Kerkgeschiedenis
1990-01-19
Zuivere Iofprijzing- Jaargang 34
- nummer 2
Psalm 105 Is een psalm met een onaardse glans, een wonderlijke uitstraling. Het Is een lofpsalm, die begint met de oproep 'Looft de Here' en eindigt met het 'Halleluja'. Tussen begin en eind biedt de psalm een weergave van een deel uit Israëls geschiedenis, tot aan de Intocht In Kanaän. Tot zover allemaal punten, die Je ook In andere geschiedenis-psalmen, zoals 78 en 106, vindt.
Maar het onaardse, het wonderlijke aan deze psalm Is dat heel de geschiedenis volkomen rimpelloos wordt beschreven. Isràëls verleden lijkt enkel glans en majesteit en schoonheid te zijn geweest. Als een glimmend gepoetst stuk metaal, waarvan wij zouden zeggen: bij nader toezien breekt die glans toch wel uiteen In een craquelé met vrij diepe groeven.
Een aantal voorbeelden. Toen de HERE honger over Kanaän deed komen "zond Hij een man voor hen uit" naar Egypte (vs. 17): Jozef die als slaaf verkocht werd. Geen woord hierbij over het misdadige plan van de broers, maar alleen over God, die dit ten goede gedacht heeft: "Hij zond een man voor hen uit"!
Dan de latere tijd in Egypte. Niet worden genoemd de harde slavenarbeid of de bijna-genocide. Niet de onwil van de Israëlieten om gered te worden, noch hun gebrek aan vertrouwen.
Nee, er staat alleen: God maakte zijn volk zeer vruchtbaar, machtiger dan de tegenstanders. Die haatten hen en gebruikten list, maar God zond zijn knechten Mozes en Aäron en deed tekenen en wonderen.
"Hij voerde hen uit met zilver en goud, en er was in hun stammen niemand die struikelde" (vs. 37). Is deze glanzende beschrijving al niet onaards, voor ons gevoel gespeend van de weerbarstige werkelijkheid?
Dat geldt nog des te meer bij de beschrijving van de woestijnreis.
Neem nu alleen de verzen 40 en 41: "Zij vroegen, en Hij deed kwakkelen komen, met brood uit de hemel verzadigde Hij hen. Hij opende de rots, en wateren vloeiden, zij stroomden door de dorre streken als een rivier".
Zelfs wie de geschiedenis van de woestijnreis maar oppervlakkig kent, die weet in deze zinnen tussen elke twee woorden heel wat minder fraais in te vullen. "Zij vroegen"?
Maar het was toch niet zomaar vragen?
Het ging om een zondig gemor en om een terugverlangen naar Egypte, alsof het niet de HERE was die hen uitgeleid had.
'Kwakkelen'? Daar lag tegelijk een oordeel in! "Hij opende de rots"?
Maar eerst was Mozes vrijwel gestenigd en onder die grote druk tot zonde gekomen.
Eigenroem?
Wel, meer zou te noemen zijn, maar dit is genoeg om te laten zien: Psalm 105 is uitzonderlijk in het stralende licht dat valt op Israëls geschiedenis.
Als we hier oog voor krijgen, dan houden we ons hart vast, denk ik: Is dit niet té onaards, té mooi?
Ligt hier niet het gevaar van eigenroem?
Wij praten zelf in elk geval anders over ons verleden. De kerk is te laat geweest met sociaal besef. De kerk . heeft de arbeiders van zich vervreemd.
De kerk heeft altijd antisemitische tendenzen met zich meegedragen.
En nu is de kerk ongeloofwaardig voor de wereld door hopeloze verdeeldheid.
Kortom: we voelen ons veiliger door een toontje lager te zingen, menselijk bescheiden. Op zichzelf is dat ook zo gek niet. Doorgaans doen de Psalmen dat ook. Psalm 106 bijvoorbeeld zingt bepaald een toontje lager.
En God heeft Psalm 105 en 106 als tweelingzusters naast elkaar gegeven. Psalm 106: 6-27 hoort bij Psalm 105 als schering en inslag. AI de ondankbaarheid en het gemor worden dáár Juist belicht. "Onze vaderen in Egypte sloegen geen acht op uw wonderen." "Zij waren afgunstig op Mozes in de legerplaats"
... het zijn precies de dingen die in Psalm 105 zo ontbreken.
En toch: de twee psalmen staan er allebei. Het toontje lager zingen en het Iied op een verhoogde toon horen er beiden bij. En ik schrijf deze dingen omdat ik denk dat wij in onze kijk op de kerkelijke geschiedenis ook die beide melodieën moeten kennen. Ik ben er niet zo van overtuigd, dat het een kenmerk van zuiver geestelijk leven is om alleen maar een toontje lager te zingen over de Kerkelijke geschiedenis. Ja, in het menselijk vlak doet het weldadig aan: "ze hebben tenminste 'geen pretenties". Het punt is alleen: als het goed is hebben we wél een pretentie.
Namelijk dat de gemeente van Christus geregeerd wordt uit de hemel en dat Christus zich een gemeente vergadert van het begin der wereld tot aan het einde. Zeker, het zicht op dat werk van Christus wordt· enorm verduisterd door de veelheid van zonden op kerkelijk gebied.
Door al het bloed "dat vergoten is sinds de grondvesting der wereld, van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die omgebracht is tussen het altaar en het tempelhuis"
(Lucas 11:50v). En door alle kerkelijk onrecht dat later gepleegd is.
Dat is echter allemaal geen menselijk gepr:uts in een menselijk zaakje.
Maar het zijn menselijke zonden in de zaak van God! Vandaar dat er twee melodieën nodig zijn: de belijdenis van onze kerkelijke zonden én de lotzanq op Gods doorgaande trouw. Als wij binnen de gemeenschap van de kerk het geloof geleerd 'hebben en er nog steeds in gevoed worden, dan is dat toch aan God te danken en dan verdient Hij de dank daarvoor toch?
Deglans van God
De combinatie van Psalm 105 en 106 kan ons misschien helpen om beide kanten van de werkelijkheid weer te gaan zien. Maar dan moeten we wél het geheim van Psalm 105 kennen.
En dat is dit: de onaardse glans is in werkèlijkheid een bovenaardse glans. Het is het licht van Gods majesteit, dat hier als een gerichte lichtbundel op Israëls geschiedenis valt. Hier wordt niet over Israël, maar puur over God gezongen. Maár ja, hoe blijf je dan uit de buurt van kerkisme en farizeïsme en zo voort?
Ik denk, dat het voorwoord van dezelfde Psalm 105 ons daarbij kan helpen. Een voorwoord, waarin er door de dichter aan ons getrokken en geduwd wordt, tot we in de goede positie zitten om zo'n bovenaards lied te zingen.
Na de algemene oproep om God te loven staat er in vs. 3: "Beroemt u in zijn heilige naam". Dat is: prijs je rijk met Gods naam alleen. Zijn heilige naam: het gaat hier om de glans van God, die een ontoegankelijk licht bewoont. Hier kon zelfs niet staan: "beroemt u in Gods werk in de geschiedenis", want daar zit altijd ook een menselijke component bij. Zijn heilige naam echter, dat is Hij alleen.
Roem in die rijkdom alleen!
Vervolgens wordt gezegd: "Vraagt naar de HERE en zijn sterkte" (vs. 4), want daar gaat het in deze psalm over. En: "Gedenkt aan de wonderen, die Hij heeft gedaan" (vs. 5), want daar Wil nu de aandacht op gevestigd zijn. Al deze aansporingen, voordat in vs.
7 de eigenlijke psalm begint, zijn te zien als duwtjes van de Heilige Geest om ons eerst in de juiste houding te zetten voordat we deze gevaarlijke maar prachtige lofpsalm zingen. We moeten leren te zingen over Gods genade door alles heen.
Wie zo voor Gods aangezicht staat, die kan het zuivere loflied zingen van Gods doorgaande werk in een onzuivere. geschiedenis. Zo mogen wij ook over de geschiedenis van de kerk in ons land zingen. Bijvoorbeeld over het wonder van de 1ge eeuw, of over de zegen van God in onze eigen kerken. Zolang we dit lied maar zuiver houden, en ... zolang we ook Psalm 106 kennen!
Onze geschiedschrijving
Ik zou bij het licht van deze twee zusterpsalmen willen vragen of er ook in onze kerken geen kundige mensen zijn, die iets van onze kerkelijke geschiedenis op papier willen zetten. Om ons de taal van de verootmoediging én die van Gods lof te-Ieren. Er ligt bepaald een lacune onder ons op dat gebied. Bij zijn leven heeft ds. A.H. Algra op dit punt mooie bijdragen gegeven. Te denken valt aan zijn boek Levende stenen en aan de brochure Van Nederlarrds Hervormd tot Nederlands Gereformeerd.
Maar ik merk dat er onder jongeren echt vraag is en blijft naar uitleg op het punt: waar komen wij vandaan? Dat lijkt me ook begrijpelijk in een tijd als de onze, waarin de hitte van de strijd gelukkig over is, maar de gevolgen er nog wel liggen.
Het zal duidelijk zijn: ik heb het ook en met name over de recente kerkgeschiedenis.
Zeg die van de vrijmaking en van de scheuring in de zestiger jaren. Het is met een kaarsje zoeken naar publièaties uit onze kerken over dit onderwerp. Dat is ook wel begrijpelijk. Enerzijds: wie die het meegemaakt heeft wil slapeloze nachten meemaken om het allemaal boven water te halen? En anderzijds: wie wordt er rijker van als er een 'wij-hebben-toch-gelijkverhaal' komt?
Juist daarom breng ik dit verzoek ter tafel in het licht van zo'n hooggestemde psalm als Psalm 105, met zo'n ootmoedige zusterpsalm als Psalm 106. Ik ben er niet gerust op dat het goed is om alleen in neerbuigende zin over ons verleden te praten óf om te zien in wrok.
Als ik nog een keer de beide psalmen naast elkaar mag zetten. Ze zijn niet alleen in hun kijk op de geschiedenis elkaars wederhelft. Maar ook in de beide inleidingen.
- Zei Psalm 105: "Gedenkt aan de wonderen, die Hij heeft gedaan", Psalm 106 zegt: "Gedenk mijner,O HERE, naar het welbehagen in uw volk". Psalm 105 richt onze aandacht op God. Psalm 106 richt Gods aandacht op ons. Met zicht op onze fouten en een beroep op Gods welbehagen.
- Psalm 105 zegt: "Beroemt u in zijn heilige naam; het hart van wie de HERE zoeken verheuge zich" en Psalm 106 voegt er aan toe: moge ik "mij verbeuoen met de vreugde van uw volk, mij beroemen met uw erfdeel".
Als we die beide psalmen eens leerden zingen ... En als dat eens aan beide kanten van de breuk zou gebeuren ... Is dat niet iets om voor te bidden? Eigenlijk kan-het met minder niet toe. Alleen zó kunnen we ons toch verheugen in God en mét zijn volk; ons beroemen in zijn heiligenaam en mét zijn erfdeel.