Wie schreef 'Hebreeën'?

1991-12-06
  • Jaargang 35
  • nummer 25
We weten al bijna niet beter dan dat we niet weten wie 'Hebreeën' geschreven heeft. Origenes (gest. 253) schreef al dat al/een God weet wie de senrilver van 'Hebreeën' was.
Hoewel in de loop der tijden veel gegist en gemist is, hebben we ons er langzamerhand bij neergelegd, bij dat 'niet weten'. Er zijn meer geheimen bij God, waar we misschien pas later achter zul/en komen.

Toch duikt bij tijd en wijle de onvrede op. Wie zal trouwens zeggen of Origenes gelijk had? We kunnen wel zeggen, dat de inhoud van dit bijbelboek van méér belang is dan de vraag, wie de auteur was. En als de Heilige Geest de eerste Auteur is, wat doet dan de naam van de tweede auteur er eigenlijk aan toe? Maar toch ... Is het niet zo, dat we 'samen met alle heiligen' iets zullen kunnen vatten van de mateloze liefde van Christus (Ef.3:18)? En betekent dat niet concreet: samen met Jesaja en Jeremia, samen met Petrus en Johannes, met Paulus en Lukas? Is het niet heerlijk, dat we die namen kennen? We leren toch onze kinderen niet voor niets de namen van de apostelen, die tot in het Nieuwe Jeruzalem toe ons toestralen vanaf de grondstenen van de Stad Gods? Kan het dan werkelijk Gods bedoeling zijn, dat de naam van de schrijver van zo'n uitvoerig en belangrijk bijbelboek als 'Hebreeën' voor ons verborgen blijft, terwijl we wél mogen weten, wie zo'n 'kattebelletje' als 'Filemon' en '3 Johannes' hebben gescheven?
Toch stuiten we in het slot van 'Hebreeën' op een naam, van iemand uit die tijd, 'onze broeder Timotheus' (13:23). Zou dit toch een verwijzing zijn naar de ons onbekende schrijver?
Zoals een schilderij soms op een vreemde plaats en op een ongebruikelijke .."anier de naam van de schilder heeft staan. Wordt hier pas helemaal aan het slot en een beetje cryptisch de naam van de schrijver aangeduid?
Maar neen, zo heeft men algemeen gereageerd, dat kan natuurlijk niet, want de schrijver noemt daar niet zichzelf, maar hij doet een belangrijke mededeling over 'onze broeder Timotheus', die ontslagen is uit de gevangenis.
Het is dus zonder meer duidelijk, dat Timotheus de schrijver zelf niet kan zijn. Bij alle namen, die voor en na zijn voorgesteld op de candidatenlijst voor het schrijverschap, ontbreekt dan ook Timotheus ten enen male ... zo duidelijk is dat!

Nu heeft het de laatste tijd de aandacht getrokken, dat de slotverzen van hoofdstuk 13 wat wonderlijk achter het 'amen' van vers 21 aankomen. In 1941 schreef prof. De Zwaan in zijn 'Inleiding tot het Nieuwe Testament', lil, reeds dat 'Hebreeën' kennelijk "een rede is, die haar slot bereikt met het amen van vers 21" en dat de verzen 22-25 'een geleidebrief je' is dat aan het verslag van de rede is 'aangehecht'; en verder dat dit geleidebrief je van de auteur zelf zou zijn; de adresformule zou bij de aanhechting verdwenen kunnen zijn; en uit vers 22 blijkt, dat het een kort briefje is geweest (p.191-2).
Ook prof. Grosheide is van mening, dat "we in 'Hebreeën' een homilie, een preek voor ons hebben"
(Comm. 1955, p.41) en ook hij typeert de slotverzen als "een begeleidend schrijven" van de auteur (p. 42-3).

Daarmee zijn we m.i. een stap in de goede richting naar de oplossing toe van de anonimiteit. Want als vanzelf gaan we ons nu afvragen: kan het geleidebrief je niet toegevoegd zijn door degene, die de homilie verzendklaar gemaakt heeft? En ook inderdaad verzonden heeft? Dat meer dan één persoon bij het schrijven en verzenden van een brief betrokken was komen we vaker tegen bij de brieven van Paulus. De brieven aan de Thessalonicensen b.v. zijn geschreven door Paulus, Silas en Timotheus, en de brief aan de Filippenzen door Paulus en Timotheus. En vanwege zijn slechtziendheid maakt Paulus vaak gebruik van een secretaris. Hij zet er dan als waarmerk van echtheid zijn handtekening onder (1 Cor. 16:21, 2 Thess. 3:17, Co1.4;18, Gal. 6:11).

In het geval van 'Hebreeën' kan de schrijver door ziekte of gevangenschap verhinderd zijn geweest zelf zijn schrijven te verzenden, zodat hij dat aan een ander moest overlaten, die de verzending vergezeld doet gaan van een kort geleidebrief je. De r.k. commentaar van Andriessen-Lenglet (Roermond, 1971) volgt het spoor in deie richting. Dat de schrijver in 13:19 zegt verhinderd te zijn om zelf te komen, terwijl de schrijver van het geleidebriefje in vers 23 zegt spoedig te komen, lijkt een duidelijke aanwijzing te zijn, dat hier twee verschillende mensen aan het woord zijn.
Dezelfde commentaar noemt verschillende auteurs, die in de stijl van het geleidebrief je de hand van Paulus menen te herkennen. De apostel zou dan een schrijven, dat niet van hem was, met zijn gezag willen dekken.
Paulus' brieven eindigen doorgaans in ongeveer dezelfde bewoordingen, als die van het geleidebrief je. Wensen ándere apostelen, als Petrus en Johannes, aan het slot van hun brieven de 'vrede' toe, Paulus wenst zijn lezers steeds de 'genade' toe en wel 'met u' of zoals in dit briefje 'met u allen'. De vermelding van 'alle heiligen' in een slotwens komen we ook tegen in 2 Cor."13:12en Filip.4:22. En de beginformule "ik spoor u aan, broeders"
(vers 22) leidt ook bij Paulus de slotvermaningen in (1 Cor.16:15, Rom.15:30, 16:17, 1 Thess.5:14)(Zie genoemde commentaar, p.256-8)

Als het inderdaad Paulus was, die de homilie van een ander met zijn gezag wil bekrachtigen, via dit korte geleidebriefje, dan zou daarmee ook verklaard zijn, waarom de oudste overleveringen het hele schrijven op zijn naam hebben gesteld. Maar daar zit dan ook nog meer aan vast. Want in dat geval zal de tijd van het schrijven van 'Hebreeën' wel wat vroeger gesteld moeten worden dan doorgaans gedaan wordt. Meestal wordt n.1.aangenomen, dat de tempel in Jeruzalem al verwoest was toen 'Hebreeën' geschreven werd, en dan zou na 70 gedateerd moeten worden. De Zwaan a.w. en Klijn (Wordingsgeschiedenis van het Nieuwe Testament, 1976) gaan tot plm.85. Greijdanus (Bijz.Canoniek, 11,1949)meent echter, dat uit de brief niet valt af te leiden dat de tempel al verwoest was. Van der Waal (Sola Scriptura, lil, 1968) is van oordeel dat de schrijver uitgaat van de nog bestaande joodse eredienst (8:3,5; 9:1-10; 13:11) Hij spreekt nl. in de tegenwoordige tijd om de priesterlijke handelingen aan te geven; als de tempel toen nog in bedrijf was moet de brief nog vóór het jaar 70 geschreven zijn (p.179).
Hoevér vóór het jaar 70 is uiteraard moeilijk te zeggen. Paulus' dood wordt door de overleveringen op het jaar 64 gesteld. Bij een vroege datering van 'Hebreeën' kan Paulus zeer wel de belangrijke homilie van zijn geliefde Timotheus nog met een geleidebrief je aan de lezers hebben aanbevolen.

Intussen is de anonimiteit van de schrijver van de homilie hiermee nog niet opgeheven. Omdat over Timotheus in de derde persoon gesproken wordt, vers 23, maakte hij, zoals we eerder zagen, geen kans.
Maar dat argument tegen Timotheus vervált, als we mogen aannemen, dat er sprake is van twee schrijvers. In deze nieuwe situatie is het toch zeer wel mogelijk, dat (aangenomen Paulus) in vers 23 een duidelijke aanwijzing geeft naar de schrijver van de homilie, die hij hiermee de lezers toezendt, met warme apostolische aanbeveling! Hij heeft nl. over 'onze broeder Timotheus' een verrassende mededeling te doen: hij is in vrijheid gesteld en "als hij spoedig kan komen zal ik samen met hem u bezoeken", vers 23.
Dat is dan ook de reden, waarom hij nu maar zo kort hoeft te schrijven, vers 22, ze mogen immers hopen elkaar spoedig te zien en te spreken.

Sluit dit verrassende nieuws niet aan op wat de schrijver van de homilie in 13:18 en 19 schreef: "Bidt voor ons, want wij vertrouwen dat wij een goed geweten hebben ... Met des te meer nadruk spoor ik u aan dat te doen, opdat ik u te eerder teruggegeven moge worden".
Het lijkt niet direct duidelijk waarop hier gedoeld wordt. Het Griekse woord, in onze vertaling weergegeven met 'teruggegeven worden' betekent letterlijk 'in de vroegere toestand hersteld worden'. Het wordt gebruikt voor 'herstel in gezondheid' (Marc.3:5; 8:25), maar ook voor 'bevrijding uit gevangenschap' (Gen.40:13,21). Grosheide denkt aan 'herstel van geschonden relatie'. Maar Andriessen-Lenglet (a.w. p.253-4) menen dat dit ingaat tegen de duidelijke zin van de tekst. Zij achten aannemelijk dat gedacht moet worden aan bevrijding uit gevangenschap.
In dat geval zou 'het goed geweten' in verband gebracht kunnen worden met tegen de schrijver ingebrachte beschuldigingen tijdens zijn proces, vers 18.

Prof. D. Holwerda, die ik over een en ander mocht raadplegen, schreef mij (en gaf mij verlof hiervan in dit artikel gebruik te maken), dat ook hij geneigd is de verzen 18 en 19 te betrekken op het proces dat tegen de schrijver is aangespannen en waardoor hij nu vast zit. Hij betuigt hier niets op zijn geweten te hebben en daarom durft hij ook zo vrijmoedig aan te dringen op voorbede voor zijn spoedige vrijlating.

Wat ligt nu meer voor de hand dan dat in vers 23 van déze vrijlating sprake is: in vers 19 moet er nog voor gebeden worden en in vers 23 is de vrijlating al een feit geworden! Er moge dan wel enige tijd verlopen zijn tussen het neerschrijven van vers 19 en de vermelding in vers 23... maar toch: wat een spoedige gebedsverhoring!

En over wiens bevrijding gaat het nu, in beide gevallen?
Over Timotheus' bevrijding! Kan het bijna anders? Aan het einde van zijn grote brief, ter afsluiting van zijn homilie, vraagt hij te bidden voor zijn vrijlating, en in het geleidebrief je bij de grote brief kan al melding gemaakt worden van de bevrijding van 'onze broeder Timotheus'.

Maar we zijn er nog niet helemaal. Er moet nog een 'hobbel' genomen worden, nl. het 22e vers! "Ik spoor u aan, broeders, houdt mij dit woord van vermaning ten goede, want ik schrijf u maar kort".
In onze correspondentie over dit vers gaf prof. Holwerda toe hier op moeilijkheden te stuiten. Hij wil daarom liever het geleidebrief je laten beginnen met vers 23. Zoals we vers 22 nu lezen kan het eigenlijk slechts van de schrijver van de homilie zijn, al wordt dan de overgang van vers 22 naar vers 23 wel erg abrupt, zo geeft Holwerda zelf toe.
Het aangevoerde bezwaar, dat de schrijver zijn toch uitvoerige brief 'kort' zou noemen, spreekt hem niet toe. 'Kort' is immers een relatief begrip.
Een preek valt ons lang als de prediker ons weinig te zeggen heeft, maar lijkt ons kort als de man ons veel te zeggen heeft. Prof. Jos Keuiers verwijst in zijn commentaar (1954, p.401) naar Hebr.9:5 en 11:32, waar de schrijver zich bewust moet beperken.
Met de meesten wil daarom ook Holwerda vers 22 bij de homilie betrekken, in plaats met dit vers het geleidebriefje te laten beginnen.

Laat ik echter een poging mogen wagen de verzen 22 en 23 enigszins voor u te parafraseren. Het is dan de schrijver van het geleidebrief je (ev. Paulus), die schrijft: "Ik spoor u aan, broeders, het opwekkende en vermanende woord van onze broeder Timotheus ter harte te nemen, en dat te meer omdat ik u nu maar kort schrijf. Ik behoef immers aan dit woord van onze broeder niets toe te voegen. Bovendien hoop ik binnenkort samen met Timotheus, die inmiddels is vrijgelaten, u te kunnen bezoeken. Voorlopig kan ik u de ernstige overweging van alles wat Timotheus u te zeggen heeft sterk aanbevelen."
Op deze wijze gelezen bevat de tweede helft van vers 22 een motivering voor de eerste helft en kan het 'vermanende woord' op de homilie slaan en 'kort' op het geleidebrief je.
Vanwege het belang van de weergegeven homilie kan het geleidebrief je kort gehouden worden en vanwege die kortheid wordt vooral alle aandacht voor de homilie gevraagd.

Na de afronding van dit onderzoek kwam ik een artikel op het spoor van John D. Legg: 'Our Brother Timothy', A suggested solution to the Problem of the Authorship of the Epistie to the Hebrews (Evangelical Quarterly XLl4, 1968, p.220-223). Tot mijn grote verrassing volgde de schrijver dezelfde weg en kwam tot hetzelfde voorstel als ondergetekende.

Timotheus dus de schrijver van 'Hebreeën'?
Het vraagteken blijft nog wel staan ...
hoewel het voor mijn gevoel wel gaat verbleken, als we tenslotte nog het volgende overwegen: Wanneer we tot enige zekerheid zullen mogen komen aangaande de auteur van 'Hebreeën', dan zullen we niet moeten komen aandragen met de zoveelste naam van buiten dit bijbelboek, maar zal de naam van de schrijver op enigerlei wijze binnen het geïnspireerde bijbelboek zélf gevonden moeten worden. Alleen dat kan ons vastheid geven.
In de eerder genoemde correspondentie met prof. Holwerda schreef hij mij: "Uw vermoeden lijkt mij zeker de moeite waard ter overweging aan anderen te worden voorgelegd". Hetgeen dan, niet zonder enige aarzeling, bij dezen geschiedt.
Ten overvloede zij er nog op gewezen, dat het aan het ev. auteurschap van Timotheus niet af- of toedoet, of het geleidebrief je begint met vers 22 of met vers 23 en al evenmin of dit korte briefje van Paulus afkomstig is, of van een ander.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief