Het nut van filosofie

1992-07-03
  • Jaargang 36
  • nummer 14
Er staat weer eens een nieuw tijdschrift op stapel. Het zal een maandblad worden met de titel 'Filosofie Magazine'. Mijn bedoeling is niet reclame te maken voor dat blad, maar wel om onze lezers een en ander mee te delen over de rol die men, bijvoorbeeld in het genoemde tijdschrift, ziet weggelegd voor de filosofie in onze maatschappij. Uiteraard zullen we daarbij de rol van geloof, kerk en theologie ook ter sprake brengen.

1. Het nulnummer
Zoals vaker gebeurt, komt ook dit nieuwe magazine eerst met een zgn. 'nulnummer', om geïnteresseerden te vertellen wat er op komst is. We krijgen daarin een heleboel gegevens over toekomstige artikelen, over de schrijvers daarvan, over de vaste en losse medewerkers, enz.enz. Maar natuurlijk ook een verhaal waarom het zo belangrijk is om zich op dat blad te abonneren. Aan dit nulnummer ontleen ik dan mijn aanloop voor dit artikeltje.

2. De Introductie
De hoofdredacteur, Roeland Dobbelaer, schreef een openingsartikel onder de titel 'Filosofie in de lage landen?'.
Daarvan is de strekking: er is wat mis met de beoefening van de filosofie in Nederland en Vlaanderen. De Nederlandstalige filosofen hebben te weinig lef, ze sluiten zich op in universiteiten en bemoeien zich te weinig met de politiek en met het openbare leven op de verschillende gebieden van onze culuur. Ze laten de journalisten het werk doen. Ik citeer: 'Het wordt tijd dat filosofen naar buiten treden en een vooraanstaande rol gaan spelen in debatten over politiek, samenleving, levensbeschouwing, religie, wetenschap en kunst.' En volgens deze hoofdredacteur moet dat ook gebeuren op een manier die toegankelijk is voor een breed publiek. De slotzin: 'Het is dus tijd voor Filosofie Magazine.'

3. Een heel oud liedje
Ook uit andere introducerende stukjes in dit nulnummer blijkt een soortgelijk zelfbesef van de betrokken filosofen.
Ze vinden het zeer ongewenst dat de media eigenlijk de vormers zijn van de pubneke opinie. Die media kunnen bepaalde personen, stromingen en beleidsprogramma's maken of breken.
Deze macht van de media vinden ze een vervelende zaak. Hun enige troost is dat je in de media alle mogelijke stemmen en tegenstemmen kunt horen, dank zij onze vrijheid van meningsuiting.
Dat voorrecht heeft de filosofie ook wel. Maar die filosofische sukkels laten hun stem niet horen, ze hebben te weinig lef, ze draaien maar rond in hun universitaire circuitje en bestuderen vaak nutteloze details uit het werk van filosofen uit ver verleden tijden. Dat behoort anders te zijn, volgens de redactie van Filosofie Magazine.
Waarom? Dat wordt in dit proefnummer niet zo ronduit uit de doeken gedaan. Maar voor insiders laat het zich gemakkelijk tussen de regels door lezen. Want het is niets nieuws. Het wordt eigenlijk als bekend en vanzelfsprekend aan genomen.
Het is eigenlijk het oude verhaal uit de eerste eeuwen van de filosofische traditie, een verhaal dat zich in grote lijnen tot in onze tijd toe gehandhaafd heeft, wat betreft de rol en het nut van de filosofie voor de mensheid .
Het is een verhaal dat ik nu kort zal doorvertellen.

4. 'Leidsvrouwe des levens'
Toen de filosofie nog geen twee eeuwen bestond, en nog geheel gemengd was met mythologie, natuurkunde, wiskunde, en met nog meer in opkomst zijnde wetenschappen, brak met Socrates een nieuwe. periode aan. Hij is de eerste van 'De Grote Drie' uit het bloeitijdperk van de 'klassieke periode': Socrates, Plato en Aristoteles. De grote wending die door Socrates (en andere 'sofisten') in de filosofie teweeggebracht is, bestond hierin dat hij de hoofdaandacht van zijn denken richtte op het dagelijks leven van de mensen, en niet op allerlei speculaties over het ontstaan van de goden en van de wereld, over de zon en de maan, over de zgn.elementen der wereld: vuur, water, aarde en lucht, of iets dergelijks. Cicero schrijft enkele eeuwen later (met enige overdrijving) dat Socrates het was, die de filosofie uit de hemel (d.w.z. uit de speculaties over de sterren bijv.) wegriep en haar bracht in de steden en in de huizen der mensen. Hij noodzaakte haar onderzoek te doen naar het leven en de zeden, en naar wat goede en kwade zaken zijn.
Cicero, wiens filosofische ethiek helaas grote invloed had op de kerkvaders en via hen op de latere theologisch/ethische opvattingen, was inderdaad een zeer enthousiast filosoof, en wel een van van dat soort filosofen dat meende dat de mensen het eigenlijk van de filosofie moesten hebben, als ze gelukkig wilden zijn.
Beroemd geworden zijn de verschillende lofzangen geworden die hij heeft aangeheven op de filosofie. Ik citeer er een en ander uit.

5. Cicero's lofzangen op de filosofie
Wij moeten, zegt Cicero, voor allerlei kwalen en gebreken in ons leven 'de verbetering geheel van de filosofie verwachten'. In een gesprek met Brutus, in Tusculum zegt hij: '...in de harde beproevingen van de laatste tijd heb ik, door zware stormen geteisterd, weer mijn toevlucht genomen in dezelfde haven waaruit ik was weggevaren (nI. de filosofie). 0 filosofie, leidsvrouwe des levens, die morele waarden ontdekt en gebreken uitroeit. Wat zouden wij, wat zou het leven van de mensen in het algemeen, zonder U kunnen zijn?' Even verder: "U, filosofie, U bent het geweest die de mensen hebt geleerd hoe zij zich moeten gedragen en waaraan zij zich moeten houden. Tot U nemen wij onze toevlucht, bij U zoeken wij hulp, aan U willen wij ons ....nu onvoorwaardelijk en geheel wijden ....Bij wie zullen wij anders hulp zoeken dan bij U, die ons rust in het leven hebt geschonken en een einde gemaakt hebt aan de verschrikking van de dood?" Als wij deze en soortgelijke lofzangen op de filosofie lezen bij Cicero, dan herkennen wij hier direct een soort religieuze eerbied voor en overgave aan het filosofisch denken. Cicero stelde er voor tijd en eeuwigheid zijn vertrouwen op. De filosofie was voor hem de bron van alle levenswijsheid, en de vertroosting in alle leed en moeite. Geen wonder, dat de eerste generaties van christelijke theologen de woorden van Cicero overnamen en toepasten op het christelijk geloofsleven.
Het was niet terecht, maar wel begrijpelijk, dat sommigen van hen stelden dat het christelijk geloof eigenlijk de ware filosofie is. In de missionaire gesprekken der eerste christelijke theologen vinden we nogal vaak deze uitdrukking. Dat gaf in die tijd ook 'status' aan het nieuwe, christelijke geloof.

6. FIlosofie als levensbeschouwing
Inderdaad, binnen het heidendom fungeerde de filosofie als de heilsboodschap voor het leven. Zij was primair moraalprediking geworden, al of niet ingebed in een soort theologische metafysica, maar zij was ook vol van beloften en vertroostingen. De filosofie was, althans voor een deel, geworden tot een levensbeschouwing, die de mensen oriëntatie en houvast verschafte in het leven. Een slimme filosoof beredeneerde bijv. dat niemand bang hoeft te zijn voor de dood, want, zei hij: zolang U er bent, is de dood er niet, en als de dood er is, bent U er niet meer. Maar behalve dat soort handige praatjesmakers, waren er inderdaad in de wereld rondom het vroege christendom heel wijze en serieuze mensen die optraden als geestelijke leidslieden van het publiek, beleidsadviseurs van regeringspersonen, raadgevers in privé-problemen.
De christelijke theologen van die tijd meenden ook veel van hen te kunnen leren. Ambrosius (plm.375), de eerste christelijke theoloog-ethicus van formaat, schreef een ethiek voor de geestelijken, die zo sterk herinnerde aan een vier eeuwen tevoren verschenen boek van Cicero, getiteld 'Over de plichten', dat men haast van plagiaat zou kunnen spreken.
En wat te denken van de christentheoloog Boëthius? Die zat ook in de politiek, kwam daardoor in de gevangenis en werd ter dood veroordeeld wegens hoogverraad. Kort voor zijn dood kwam zijn laatste boek klaar, dat een 'meesterwerk' genoemd wordt en eeuwen lang grote invloed had op de middeleeuwse christenen, vooral op de theologen. Dat boek was getiteld: 'Over de vertroosting van de filosofie. ' Bepaald geen dun vlugschrift je. Het was een boek waarin deze veelzijdige geleerde, die even gemakkelijk boeken schreef over wiskunde als over de leer inzake Christus, geen enkele christelijke of bijbelse gedachte naar voren bracht om zichzelf en anderen te troosten. Hij had in het aangezicht van de dood genoeg aan de heidense filosofie. Daaruit putte hij zijn enige troost, ondanks al zijn theologische veelzijdigheid en geleerdheid. Niemand leest tegenwoordig meer zijn boek over de Drieëenheid Gods, of zijn boeken over de leer der twee naturen van Christus. Maar zijn boek 'Over de vertroosting der filosofie' was niet alleen in de 'christelijke middeleeuwen' een zeer invloedrijk boek, maar het is ook tegenwoordig weer een bestseller op de filosofische boeken markt. Er verscheen nog onlangs weer een nieuwe vertaling van in het Duits en naar ik meen ook een in het Nederlands.

7. Het oudelied op een nieuwe wijs
Inderdaad, de wijsbegeerte heeft in onze Westerse cultuur vrijwel vanaf het begin in de zesde eeuw voor Christus, mede een religieuslevensbeschouwelijke rol gespeeld. Soms waren er ook lange perioden waarin dit niet op de voorgrond stond, en meer de streng wetenschappelijke aard en taak der filosofie in de mode was. Maar zowel vóór als na het christendom waren en zijn er belangrijke en grote stromingen in de filosofie waarin het praktischlevensbeschouwelijke, het politieke en morele (onder de gemeenschappelijke titel: de humaniteit) op de voorgrond staat. In de allereerste eeuwen was de opkomst van wetenschap en filosofie zelfs bewust en met nadruk een alternatief voor de versleten heidense religies. Deze wetenschappelijke en culturele doorbraak ging gepaard met, en werd wellicht ook geestelijk gevoed door, een typisch binnen-heidens secularisatieverschijnsel.
Weliswaar met hele perioden en stromingen die in reactie kwamen tegen de toen 'moderne' ontwikkelingen en die dan ook terug grepen op de pantheïstische religiositeit, op theologischlfilosofisch gemoderniseerde heidense godsdienstigheid.
Maar de dominante hoofdstromingen van de wijsbegeerte namen steeds zelfbewuster de taak over van de innerlijk uitgeholde godsdiensten. Zij wilden inderdaad een redelijk alternatief zijn voor het on-redelijk geachte geloof. Zij wilden dan ook alles aan de mensen bieden, wat oorspronkelijk alleen door de godsdienst geboden kon worden: houvast, oriëntatie, vertroosting, levenswijsheid, bemoediging, verbetering, verbroedering en verheffing van het menselijk leven. Filosofie is zodoende in de meeste eeuwen de grote concurent geweest van de godsdienst, eerst van de heidense godsdiensten, later ook van het christendom.

8. Filosofische spreekuren
Ook in onze tijd doet de filosofie weer overal in onze Westerse wereld deze greep naar de ziel van de mensen.
Ook in onze tijd groeit de onvrede met haar verwetenschappelijking tot een puur academische aangelegenheid, zoals de filosofie in de laatste eeuw geworden is. Vanuit een humanistische geestesgesteldheid eist men weer van de filosofie dat zij, en nu inderdaad op een zgn. 'wetenschappelijk verantwoorde wijze', haar oude functie weer gaat vervullen van levensbeschouwelijk en praktisch leiding geven aan het persoonlijke en publieke leven. In Duitsland zijn er al een hele reeks plaatsen waar afgestudeerde filosofen zich vestigden in het nieuwe beroep van 'filosofisch raadsman'.
Zij houden daarvoor, net als psychologen en psychiaters, spreekuren.
Het tarief is plm. DM.130,- per gesprek van een uur. Men doet echter niet kinderachtig als het gesprek wat uitloopt. In Nederland begint dit ook navolging te krijgen. Onze dominees doen het goedkoper, maar het intellectuele publiek zoekt het liever bij de professionele denkers dan bij de professionele gelovers. In onze tijd moet immers alles toch het liefst 'wetenschappelijk verantwoord' zijn. Ook het nieuwe Filosofie Magazine wil op deze groeiende behoefte inspelen. Niet alleen in de privésfeer van de mensen, maar men wil ook door een journalistieke aanpak de filosofie bij het grote publiek brengen, en bij de politici. Want de ware levenswijsheid meent men toch in de filosofie te moeten vinden. Slechts bij haar acht men de humaniteit veilig.

9. Theologische afkeer van de filosofie
Als christenen voelen wij uit het bovenstaande direct de on-christelijke geest die aanwezig is in de kort geschetste pretenties van veel filosofie. Het jonge christendom van de eerste drie,vier eeuwen na het begin onzer jaartelling, heeft dan ook een grote geestelijke worsteling gevoerd met de om haar heen heersende populaire volksfilosofieën, vooral die van de Stoïcijnen. De Epicureeën waren in zoverre minder gevaarlijk omdat het onchristelijke van de door hen gepredikte verfijnde genotzucht als het hoofddoel van het leven, daar wel erg dik op lag. Maar Stoïsche filosofen konden praten alsof het orthodoxe christelijke predikanten waren. Die waren veel verleidelijker en daardoor ook veel gevaarlijker. Ze konden bijvoorbeeld ontroerend spreken over Gods vaderlijke voorzienigheid, bijv. De christelijke theologie heeft zelfs het woord 'voorzienigheid' van de Stoïcijnen overgenomen, in de Bijbel is het althans niet te vinden. De kerken hebben het ook in hun confessies opgenomen.
Maar ondanks veel aanleunen tegen en ontlenen aan de filosofie, is er toch in de kerkelijke traditie, en vooral in de latere protestantse tak, veel afkeer geweest van de filosofie.
Zij werd geduld en zelfs wel zeer intensief gebruikt als 'dienstmaagd' (ancilla) van de theologie, maar zij moest zich niet verbeelden echte waarheid te kunnen voortbrengen. Zij zou immers slechts haar kennis putten uit het menselijk verstand, terwijl de theologie putte uit de enige en ware bron der goddelijke waarheden, nl. de Schrift.

10. Rlosofle en christendom
Gezien de hierboven geschetste functie van de filosofie in de oude heidense maatschappij, is het begrijpelijk en tot op zekere hoogte te waarderen, dat het jonge christendom zich ten dele sterk wilde afzetten tegen de heersende filosofische stromingen.
Men had de Schrift als het licht voor onze voeten op het pad van het leven. Men onderkende de filosofie als valse profetie, als heidense prediking, berustend op heidens geloof.
Toch bleek, en ook al vrijwel vanaf het begin, dat de zaken met de filosofie niet z6 simpel lagen. Bij de opkomst van de echte theologie bleek al spoedig dat men de filosofie niet kon negeren. Vooral niet toen de eerste en centrale christelijke geloofsovertuigingen nader geformuleerd moesten worden tegenover afwijkende meningen. In de dogmavorming inzake de leer over Gods drie-eenheid en over de leer van de twee naturen van Christus heeft de kerk haar geloof beleden met gebruikmaking van verschillende filosofische termen als 'wezen', 'eigenschappen', 'natuur', 'persoon' (of 'hypostase'). En zo zijn er heel wat meer filosofische termen, maar ook filosofische probleemstellingen en denkschema's in de theologie en in de christelijke confessies terecht gekomen.
Er is daarover reeds een omvangrijke literatuur, waarover ik bij mijn weten nooit heb horen spreken tijdens mijn predikantsopleiding. Misschien kon er mede daardoor in mijn generatie een soort confessionalisme ontstaan, waarbij de confessies in een overgekookte liefde betiteld werden als zuiver 'naspreken' van de Schrift. Zij konden dan ook praktisch (natuurlijk niet in theorie) functioneren als onfeilbare beroepsinstantie, alsof zij de Schrift zelf waren. Dat zal in onze tijd en in de naaste toekomst m.i. niet meer met een goed geweten kunnen. Hetzelfde geldt trouwens in nog sterkere mate voor de theologische dogmatieken. De tijd van de generaties voor wie de dogmatiek van Bavinck of van Kuyper. of die van Schilder. het eind van alle tegenspraak was. is voorbij. Daarvoor zit er in elke dogmatiek veel te veel echte filosofie. goede of slechte.

11. Wat hebben we aan filosofie?
Zo komen we langs een omweg weer terug bij het opschrift boven dit artikel. Wat is het nut van filosofie? In elk geval zal het duidelijk zijn dat wij bij voorbaat alle filosofie moeten afwijzen die de pretentie voert een 'redelijk' alternatief te willen zijn voor het 'ouderwetse en primitieve geloof'.
Een andere zaak is dat ook de filosofie niet stil gestaan heeft in haar twee en een half duizendjarige geschiedenis.
Zij is, en ook de 'Reformatorische Wijsbegeerte' heeft dat sterk beklemtoond, steeds duidelijker gebleken naar haar eigen aard te zijn een theoretische werkelijkheidsbeschouwing.
die bewust of onbewust. in elke vakwetenschap (die over een stuk of aspect van de werkelijkheid gaat) een funderen de rol speelt. en zelfs veel vak-wetenschappelijke probleemstellingen daarmee beïnvloedt.
Omdat dit ook voor de theologie geldt is filosofie ook voor de theologie van belang. onmisbaar zelfs. of beter gezegd: zij zit er feitelijk al in. Ongeacht of zij door de beoefenaars der theologie herkend wordt of niet.
Over het algemeen kan men zeggen dat dit in de rooms-katholieke traditie beter beseft is. dan in het protestantisme.
Toen dit veranderde liep echter de vrijzinnige theologie theologie voorop. die tamelijk onbekommerd een zekere vorm van christelijk geloof verwoordde en verbond met eigentijdse filosofische stromingen.
Een typisch scholastische 'synthese' was dat. Maar in het orthodoxe protestantisme kreeg de scholastiek een andere gestalte. Men meende vaak in de lijn van de lutherse traditie. die ook in het calvinisme is overgenomen. de filosofie te kunnen missen als kiespijn. Men zag het dan ook als een kenmerk van echte bijbel getrouwe theologie als alle filosofie er uit weggewerkt was.
Ik noemde dat ook 'scholastiek'. Een woord dat we vaak horen. maar dat een nadere toelichting eigenlijk niet missen kan. Daarover dan in een tweetal volgende artikelen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief