Post uit Rwanda

1992-07-03
  • Jaargang 36
  • nummer 14
Het gestolen kindje Ik zal jullie eens iets geks vertellen: arme kinderen worden sneller groot dan rijke kinderen. Nee. ik bedoel natuurlijk niet dat ze sneller groeien, integendeel, maar ze blijven minder lang kinderen. Rijke kinderen mogen spelen. die krijgen speelgoed en hun ouders verzinnen leuke dingen voor ze. Arme kinderen moeten al heel gauw meehelpen en niet zeuren als het zeer doet.
Amanda en Rose zijn 7 en 4 jaar en ze zijn al groot. Ze moeten water halen, op het vuur passen. eten voor de koe zoeken, kleren wassen, op hun kleine zusje van 1 passen en nog veel meer.
Ze zijn alleen thuis. Vader is aan het werk in de stad en moeder is naar een begrafenis, net zoals de meeste grote mensen uit de buurt. "Goed op Stephanie passen hè," zei ze toen ze wegging. "Pas op dat ze niet bij de koe in het hok kruipt. En niet buiten de rugo gaan." De rugo is het hek van gedroogd riet dat om hun huis staat. Binnen de rugo staat het huis, de stal· van de koe, de keuken en de w.c. De kinderen weten best wat ze moeten doen als moeder er niet is. Ze spelen met knikkers die ze van klei hebben gemaakt en dragen om de beurt hun kleine zusje rond. "Hallo!" horen ze dan ineens. Er komt iemand de rugo binnen. Het is Maria. Maria is een jonge vrouw die familie is. Er is zoveel familie! Maria woont op een andere heuvel, een heel eind weg maar ze komt vaak even op bezoek.
Ze houdt van de kinderen en de kinderen houden van haar. Ze brengt vaak snoepjes mee of bananen en ze houdt er veel van om de kinderen op schoot te nemen, te kussen en te strelen. "Is moeder er niet?" vraagt Maria. "Nee, ze moet helpen om een buurman te begraven," zegt Amanda.
"Zo." zegt Maria. "Heb je wat water voor me te drinken? Rose schept een kopje water uit de aarden kruik in de hoek van de kamer. Ze praten nog een tijdje, dan staat Maria op. "Ik ga," zegt ze "en ik neem Stephanie mee, die breng ik naar jullie moeder." De kinderen zijn heel erg verbaasd. "Nee, dat moet niet," zegt Amanda, "we moeten allemaal binnen de rugo blijven." "Maar ik neem haar toch mee", zegt Maria, "dan mag het wel." Ze pakt Stephanie op en draagt haar naar buiten. Amanda en Rose vinden het eigenlijk niet goed en Stephanie wordt een beetje bang. Ze vindt het fijn bij Maria, maar ze wil niet zomaar weggedragen worden zonder haar zusjes en haar moeder. Ze strekt haar handjes uit naar Amanda. Maar Maria pakt haar stevig beet en loopt weg. Amanda en Rose staan bij de ingang van de rugo. Stephanie begint te huilen, Maria zwaait nog een keertje en loopt dan snel door. Na een hele tijd komt moeder thuis.

"Hallo," roept ze, "waar is Stephanie?" De twee zusjes zwijgen angstig. Moeder kijkt naar de bezorgde gezichtjes en vraagt ineens heel boos: "Vooruit, waar is jullie zusje?" En dan vertellen ze het verhaal. Moeder zegt niks, ze balt alleen haar handen tot vuisten en drukt ze tegen haar mond en zo blijft ze een tijd staan. AI gauw komt vader ook thuis. "We gaan zoeken," zegt hij meteen. "Kinderen, blijf binnen de rugo," en samen met moeder loopt hij weg. Nu praat moeder wel. Ze praat honderd uit. Ze vraagt iedereen "Heb je ook een jonge vrouw gezien met een klein kindje?" Ze vraagt het aan de buren, aan vreemde mensen op straat, ze lijkt wel een beetje gek. En vader loopt erbij. Hij zegt niet veel, maar op zijn voorhoofd glinsteren zweetdruppeltjes, een heleboel. Ze zoeken tot het donker is, dan keren ze naar huis terug. Moeder is nu helemaal overstuur, ze huilt, ze wil weer naar buiten en vader zegt heel rustig steeds hetzelfde: "In het donker kunnen we niet zoeken. Maria is vast naar huis gegaan, zodra het licht is ga ik erheen." Hij helpt mee het vuur aanmaken, want moeders handen trillen en beven, hij helpt mee om wat eten te maken, de kinderen hebben hem dat nog nooit zien doen. Ze zitten stilletjes in een hoekje van de kamer, de armen om elkaar heen. Die nacht slaapt niemand erg goed. Midden in de nacht staat vader opeens op en doet de buitendeur open. Meteen springen moeder en de meisjes ook op.
"Wat is er vader, wat is er?" Vader loopt een rondje om het huis en komt dan weer binnen. "Niks," zegt hij verdrietig, "ik dacht dat ik wat hoorde." Datzelfde gebeurt nog een paar keer, en nog voor de zon goed en wel op is is de hele familie alweer aangekleed. "Ik ga eerst naar de stad," zegt vader, "daar vraag ik aan mijn baas of ik mag gaan zoeken." "En als het niet mag?"
zeg moeder. "Dat mag wel," zegt vader, "de baas houdt van God én van kinderen. Ik ga daarheen, en daar laat ik mijn fiets en dan neem ik de taxi naar de heuvel van Maria. En jij gaat hier in de buurt rondvragen moeder." "Ja," zegt moeder en dan: "Ik wil liever mee." "Dat kan toch niet," zegt vader, "ik ga op de fiets, de taxi is duur, het duurt veel langer als we samen gaan."
"Goed dan," zegt moeder. Drie kwartier later zit vader in de taxi.
Naast hem zit een dikke vrouw die honderduit kletst en graag een heleboel wil weten. Vader vertelt dat hij op zoek is naar zijn dochterje. "Ach nee toch!" zegt de dikke vrouw. "Ja, zulke vrouwen heb je. Bij ons in de buurt was ook zo'n vrouw. Een beetje ziek in het hoofd omdat ze geen kinderen had. Op een dag nam ze de twee buurmeisjes bij de hand en weet je wat ze deed? Ze liep zo met die twee schatjes het water in en ze verdronken alle drie. Man, wat zul je in angst zitten!"
Nou, dat zit vader zeker, en dat verhaal helpt ook al niet veel. Hij zegt niks meer en zijn gezicht is helemaal nat van de zweetdruppeltjes. Maria is niet thuis. Ze is de hele nacht niet thuis geweest. Haar ouders schrikken van het verhaal van vader.
"Ja, zoiets heeft ze al eens eerder gedaan," zegt haar moeder verschrikt.
"Ze zou toch niet ziek worden in haar hoofd." Vader reageert daar niet op.
"Weten jullie niet waar ze kan zijn?" vraagt hij alleen maar. "Misschien," zegt de moeder, "misschien bij haar vriendin en haar man. Xaverine! Xaverine!"
Xaverine is de zus van Maria en zij gaat samerirf,et vader op zoek naar Maria en Stephanie. Het is een heel eind lopen naar het huis van de vriendin, heuvel af, heuvel op. "Daar is het," wijst Xaverine dan. In de verte staat een klein huisje van modder.
Bulten in het zand zit een klein kindje. Vader loopt sneller, begint te rennen.
"Stephanie," roept hij dan. Het kindje krabbelt overeind, begint ook te rennen op haar kleine beentjes, valt, krabbelt weer overeind, en dan is vader er al. Hij tilt zijn kleine meisje op, drukt haar tegen zich aan en bekijkt haar dan goed. "Hier au," zegt Stephanie en wijst op haar ene wang. Vader streelt en blaast er zachtjes over, hij ziet niks. "Hier au," zegt Stephanie, en wijst op haar andere wang, ook daar is niks te zien. Dan wijst ze op haar rug en op haar haren. Er is niks aan de hand, ze wil gewoon overal gestreeld worden en haar vader aait en streelt en staat daar maar stilletjes. Dan komt Maria het huisje uit. Ze lijkt niet eens te schrikken, ze lacht verlegen naar vader en naar haar zus. "Wat heb je gedaan?!" roept Xaverine boos. "Ik heb haar niks gedaan," zegt Maria verlegen. "Ik heb overal eten voor haar gebedeld, ze heeft een broodje gehad en een banaan en melk." De vriendin is nu ook komen kijken wie er op bezoek is gekomen. Ze is heel verbaasd. "Je zei dat je op je nichtje moest passen," zegt ze tegen Maria, die lacht alleen maar verlegen.
"Kom, we lopen terug," zegt vader. "Wil je eerst wat drinken?" vraagt de vriendin van Maria. "Nee, dank je wel," zegt vader. "Kom mijn kleine meisje".
"Drage drage," zegt Stephanie. "Tuurlijk draag ik je," en daar gaan ze.
Maria blijft staan, ze zegt niks. Xaverine moet op een sukkeldrafje meegaan om vader bij te houden. Als ze weer bij het huis komen is moeder daar ook. Ze schreeuwt van blijdschap als ze Stephanie ziet. "Wat doe jij hier?" vraagt vader verbaasd. "Ik heb geld geleend voor de taxi," zegt moeder, ,,0, wat ben ik blij wat ben ik blij!!" en Stephanie doet alweer heel zielig om maar overal gestreeld te worden. En als ze een hele tijd later weer bij haar zusjes is speelt ze weer hetzelfde spelletje, ze is nog nooit zoveel gestreeld en gekust en rondgedragen als die dag.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief