Jezus over de Farizeeën en schriftgeleerden (3)

1991-12-20
  • Jaargang 35
  • nummer 26
Verschil in gewicht
De kritiek van Jezus op de Farizeeën en schriftgeleerden is dus heel ingrijpend en verstrekkend. Daar sluit ook Matth. 23:23 v. op aan. Daar verwijt Jezus hen, dat ze verschrikkelijk pietepeuterig zijn in de kleinste dingen, maar dat ze het gewichtigste van de wet verwaarlozen.
Alle geboden zijn niet van hetzelfde gewicht. Voor velen ligt dat anders. Zij zeggen: een gebod van God is een gebod van God. Of je nu het ene gebod van God overtreedt of het andere, maakt geen verschil. Het is allemaal even erg. Want je trekt je niets van God aan op het moment waarop je het gebod overtreedt.
Jezus gaat daar niet in mee. Alle geboden van God zijn niet even belangrijk, zegt Hij. Ze zijn niet allemaal van hetzelfde kaliber. Er is wel degelijk verschil in gewicht. Jezus geeft daar een illustratie van in Matth. 12:1-8.
David en zijn mannen aten van de toonbroden. Dat was zonder meer in strijd met het voorschrift dat de HERE gegeven had en waarin Hij bepaald had, dat ze uitsluitend door de priesters gegeten mochten worden. Maar er zijn omstandigheden, zegt Jezus, waarin je moet zeggen: nu is barmhartigheid belangrijker dan de stipte naleving van een bepaald gebod. Wat het zwaarst is, moet ook het zwaarst wegen.
In zijn kritiek op de schriftgeleerden en Farizeeën signaleert Jezus bij hen het ontbreken van die barmhartigheid, evenals van het oordeel en de trouw.

Onderscheiden
Met 'oordeel' wordt hier bedoeld: het kunnen onderscheiden waarop het aan komt (vgl. Fil. 1:9,10), het schiften van wat wel en niet wezenlijk is. Dat vermogen ontbrak bij de Farizeeën. Jezus had daar al een voorbeeld van gegeven in Matth. 23:16 V.V., waar Hij het verschil dat de Farizeeën maakten tussen eedsformules waaraan men wel en waaraan men niet gebonden was, op de korrel neemt en daar niets van heel laat. Daaruit bleek hun onvermogen om goed te onderscheiden.
Maar dat onvermogen wordt vooral heel kwalijk, als mensen er de dupe van worden. Als Jezus b.v. iemand op sabbat geneest, loven ze God niet, maar dan vallen ze Jezus aan wegens het overtreden van een gebod en gooien ze de genezen man uit de synagoge (Joh. 9).
Wie regels en wetten belangrijker vindt dan mensen, ontbreekt het aan onderscheidingsvermogen. En het gaat ook ten koste van de barmhartigheid.
Barmhartigheid kan niet gedijen waar regels een onverbiddelijke prioriteit genieten.
De Leviet en de priester uit de gelijkenis (Luc. 10:25 v.v.), die voorbijlopen aan de man die voor dood aan de kant van de weg lag, hadden er wel een motief voor om zich niet met hem in te laten. Het was zelfs een vroom motief.
In de mozaïsche wetten stond dat priesters niet in aanraking mochten komen met doden (Lev. 21:1). Doordat die wet absolute prioriteit bij hen had, lieten ze die man aan zijn lot over en werd de barmhartigheid bij hen verstikt.
Door hun fixatie op wetten en regels raakte bij hen ook de trouw in de verdrukking.
Trouw heeft te maken met onderlinge verhoudingen, met het op elkaar betrokken zijn als mensen die delen in Gods verbond en tot zijn volk behoren. Ook dat speelt ineens geen rol meer als er regeltjes op het spel staan. Dan laat men terwille van de regel de ander zomaar vallen. Jezus wijst daar op als Hij een vrouw heeft genezen op de sabbat. Ze is een dochter van Abraham, zegt Hij (Luc. 13:16).
De betrokkenheid op haar moet toch veel groter zijn dan die op een sabbatswet.

Verwringing
De fixatie op wetten en regels leidde ook tot een verwringing van het zondebesef.
Volgens de leer van de Farizeeën was je een zondaar als je de potten en pannen en je handen niet waste vóór de maaltijd (Marc. 7:2-5), als je het huis van een niet-Jood binnenging en als je op de sabbat twee stappen teveel deed. Door dat alles kreeg hun spreken over zonde een heel ander karakter dan in het Oude Testament. Het verzandde in wetticisme en fanatisme. En waar dat het geval is, onderscheidt men ook niet meer waar het op aan komt. Daar ziet men ook de mens niet meer. Men constateert schendingen van de wet, van de tradities en van de regels en dat gaat alles domineren. Men maakt zich alleen druk om wat er gedaan is, niet om wie het gedaan heeft. Men ziet de dader niet meer als een broeder, een naaste, maar als een stuk vuil waar je je neus voor dichtknijpt. Daar vallen woorden als tuig. Geen wonder dat de tollenaars en hoeren hard bij de Farizeeën wegliepen.
Bij Jezus is dat anders (Luc. 15:1). Hij sprak ook wel over zonde, maar niet op een wettische manier. Hij noemde de zonde wel bij de naam, maar dat deed Hij niet meedogenloos. In zijn liefde zoekt Hij de mèns die zondigt.
Als de joodse leiders bij Hem komen met een verloofd meisje dat op overspel betrapt is (joh. 8:3 v.v.), keert Hij zich niet vol walging van haar af. Hij gaat niet aan de kant van de Farizeeën en schriftgeleerden staan, die in haar / alleen maar een verachtelijk en
verwerpelijk creatuur zagen. Hij maakt hun duidelijk, dat ook zij met hun naar buiten toe zo keurige en onberispelijke leven schuldig staan en alleen maar kunnen leven van vergeving. En dan zegt Hij tot het meisje: Ik veroordeel je niet. Watje gedaan hebt was zonde. Dat wel. Maar ga heen, zondig niet weer.

In de ruimte
Die laatste woorden zijn geen harde eis. Zo lezen we het wel vaak. Dan zien we Jezus daar staan, toch wel een beetje gereserveerd en op een afstand. En we horen Hem streng zeggen: voor deze keer zal Ik het nog door de vingers zien, maar laat het niet nog eens gebeuren, want dan kom je er niet zonder kleerscheuren af.
Maar zo lezen we het verkeerd. Hier is geen sprake van door de vingers zien, maar van vergeving. En dat is iets heel anders. Vergeven is niet hetzelfde als je ogen even dichtknijpen en doen alsof er niets gebeurd is. Bij vergeving verdoezel je niets, bagatelliseer je niets en wordt er niets over het hoofd gezien. Maar wie iets door de vingers ziet, tilt er niet zo zwaar aan. Hij neemt het eigenlijk niet serieus.
God en Christus hebben er wel zwaar aan getild. Christus heeft zo zwaar aan onze zonden getild, dat Hij ervoor aan het kruis gegaan is. Als God onze schulden door de vingers gezien had, was Christus' dood niet nodig geweest.
Juist omdat ze zo serieus genomen zijn, konden ze niet door de vingers gezien worden en moesten ze echt vergeven worden.
Dat gebeurt ook bij dat overspelige meisje. Als Jezus zegt: Ik veroordeel je niet, dan bagatelliseert Hij niet wat ze gedaan heeft, maar dan stelt Hij haar in de vrijheid, in de ruimte. Hij neemt haar reële schuld van haar af.
Dat is vergeving. En als Hij dan zegt: zondig niet weer, dan is dat geen harde onverbiddelijke eis, maar dan betekent dat: Ik heb je in de ruimte gezet; je mag nu leven in het klimaat van de vergeving; loop daar nu niet weer uit vandaan de barre woestijn van de zonde weer in.
Het gaat Christus om haar. Hij stelt geen eisen en voorwaarden, maar geeft haar zomaar, onverdiend, het leven. En als Hij het gedaan heeft, bindt Hij haar op het hart: zorg er nu voor dat je dit leven niet weer kwijtraakt.

Poster
Jezus' optreden is dus radicaal anders dan dat van de Farizeeën en schriftgeleerden.
Wat Hij hun verwijt, is heel de kerkgeschiedenis door een manco gebleven. Telkens weer werden mensen, kinderen van Abraham, de dupe van kerkelijke instanties en van ambtsdragers die de wetten en regels boven alles stelden, waardoor wat Jezus het belangrijkste noemde, niet meer aan bod kon komen.
Er is niets tegen regels als zodanig.
Jezus heeft er geen problemen mee dat ze er zijn. Als de Farizeeën de munt en de dille en de komijn willen vertienen, mogen ze dat best doen.
Waarom niet? Maar wanneer zo'n regel - en dat geldt zelfs voor geboden van God zelf, die niet tot het zwaarste van de wet behoren - meer gewicht gaat krijgen dan mensen, is er iets fundamenteel mis gegaan.
Onderscheidingsvermogen, barmhartigheid en trouw, daarop komt het aan. Die woorden van Jezus zouden op een grote poster in alle kerkelijke vergaderzalen moeten hangen en bij ieder van ons thuis. Want deze woorden zijn wezenlijk voor onze omgang met elkaar.

Onrein
In de confrontatie met God is de mens fundamenteel onrein, melaats. De bijbel laat dat bij wijze van spreken op elke bladzij zien. Wat het Oude Testament betreft valt daarbij uiteraard in de eerste plaats te denken aan de offerdienst, de dienst der verzoening.
Maar er was meer. Er waren ook reinheidswetten die eveneens duidelijk maakten dat de mens met zijn leven van alledag niet zomaar de confrontatie met God kan doorstaan. En wanneer Israël zijn God zal ontmoeten op de Sinaï, moet het zich eerst heiligen en de kleren wassen. Dat gold ook voor de priesters. Die moesten bij hun wijding gewassen worden (Ex. 29:4; 40:12; Lev. 8:6). En de Levieten moesten bij hun wijding hun kleren wassen (Num. 8:7,21). En elke keer als de priesters dienst moesten doen bij het altaar en in de tabernakel, moesten ze eerst hun handen en voeten wassen, opdat ze niet stierven (Ex. 30:19-21).
Al die wassingen hadden de bedoeling er bij het volk in te prenten, dat de mens onrein is en dat hij als zodaniq niet zonder meer tot God kan naderen.
Wanneer een mens zoals hij is, oog in oog komt te staan met de heilige God, betekent dat zijn dood. Als Jesaja de HERE ziet zitten op zijn troon, kan hij alleen maar zeggen: wee mij. ik ben verloren, want ik ben een man onrein van lippen (Jes. 6:5).
Om God te kunnen ontmoeten en gemeenschap met Hem te kunnen hebben, moet er iets met de mens gebeuren.
Hij moet eerst gereinigd worden.
Dat lieten al die wassingen zien. Dat was hun boodschap.

Graadmeters
Nu was door de rabbijnen het aantal wassingen in vergelijking met het Oude Testament enorm uitgebreid.
Een aantal van die uitbreidingen wordt genoemd in Marc. 7:3,4. Voor het eten moesten de handen ritueel afgespoeld worden. Wie van de markt kwam, moest zich helemaal wassen voor hij ging eten. Ook allerlei bekers, kannen, koperwerk en schotels moesten ritueel gewassen worden. Die voorschriften golden voor iedereen.
Maar deze wassingen hadden een ander karakter dan die in het Oude Testament. In het Oude Testament waren ze nodig in verband met een ontmoeting met God, op de Sinaï of in de tabernakel of tempel. Maar de rabbijnse wassingen stonden daar helemaal los van. Die hadden niets te maken met een ontmoeting met God. En daardoor vertekenden ze ongewild de boodschap die God in het Oude Testament wilde doorgeven.
Dat is altijd het risico van door mensen gemaakte regels. Wanneer ze gemaakt worden, gebeurt dat met de beste bedoelingen. Men leidt ze af van regels en voorschriften die God zelf gegeven heeft en wil die voorschriften van God er zelfs door ondersteunen.
Maar toch verleggen ze maar al te gemakkelijk het accent.
Bovendien gaan ze al gauw een eigen leven leiden. Dan beginnen ze steeds meer gewicht te krijgen en soms zelfs het Woord van God te overvleugelen.
Dan krijgen ze de functie van graadmeters van het geloof. Mensen die zich er niet aan houden, worden scheef aangekeken en krijgen het etiket opgeplakt van half-bakken gelovigen.
Zo was het ook gegaan met de rabbijnse voorschriften omtrent wassingen.

Aan de laars lappen
Jezus en zijn discipelen zijn herhaaldelijk door de Farizeeën aangevallen vanwege het feit dat ze zich niet hielden aan de regels voor rituele wassingen.
Jezus heeft menselijke tradities die Gods Woord niet in de weg stonden, nooit bestreden. Hij hield zichzelf ook aan dergelijke regels. Zo placht Hij elke sabbat naar de synagoge te gaan. Dat was geen voorschrift van God. Nergens in het Oude Testament worden synagoge-samenkomsten voorgeschreven. Er was daarbij sprake van een menselijke inzetting.
Maar het was een inzetting die het Woord van God op geen enkele manier in de weg stond, maar het bezig zijn met Gods Woord juist bevorderde.
Daarom hield Jezus zich eraan. Zo is ook twee keer naar de kerk gaan op zondag geen goddelijk gebod. Een dergelijk gebod is nergens te vinden.
Maar het is wel een goede gewoonte die het Woord van God niet in de weg staat, maar het bezig zijn met Gods Woord juist bevordert.
Met dergelijke gewoonten en tradities had Jezus geen enkel probleem. Maar het lag anders met tradities die over het Woord van God heengroeiden en de aandacht van Gods Woord aftrokken. En dat was het geval met de rabbijnse voorschriften omtrent wassingen.
Dat blijkt uit de manier waarop Jezus reageert op de kritische vragen van de Farizeeën. De discipelen van Jezus hielden zich niet aan die regels (Matth. 15:2),althans sommigen van hen deden dat niet (Marc. 7:2). Jezus zelf deed het ook niet (Luc. 11:38).En wanneer Hij daarop aangevallen wordt, verwijt Hij de Farizeeën en schriftgeleerden dat ze menselijke inzettingen belangrijker vinden dan het gebod van God en dat ze de verhouding tussen Gods gebod en menselijke inzettingen helemaal op de kop gezet hebben. Als het zover gekomen is, wordt het hoog tijd daar de aandacht op te vestigen door die menselijke in:iettingen gewoon aan de laars te lappen. En dat is precies wat Jezus en zijn discipelen doen. Ze lappen de regel van de rituele handwassing gewoon aan hun laars.

Schokkend
Als wij erbij geweest waren, zouden wij. denk ik, wel wat moeite gehad hebben met het optreden van Jezus.
Wij zouden gezegd hebben: was het nu werkelijk nodig om zo provocerend op te treden? Laat het waar zijn dat het geen goddelijk gebod is dat je vóór het eten water over je handen moet gieten, maar je doet er toch ook geen zonde mee? Wat is daar nu verkeerd aan? En als er mensen zijn die er zoveel belang aan hechten, waarom doet U het dan niet terwille van hen en van de lieve vrede? Zo'n futiliteit is het toch niet waard om er herrie over te krijgen?
Zo zouden wij gereageerd hebben.
Want ook vandaag is dat nog de gangbare redenering in de kerkelijke wereld.
Van mensen die moeite hebben met kerkelijke tradities en regels, vragen we aanpassing. En als ze dat niet doen en de regels aan hun laars lappen, nemen we het hun kwalijk en tellen we hen niet meer voor vol mee.
Ik vind het een schokkende gedachte dat ook wij het optreden van Jezus afgekeurd zouden hebben.
Misschien zegt iemand: dat is niet waar, want bij ons is het Woord van God belangrijker dan tradities en kerkelijke regels. Maar ik ben daar nog niet zo zeker van. Mensen van buiten de kerk die tot geloof komen, hebben geen moeite met duidelijke voorschriften uit Gods Woord. Daar willen ze zich graag aan houden. Ze hebben wel vaak moeite met allerlei kerkelijke en menselijke regels en tradities die onder ons gelden. Toch laten we hen daarin niet vrij. Kun je dan nog zeggen dat Gods Woord bij ons belangrijker is dan menselijke regels?

Korban
Bij de Farizeeën en schriftgeleerden werden de menselijke regels belangrijker en gewichtiger dan het Woord van God. Jezus geeft daar in Matth. 15:3-6 en Marc. 7:8-13 een concreet voorbeeld van. Er was een rabbijns voorschrift dat zei: als iemand tot zijn ouders zegt "het geld waarmee ik u zou kunnen steunen, is korban, een offergave (voor God)", dan kan hij daar nooit meer vanaf en zijn ouders nooit meer financieel steunen.
Wat hield deze regel in? De eerste indruk is dat deze regel het mogelijk maakt om geld waarmee iemand zijn ouders zou moeten steunen, tot een offergave voor de tempel te bestemmen.
Als je eenmaal die gelofte gedaan had en dat aan je ouders kenbaar gemaakt had, kon je daarna, als je ouders financiële ondersteuning nodig hadden, hen niet meer helpen.
Want je had dat geld immers voor de HERE bestemd. En een gelofte aan de HERE moet je houden, De HERE gaat voor je ouders.
Als het zo lag, was het al erg genoeg.
Een directe opdracht van de HERE om je ouders te eren aan de kant schuiven door een oprisping van vrome vr.ijgevigheid is al erg genoeg. Maar in werkelijkheid was het nog veel erger.
De formule 'het is korban' was in het gebruik namelijk helemaal uitgehold en werd niet meer in letterlijke betekenis genomen. Dat was een formule geworden waarmee je iets aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrok.
Zo kon je bijv. een korban-gelofte afleggen met betrekking tot bepaalde etenswaren of wijn. Dan onthield men zich voor de in de gelofte vastgelegde periode van die etenswaren of wijn.
Maar er was geen sprake van dat die etenswaren of die wijn of de geldswaarde ervan aan de tempel geschonken werden. Dat was helemaal de bedoeling niet.
Je kon de formule ook gebruiken als je iemand ergens van wilde uitsluiten.
Als je een hekel had aan een van je erfgenamen, kon je zeggen: korban wat je van mij zou kunnen trekken.
Daarmee had je hem dan onterfd.
Maar er was geen sprake van dat je dat deel van de erfenis nu aan de tempel schonk. Je zei wel 'korban, offergave', maar het had niets met een gave aan God te maken.
Zo kon ook een zoon tot zijn ouders zeggen: korban alles waarmee ik u zou kunnen helpen. Dat betekende: u krijgt geen cent meer van me en ik zal u ook niet meer op andere manieren daadwerkelijk helpen, bij de oogst of bij ziekte bijv. Met andere woorden: een zoon trok door de korban-formule te gebruiken zijn handen volledig van zijn ouders af. En dat deed hij niet om zo een flink offer aan de tempel te kunnen geven. Dat zou al erg genoeg geweest zijn. Het was alleen maar een manier om van al zijn verplichtingen jegens zijn ouders af te komen.
Jezus zegt dus niets teveel als Hij de Farizeeën verwijt, dat ze door hun menselijke inzettingen het gebod om vader en moeder te eren buiten werking stellen en krachteloos maken.

Roof en hebzucht
Nu kunnen we ook begrijpen waarom Jezus zegt: jullie reinigen wel de buitenkant van beker en schotel, maar van binnen zijn ze vol roof en onmatige hebzucht (Matth. 23:25). Een dergelijke korban-gelofte werd in feite ingegeven door hebzucht en was regelrechte roof. Jullie zijn uitermate stipt in het naleven van reinigingswetten, zegt Jezus. Jullie lijken er diep van doordrongen te zijn, dat een mens met heel zijn hebben en houden gereinigd moet worden om voor God te kunnen bestaan. Maar in werkelijkheid hebben jullie er geen idee van wat jullie onreinheid ten diepste is. Die onreinheid (roof, hebzucht) die diep in jullie zetelt, laten jullie onaangetast. Van echte reinheid is pas sprake als jullie de onreinheid binnenin jullie aanpakken.
Datzelfde maakt Jezus duidelijk met het beeld van de gewitte graven (Matth. 23:27,28). Graven werden wit gemaakt om te voorkomen dat mensen, en met name priesters, er ongewild overheen zouden lopen en zo onrein zouden worden.
Ook daarin zijn ze dus weer angstvallig precies met het oog op rituele reinheid.
Maar omdat ze de onreinheid binnenin zich ongemoeid laten, haalt die angstvalligheid niets uit. Van buiten lijken ze mooi wit en rein. Maar van binnen zijn ze vol huichelarij en wetsverachting. Ook hier heeft huichelarij niet de betekenis van het zich opzettelijk mooier voordoen dan ze zijn - want dat was bij hen het geval niet - maar is het woord synoniem met wetsverachting, wetteloosheid.
Dat was kenmerkend voor hen. In de ogen van de mensen waren ze rechtvaardig.
Zelf waren ze er ook van overtuigd dat ze dat waren (Luc. 18:9).
Jezus ontmaskert dat als een illusie.
Hij onthult wat ze ten diepste zijn: hebzuchtige rovers, wetsverachters.

Grote schoonmaak
Mensen kunnen heel vroom zijn en prachtige ontroerende gebeden uitspreken aan tafel, zodat je denkt: het zit wel goed daar!, terwijl ze het eten dat voor hen op tafel staat te danken hebben aan hun hebzucht, aan het zweet van hun arbeiders die onderbetaald worden, aan oneerlijke transacties en aan een onmenselijke manier van zaken doen. Er zijn christenen die pal staan voor de rechte leer en die bekend staan als eikebomen der gerechtigheid, maar die de knip op hun portemonnaie houden, die niets of maar een schijntje willen afschuiven om te helpen en nood te lenigen en die hun geld alleen maar voor zichzelf gebruiken. Witgepleisterde graven noemt Jezus zulke mensen.
De vraag is: hoe ziet het er van binnen bij je uit. Want daar is de bron van het kwaad, van de onreinheid (Marc. 7:21).
Al het oppoetsen van de buitenkant is waardeloos, als er van binnen geen orde op zaken wordt gesteld. Jezus was geen horizontalistische humanist die in de goedheid van de mens geloofde.
De bron van het kwaad zit in het hart van de mens, zegt Hij. De mens is fundamenteel onrein in de confrontatie met God. Het kwaad komt niet van buiten af naar de mens toe, maar vindt zijn oorsprong in de mens zelf, in zijn hart. Daar heeft het zijn wortels. Daarom kan het ook alleen maar dáár effectief bestreden worden, niet alleen door de vergeving maar ook door de vernieuwing van ons hart.
En de enige die daar werkelijk grote schoonmaak kan houden, is de Geest van God, die Christus geven wil aan allen die Hem liefhebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief