballingschap zijn ze er, ook per stad (Ezra 4:8,13). Zulke 'oudsten' zijn echter geen typisch Israëlitisch verschijnsel. Men vindt ze in het hele oude Voor-Azië, al in het 3e millennium v. Chr. Het bestuurlijke beeld van het vroege Israël lijkt b.v. op dat in het rijk van Mari aan de Eufraat (18e eeuw v. Chr.). Daar vinden we steden, dorpen en stammen met hun oudsten, die lokale bestuurstaken vervullen, rechtspreken en bemiddelen tussen vorst en volk. Het is dè bestuursvorm van de oudoosterse patriarchale samenleving, vooral, maar zeker niet alleen de nomadische.
We spreken van 'patriarchaal', omdat 'vaders' - vooral de pater familias als hoofd van de familie; in het Hebreeuws heet het gezin 'huis(houding) van de vader' - en dus per definitie mannen van rijpe leeftijd het gezag bezaten en de dienst uitmaakten. Dat was geen 'scheppingsordinantie' , maar uitvloeisel van de familiestructuur, die zijn wortels in de verre voorgeschiedenis had. En wat de vader in zijn gezin was, was de 'oudste' op het niveau van de familie, clan of stam. In die wereld was de man de 'baas' ('heer', omdat hij macht en gezag heeft, ook over zijn vrouw die hij via een huwelijkscontract, na de betaling van een bruidsprijs heeft verworven en in zijn huis heeft gebracht). De genealogie verloopt daarom langs de mannelijke lijn; dochters trouwen buiten de familie, zonen houden die met vrouwen van buiten in stand. De zonen zijn de erfgenamen, zeker van het onroerend familiebezit, dat niet verloren mag gaan; dochters krijgen wel een uitzet mee en 'geschenken', maar erven niet.
De oorsprong van deze orde ligt in de nevelen der prehistorie, maar men kan die wel verklaren door vergelijking met 'primitieve', thans nog in stamverband levende volken. Waarschijnlijk was, net als in de dierenwereld, de fysieke kracht van de volwassen man en dus het fysieke verschil tussen man en vrouw, de eerste, beslissende factor.
Dat blijkt ook daaruit dat hoge ouderdom alleen, zonder kracht, ondanks bezit van wijsheid en ervaring, leidt tot verlies van de positie van 'oudste'. Kracht en snelheid (bij de jacht of de verdediging) en de 'natuurlijke' rol van de vrouw bij de geboorte en het grootbrengen (zogen) der kinderen waren beslissende elementen, Een daarop gebaseerde taakverdeling binnen de familie of clan wordt institutioneel en bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van ervaring, wijsheid en zo gezag, en legt de rollen vast. Er ontstaat een patroon van rechten, plichten en taboes, waarbij naast praktische zaken ook religieuze elementen (relatie tot de stamvaders) een rol gaan spelen. Het patroon van deze oeroude, diepgewortelde gezags- en machtsstructuur is in de historische, 'patriarchale' kulturen van de oude wereld, waartoe ook Israël behoorde, in wezen overeind gebleven. Wel gingen geleidelijk naast eerstgeboorte en afstamming ook feitelijke macht en status (ook buiten de familie) een rol spelen en gaan aanwijzing en verkiezing de automatische opvolging verdringen.
De wezenlijke verandering komt pas via de technologische revolutie vanaf de tse eeuw, als duidelijk wordt dat fysieke kracht, eerstgeboorte en zelfs leeftijd als criteria voor leiderschap steeds onbelangrijker worden. Dat is daarom ook de tijd waarin de emancipatie der vrouwen begint.
In Judea, rond het begin van onze jaartelling spelen 'oudsten', evenals elders in de Hellenistisch-oosterse wereld, nog steeds een belangrijke rol. AI is die ingeperkt door de groeiende macht van het centrale gezag, zeker als dat in vreemde handen ligt, op lokaal niveau zijn de 'oudsten' nog prominent aanwezig. Blijkens Egyptische papyri uit deze tijd "regelden presbyters de interne gang van zaken in de dorpen en onderhielden ze het contact tussen hun gemeenschap en de ambtelijke instanties van het koninklijk bewind. De presbyters waren letterlijk de oudsten van het dorp. Ze werden intern aangewezen en als gezaghebbend erkend" (J.A. van Rossum, De gerousia (raad der oudsten - K.R.V.) in de Griekse steden van het Romeinse Rijk, Leiden 1988, 24). Zo was het ook in Judea, eveneenS onder vreemde overheersing.
Het Nieuwe Testament spreekt herhaaldelijk van 'de oudsten van het volk', samen met overpriesters en schriftgeleerden, als leidinggevende en gezaghebbende instanties. Hoe 'oudsten' op lokaal niveau fungeerden blijkt uit het N.T. amper, maar uit andere bronnen weten we dat ze als leiders van de gemeenschap optraden.
Ook de lokalé religieuze gemeenschap der Joden, de synagoge, kende in en buiten Palestina een bestuursstructuur waarin naast en onder de 'overste van de synagoge' (Hand. 18:8,17) de 'oudsten van de synagoge' een wezenlijke rol speelden. De synagoge kende geen offerkultus en dus domineerde er geen priester; het was een min of meer democratische lekengemeenschap van gelovigen rond wetsverkondiging en gebed, die zichzelf bestuurde via 'oudsten', aangewezen uit de volwassen manlijke leden.

Het lijkt waarschijnlijk dat de jonge christelijke kerk, onder apostolische leiding (en de apostelen waren Joden) de bestuursvorm van de synagoge als vanzelf heeft overgenomen, toen Joden die Jezus als Messias aanvaardden, uit de synagoge gebannen, 'apart' moesten bijeenkomen. Maar het lag ook helemaal in de lijn van Christus' onderwijs, die zich verzette tegen machtsaanmatiging door 'leiders', die neerzagen op de "schare die de wet niet kent". Niet machtigen of rijken, niet schriftgeleerden met grote wetskennis, en niet priesters die het recht hebben direct om te gaan met wat heilig is maken de dienst uit, maar 'oudsten' uit de gelovigen, die aan de criteria van Titus 1:5 vv, voldoen.
Dat die 'oudsten' toen per definitie mannen waren sprak bij overname van de synagogale tradities en binnen de patriarchale bestuursvorm van die kultuurperiode vanzelf. Het was geen bewuste keuze, waarbij vrouwen bewust werden uitgesloten of gedegradeerd. Wel speelde een rol dat de jonge christelijke kerk, hoe scherp zij zich ook ging verzetten tegen het wettische Judaïsme, op sociaal terrein, als het ging om de maatschappelijke orde waarin slaven en vrouwen hun eigen, restrictieve plaats hadden, niet revolutionair wilde opstellen. De bestuursvorm die ook in de diaspora gemeengoed was, werd overgenomen en aangehouden. Maar we kunnen ook stellen dat bestuur door 'oudsten' goed paste bij de relatie tussen God en zijn volk. Hij sloot zijn verbond met heel zijn volk, met 'heel de vergadering', niet alleen met een leider of aristocratische elite.
'Israëls zonen' zijn bij de verbondssluiting op de Horeb direct van de partij via zeventig oudsten uit het volk.
Heel het volk moet immers uit het verbond leven en er onder leiding van zijn 'oudsten' in religieus en maatschappelijk terrein inhoud aan geven. De geboden in Deuteronomium richten zich tot het volk én tot iedere Israëliet afzonderlijk: zowel in de tweede persoon enkelvoud als meervoud. Het was dus binnen de kaders van die tijd (zonder 'one-man-one-vote' en zonder bestuurlijke stem voor vrouwen) een voluit 'democratische' structuur. Men heeft niet ten onrechte de parallel getrokken tussen 'de vergadering van Israël' onder het O.T. en 'de gemeente( vergadering)' onder het N.T., want de laatste wordt aangeduid met het Griekse woord ekklèsia, in het oude Griekenland de stemgerechtigde 'volksvergadering'. Als dan ook het N.T. voor deze structuur, met 'oudsten', kiest betekent dat niet dat die voorkeur öók (laat staan: vooral) bepaald werd door het feit dat deze bestuursvorm deelname door vrouwen uitsloot! Dat punt was nergens in het geding, in dat opzicht bleef alles bij het oude.
Er waren in de jonge christelijke kerk hier en daar blijkbaar wel leden en wellicht ook wel gemeenten, die de overtuiging hadden dat de nieuwe vrijheid in Christus ook voor de vrouw en haar rol in de gemeente consequenties moest hebben. Het verbaast niet dat dat o.a. in Korinthe het geval was, een kosmopolitische havenstad, ver van de kultuur van het oude Nabije Oosten. Paulus vermaant dan dringend op dit punt niets te veranderen en alles bij het oude te laten, zowel om in de gemeenten een zekere uniformiteit op dit punt te handhaven als om naar buiten geen aanstoot te geven.
Hierbij kan hebben meegespeeld dat hij bang was dat veranderingen op dit punt de ingang van het evangelie in de joodse diaspora zou hebben bemoeilijkt (reden waarom hij ook Timotheus besneed, en waarom in Hand. 15 aanbevolen wordt de wetsgetrouwe Joden op enkele punten niet onnodig aanstoot te geven). Of dat zo is is moeilijk te achterhalen. Gelukkig geeft Paulus ook bijbelse argumenten voor zijn voorschrift om niets te veranderen.
Die verdienen goede aandacht en weging, als het erom gaat vast te stellen of God vandaag nog steeds van ons vraagt in dit opzicht alles bij het oude te laten. Want het lijkt wel degelijk in de lijn van de Bijbel te liggen de vrouwen in de gemeente een gelijkwaardige rol te geven, omdat volgens de Bijbel onder het nieuwe verbond allen, jong én oud, man én vrouw, slaaf én vrije, een directe relatie met God hebben, deel hebben aan zijn Geest (Joël 3) en Hem kennen (Jer. 31:34). Zijn dat niet de wezenlijke voorwaarden voor het vervullen van diensten in de gemeente?

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief