De Bijbel in de verschillende wetenschappen
1990-01-19
1. Aspecten van de Bijbel- Jaargang 34
- nummer 2
Uit de jaren dertig herinner ik mij een discussie in de kerkbode over de vraag of men een versleten huisbijbel wel in de vuilnisbak mocht gooien. Iemand stelde dat zoiets een oneerbieding omgaan met Gods Woord zou zijn. Dat ging anderen te ver. Zij meenden dat de Bijbel als boek toch ook maar een bundel papier met drukinkt was. Nee, was het weerwoord: de Bijbel is geen gewoon boek, maar is Gods heilig Woord. Daar moet je eerbiedig mee omgaan. Wie had er nu gelijk? De man van de praktische intuïtie gooide de versleten Bijbel bij de vuilnis, maar het zat hem toch niet lekker. Hij had immers geen weerwoord tegenover zijn vrome tegenstander.
Hoe konden deze discussianten beide geholpen worden?
Want ze hadden naar mijn overtuiging beide gelijk, zij het geen van beide voor 100%. Hier ligt een theoretisch probleem.
Voor de theoretische oplossing van dit probleempje hebben we de hulp nodig van de aspectentheorie van de reformatorische wijsbegeerte. In deze artikelen heb ik de ruimte niet om dat uitvoerig geargumenteerd uit de doeken te doen. Daarom nu slechts heel kort een resultaat van . de filosofische analyse.
De mens fungeert, net als alle andere schepselen, in het geloofsaspect van de geschapen werkelijkheid, en wel primair als subject. De mens gelooft altijd iets, hij kan niet niet-geloven. Ook wat wij gewoonlijk ongeloof of atheïsme noemen is structureel gezien wel degelijk 'geloof', zij het dan negatief gericht en gevuld. Voor de ware God en Zijn openbaring stelt de mens dan iets of iemand anders in de plaats, bijv. de rede, de natuur, bezit, de staat, de wetenschap, de kunst, de sport, enz. enz.
De Bijbel, zoals die concreet hier op de tafel ligt, is een stukje aardse werkelijkheid dat ook in alle aspecten fungeert, ook in het geloofsaspect.
En wel als object. Daarom is de Bijbel, filosofisch uitgedrukt, gekwalificeerd als openbarings- en geloofsobject.
Zelfs een volslagen ongelovige zal in antwoord op de vraag wat de Bijbel voor een boek is, zeggen: "dat is een godsdienstig boek (waar ik persoonlijk niet in geloof)". Wijsgerig gezegd spreken wij dan van 'geloofsobject' .
Dáárin schuilt het gelijk van de bovenbedoelde eerste gesprekspartner.
Hij geeft de Bijbel een geloofsnaam, zoals een ongelovige dat ook doet als hij zegt: een godsdienstboek.
Maar zijn ongelijk is, dat deze concrete Bijbel hier voor mij. nog véél meer is dan dit belangrijkste. De Bijbel mag dan wel gedefinieerd worden als een geloofsboek, en als een openbaringsboek, maar daarmee is lang niet àlles gezegd.
Behalve een geloofs-object is de Bijbel ook een boek dat in tal van andere menselijke activiteiten als object fungeert. Men kan bijv. 'belangrijke delen van de Bijbel literair genieten. Dat was hetgeen destijds Dr. B. Wielenga bedoelde te tonen met zijn boek 'De Bijbel als boek van ·schoonheid'. Men kan voorts de Bijbel ook zien en behandelen als een economisch object, zoals o.a. de drukker en de boekhandelaar doen, alsook die tweede gesprekspartner die zijn versleten huisbijbel als economisch-waardeloos weggooide.
Zelfs als ruimtelijk object was die Bijbel hem te veel. Ook. kan de Bijbel een juridisch object zijn: dit is mijn exemplaar, mijn eigendom, waarop niemand anders recht heeft en dat niemand mag stelen. Dat de Bijbel vervolgens ook een moreel object kan zijn, ervaar ik zelf, omdat ik nog altijd 'gehecht' ben aan mijn oude versleten zakbijbel in Statenvertaling, omdat ik hem van mijn ouders kreeg toen ik belijdenis deed. Alleen dáárom doe ik hem nog niet weg ...
bij tiet oud papier. En zo zou ik nog even door kunnen gaan met het signaleren van allerlei aspecten aan de Bijbel-als-object.
In het eerder genoemde boek van Ouweneel 'Woord en wetenschap' is een nog veel gedetailleerder toepassing gegeven van de modaliteiten- of aspectenleer op de Bijbel, en wel vooral in hst. 5 'De Bijbel in de wetenschap'.
M.j. zeer nuttige lectuur voor theologen - ook al heb ik hier en daar nog wel wat filosofische detailkritiek. In de grote lijn gezien geeft Ouweneel een waardevolle analyse van allerlei moderne, en vooral ook traditionele en fundamentalistische ontsporingen. in de orthodoxe theologie. Ook is te merken dat hijzelf uit die traditie komt, hetgeen soms nog wel eens wat nawerkt.
Anderzijds mag het al een gelukkige uitzondering heten, wanneer een traditioneel-orthodoxe theoloog de ogen open gaan voor het wijsgerig gehalte in alle, ook in onze 'eyangelische' of 'reformatorische' theologie, en daarover dan met grote bekwaamheid te kunnen schrijven.
Maar dit terzijde.
2. Het logisch-analytisch aspect van de bijbel
Een heel belangrijk aspect van de werkelijkheid is het zgn. 'logischanalytische', ook het kennis-aspect genoemd. Zoals alle werkelijkheid fungeert ook de Bijbel in dat werkelijkheidsaspect, en wel als object.
Simpel gezegd: we kunnen niets zinnigs over de Bijbel zeggen, noch er iets mee doen, zelfs niet er in geloven, als we niet 'eerst' de Bijbel gewoon weten te onderscheiden van alles wat niet de Bijbel is, zoals bv. een bloknoot of een telefoonboek.
De Bijbelinhoud is nu eenmaal, zoals alle andere zaken in onze werkelijkheid, o.a. een logisch kennis-object. Op ztchzelt is dat een öninteressante waarheid-als-eenkoe.
Maar boeiend en vol problemen wordt het, wanneer we ons realiseren dat wetenschap en typisch wetenschappelijke, theoretische kennis, alles te maken hebben met de zgn. niet- of voor-wetenschappelijke kennis. Evenwel, ondanks de nauwe verwantschap tussen die beide (nl. beide een kennis-fenomeen, een 'cognitief verschijnsel'), is toch de wetenschappelijke kennis van een andere structuur dan de praktische kennis. Zij impliceert een andere denk-houding en zij is, zoals we dat in de filosofie uitdrukken: een verdieping, een systematisering, en vooral een filtering en reducering van de volle, concrete, zgn. 'naïeve' kennis.
Laatstgenoemde is de gewone praktische kennis, die een min of meer geslaagd resultaat is van het onderscheidingsvermogen dat ieder normaal mens heeft (nl. de logischanalytische functie). In alles wat de mens bewust doet of laat, gebruikt hij dit vermogen. Ook in ons geloven fungeert deze kennis. Dat is niet het een en het al, niet het voornaamste, maar toch wel een basis-functie, een fundamentele deel-structuur van ons geloofsleven. Niet het geloven als zodanig maar het inhoudelijke kennis-element dat er in zit, wordt eventueel door een wetenschappelijke (theologische) bewerking er uit gelicht, verdiept, verbreed, geordend, gestyleerd, enz.
Dit nu kan ook gebeuren met onze geloofs-kennis van de Bijbel. En niet alleen onze praktische geloofskennis kan zo door 'theologie' bewerkt worden, de Bijbel zelf kan zo ook object worden, precieser gezegd 'onderzoeksveld', voor de theologie en voor allerlei andere wetenschappen, zoals archeologie, biolcgie, godsdienstgeschiedenis, moraalgeschiedenis, rechtswetenschap, geschiedenis- en cultuurwetenschap, taalwetenschappen, enz. in verband met het voorgaande beperk ik mij nu tot de Bijbel als veld van onderzoek voor de theologie.
3. Naam en inhoud van de theologie
Vanuit onze traditie is het vanzelfsprekend dat de Bijbel een groot en zeer belangrijk onderdeel is van het arbeidsveld van de theologie. Vandaar dat o.a. Ouweneel liever niet spreekt van 'theologie', maar eerder van 'bijbelwetenschap' . Inderdaad, ook al lijkt mij dit nog een te smalle visie, het is al een hele verbetering vergeleken' met de terrl1en 'theologie' of 'heilige godgeleerdheid'. Die woorden komen nl. regelrecht uit de heidense godstheorieën van de rationalistische Griekse filosofen, vooral van Aristoteles. Dat is bepaald niet maar een puurterminologische kwestie, maar dit moet nu terwille van de ruimte die mij nog rest, blijven rusten.
Zelf spreek ik liever van godsdienstwetenschap, of, zoals sommige geestverwante filosofen doen, van 'pistologie', omdat het.Griekse woord voor geloof 'pistis' is. Tegenwoordig moet ik hier één opmerking bij maken. Want in de laatstepaar jaar kan men aan de Nederlandse universiteiten ook pleldooien horen voor vervanging van het woord theo logie door godsdienstwetenschap.
Uitdrukkelijk moet ik mij distantiëren van de argumentatie daarvoor, nl. dat theologie niet echt een wetenschap is, maar meer een geloofskwestie, terwijl godsdienstwetenschap 'zuiver-wetenschappelijk' bedoelt te zijn. Deze argumentatie komt uit een achterhaald rationalisme voort, met negatie van de recente, en m.i. juiste trend om de structurele 'mythe-gebondenheid' (wij zouden zeggen: 'religieuze bepaaldheid') van élke echte wetenschap te honoreren.
Wat nu de inhoud van de theologie betreft: zij is een complex van heel versc,hillende 'vakken'. Om slechts de belangrijkste te noemen: exegese, dogmatiek, ethiek, kerkrecht, symboliek (d.w.z. de leer inzake belijdenisgeschriften), kerkgeschiedenis, en nog meer, plus nog zgn.
'hulpwetenschappen'. In al die vakken'speelt bijbelonderzoek een rol, uiteraard het meest in exegese en dogmatiek. Laatstgenoemde heeft uiteraard een apart hoofdstuk over de Bijbel. Dat deel heet vanouds 'de leer omtrent de H. Schrift', latij n: locus de sacra scriptura. Vanwege de meerzinnigheid van de term 'leer' in ons spraakgebruik, spreek ik liever over 'bijbeltheorie' , theorie over de Bijbel dus. Eén onderdeel van dit hoofdstuk is de inspiratie-theorie.
Opzetfelijk kies ik deze term, om met het woord 'theorie' een extra accent te geven aan het verschil tussen onze belijdenis dat de Bijbel het door de Heilige Geest geïnspireerde Woord van God is, én de theotoqische, theoretiserende verwerking van deze geloofskennis. De Bijbelse term 'leer' is voor deze geloofsbelijdenis ook heel goed te gebruiken, maar dan ook echt alleen voor onze praktische (levensbeschouwelijke) schriftbeschouwing, voor onze geloofs-leer of geloofs-belijdenis aangaande de Schrift, en niet voor onze theologische bijbeltheoriën. De term 'theologische leer' is in onze tijd nog steeds uiterst dubbelzinnig: zij kan bijbels én zij kan theologisch (d.w.z. theoretisch) bedoeld zijn. Een groot verschil, nl. goddelijk of menselijk!
4. lnspiratie en inspiratie-theorie
Het praktische nu van de zojuist genoemde accentuering ligt o.a. hierin, dat we er dan gemakkelijker op bedacht kunnen zijn om niet in de zeer veel, voorkomende fout te vervallen dat we onze theologische theoriën, bijv. over de goddelijke inspiratie van de Schrift, verwarren met wat de Bijbel zelf zegt over zijn geïnspireerd zijn. Want met alle recht-gelovige christenen belijden we dit laatste, en wel van harte. Als het echter gaat over de inspiratietheorie dan moeten we al direct constateren dat er orthodoxe inspiratie-theoriën in soorten zijn. Ik noem er momenteel slechts twee, omdat die al lang in brede kring gepopulariseerd en bekend zijn: de zgn. mechanische en de organische versie van de theorie der woordelijke (soms zelfs: letterlijke) inspiratie.
Van beide bestaan er ook nog verschillende varianten, zowel in het heden als in het verleden van de orthodoxe theologie.
Wanneer nu deze onderling verschillende orthodoxe opvattingen, die allemaal uitgaan van het gelovig belijden dat de Schrift het Woord Gods is, niet consequent van dit belijden onderscheiden worden, dan zlen.we het droevige verschijnsel optreden dat de gelovigen elkaar onderling gaan besnuffelen en elkaar de maat gaan nemen van hun orthodoxie of 'bijbelgetrouwheid'.
Onder bepaalde omstandigheden leidt dat dan gemakkelijk tot twisten, groepsvorming, verdachtmakingen, verkilling der liefde en zelfs tot kerkscheuringen.
De gehele orthodoxie in alle landen kan daar van meepraten.
Nu noemde ik alleen nog maar het voorbeeld van de leer inzake de H. Schrift, maar zo zijn er heel veel andere voorbeelden te noemen van onderwerpen die de genoemde droevige en onchristelijke verschijnselen teweeg gebracht hebben. Heel vaak - ik zeg niet: altijd - speelde daarin een verborgen rol de gesignaleerde vereenzelviging, tot in het spraakgebruik toe, van het goddelijke Woord en de menselijke theologie, van geloofskennis en theologische kennis, van geloofswaarheid en theoretische waarheid.
Men suggereert deze vereenzelviging vaak door het kerkelijk belijden plus eigen theologie daarover, te kwalificeren als het 'naspreken' van de Schrift. Die uitdrukking kàn goed bedoeld zijn, maar letterlijk genomen is zij ietwat onzinnig. Maar altijd suggereert zij minstens overeenstemming en soms zelfs identificatie tussen wat de Schrift zelf zegt én onze praktische of theologische verwerking daarvan. Geheel in de lijn van de middeleeuwse scholastiek waarin men wel de volgende gedachte tegenkomt: wat zuiverlogisch en zonder fouten uit de Schrift is afgeleid, heeft hetzelfde gezag als de Schrift zelf. De haan van de scherpzinnigste denkerdogmaticus kan dus koning kraaien in de kerk. Ambtelijk en/of theologisch machtsmisbruik in de kerk kan vanuit deze achtergrond moeilijk meer tegengegaan worden.
5. Theologische kennistheorie
Om de werkelijk grote draagwijdte en gevolgen van de onderscheiding tussen belijdenis en theologie als theoloog zelf te kunnen ervaren, ook voor de exegetische vakken, maar vooral voor alle onderwerpen van de dogmatiek, is een theologische kennistheorie, met aansluitende hermeneutiek, onmisbaar. Behoudens enkele grondlijnen daarvoor vanuit de reformatorische wijsbegeerte is zulk een uitgewerkte theologische kennistheorie nog niet in reformatorisch-wijsgerige geest ontwikkeld, voorzover mij bekend.
De in mijn vorige artikelen genoemde boeken van Van der Goot en van Ouweneel zijn zeer waardevolle, maar nog slechts eerste.stappen op die weg. Deze achterstand van de orthodoxie is te meer te betreuren, nu met name in de laatste decennia een overvloed van studies op dit gebied verschenen is. De meeste daarvan staan uiteraard in verband met de hedendaagse wetenschapstheorieën, die nog altijd fundamenteel gekenmerkt en geleid blijven door humanistische uitgangspunten.
Een pluspunt is wel, dat het Bultmanniaanse rationalisme, het zgn. ontmythologiseringsprogramma, veelal als achterhaald wordt beschouwd.
Maar de nieuwe alternatieven zijn m.i. evenmin aanvaardbaar.
Toch zien we veel theologen, vooral 'moderne', die zich bewust gaan worden van het wijsgerig gehalte in èlke theologie. Maar door gebrek aan een christelijke wijsbegeerte, staat men weerloos tegenover de snel wisselende filosofische modestromingen van de eigen tijd.
(slot volgt)