De bijbel in de filosofie en in de theologie

1990-02-02
  • Jaargang 34
  • nummer 3
1. Een uitspraak van Schillebeeckx
Eén dezer dagen stond in Trouw de uitspraak van Prof. Schillebeeckx te lezen dat elke theologie z'n eigen filosofie heeft. Wat hij daarmee precies bedoelde is mij onbekend. Als losse uitspraak signaleer ik deze gedachte slechts als een symptoom van het langzaam maar zeker doordringend besef dat ook in de theologie, evenals in alle andere (echte) wetenschappen, filosofie meespreekt.
Niet als een toevoeging van buiten af, maar van binnen uit, vanuit haar grond-categorieën, denkpatronen en methodieken. Men kan natuurlijk niet van elke theoloog of andere vakwetenschapper verlangen dat hij zodanig filosofisch geschooid is, dat hij de in zijn leerstellingen en formuleringen impliciete filosofie direct herkent. Het traditionele onderwijs dat theologische studenten in het begin van hun studie krijgen in de geschiedenis der filosofie, bedoelt wél dit mogelijk te maken. In de praktijk komt daar echter vrijwel niets van terecht.
Zulks door diverse oorzaken, onder andere omdat de geschiedbeschrijvingen van de filosofie niet zelf filosofisch-neutraal (kunnen) zijn, terwijl veel, of zelfs de meeste geschiedschrijvers dit niet kunnen erkennen vanuit hun traditionele opvatting dat wetenschappelijke geschiedschrijving religieus en filosofisch neutraal kan, althans behoort te zijn.
Maar nu ter zake: waarom zit er altijd in elke vakwetenschap, ook in de theologie, filosofie? Het antwoord op deze vraag komt te voorschijn bij het beantwoorden van de volgende vraag:

2. Waarover gaat het in de filosofie?
In de filosofie gaat het o.a. om de grond-begrippen van de vakwetenschappen.
Wat de theologie betreft dus om begrippen als geloof, godsdienst, religie, openbaring, mythe, rite, en dergelijke. Speciaal wat betreft de christelijke theologie ook over bijbel, kerk, sacramenten, enz.
Vanwege de veelzijdige innerlijke samenhang van al het bestaande in de schepping, kunnen deze grondbegrippen wijsgerig niet anders benaderd worden dan met behulp van de grond-categorieën der werkelijkheid als totaal. Filosofie is een 'totaalwetenschap', waarin "alles met alles samenhangt". De inhoud van de wijsgerige totaalvisies op de realiteit wordt nader expliciet gemaakt in de diverse wijsgerige thematieken. Zo is de filosofische antropologie enerzijds grondslag van de gehele werkelijkheidsbeschouwing ('kosmologie'), anderzijds moet zij zelf kosmologisch ontwikkeld worden, en impliceert zij op haar beurt de grondlijnen voor de wijsgerige sociologie, de wijsgerige praxeologie (d.w.z. filosofie van de levenspraktijk, tegenwoordig vaak handelingstheorie genoemd) en de kennis-, inclusief wetenschapstheorie. Welnu, de opvattingen in al deze filosofische (sub)disciplines bepalen inhoudelijk de vorming der vakwetenschappelijke grondbegrippen, en de methode daarvan. Daarom begint het terecht al een beetje mode te worden om bij veel wetenschappelijke inzichten de vraag te stellen: welk mensbeeld zit hierin verborgen? welk wereldbeeld zit hier achter? welke waarheidstheorie is hier aan het werk?
Met deze en dergelijke, en in het algemeen gesproken: met alle filosofische (totaliteits-) theorieën bevinden we ons in het grensgebied van de vakwetenschappen en van de wetenschap als zodanig. D.w.z. een gebied waarin de niet-wetenschappelijke factoren, met name de geloofsopvattingen, hun invloed doen gelden op de inhoud der vakwetenschappen, en wel via de filosofie.
Tot zover een wel zeer summiere aanduiding van de taak der filosofie en van de reden waarom zij structureel, en dus noodzakelijk, aanwezig is óók in theologie.

3. Het belang van christelijke filosofie voor de christelijke theologie
Het algemene spraakgebruik in onze Westerse cultuur, en met name in dat van wat meer gestudeerd hebbende mensen, is in heel wat begrippen, uitdrukkingsvormen en denkpatronen historisch mede gevormd door filosofische stromingen. Ook principieel is aan dit feit niet te ontkomen.
Daarom is het voor de christelijke beoefening der wetenschappen, (ook van de theologie!), zo belangrijk om een christelijke filosofie te hanteren. Anders blijft de scholastieke methode stand houden om 'het christelijke' niet te zoeken binnen de wetenschap, in haar grond-categorieën en methoden van begripsvorming, maar uitwendig in de combinatie van neutraal geachte wetenschap met buiten-wetenschappelijke gegevens, bijv. met bijbelse informatie, of ook alleen in gebed en dankzegging rondom het eigenlijke en neutraal geachte wetenschappelijk onderzoek.
Dit is één van de grondgedachten van de reformatorische Wijsbegeerte, die echter nog lang niet in christelijke kringen genoegzaam bekend en erkend zijn. Veeleer functioneert nog volop het scholastieke schema van natuur en genade, d.w.z. van een uitwendige verbinding tussen natuurlijk en neutraal wetenschappelijk verstandsgebruik en zgn. 'bijbelse gegevens'. Kenmerkend daarvoor vond ik enige jaren geleden de vraag van de bekende Ir. De Graaf van de Geref. Bond in Trouw. Die vraag was wat men zich eigenlijk 'naast theologie' nog zou kunnen voorstellen bij de term 'christelijke filosofie'. Vermoedelijk dacht hij evenals Tertullianus en Augustinus dat de theologie de ware of christelijke filosofie genoemd kan worden. Deze traditionele visie werd spits geformuleerd door Karl Barth. Deze maakte zich tot tolk van de protestantse theologische traditie toen hij schreef: "Christelijke filosofie is in de praktijk nog nooit werkelijkheid geweest: als ze filosofie was, was ze niet christelijk, was ze christelijk dan was het geen filosofie" (Kirchl. Dogm. I, 1, S.4).
Velen denken trouwens nog precies zo inzake de (on)mogelijkheid van 'christelijke wetenschap' in het algemeen.
In een dergelijke gedachtegang is christelijk wetenschappelijk denken alleen theologisch denken. De consequenties op theologisch gebied hebben we in het midden van onze eeuw zich met volle kracht zien baanbreken. Het (neo) positivistisch denkklimaat heeft, vaak als alternatief tegenover het existentialisme, zijn beslag gelegd op de theologie, die zich mede daardoor gaandeweg begint te generen voor haar naam.
Zij heet voortaan liever geen theologie meer, maar godsdienstwetenschap.
Theologie is nl. van huis uit vermengd met geloof. Godsdienstwetenschap kan veel meer echte 'zuivere wetenschap' zijn, die als zodanig recht heeft op een plaats aan de universiteiten. Voor de kerken moet dan maar, op historische, traditionele gronden, wat ruimte gemaakt worden om de zgn. 'geloofsvakken' te verzorgen. Aldus een gangbare redenering die regelrecht voortkomt uit een on-christelijke, echt humanistische filosofie over wat wetenschap is en moet zijn, welke filosofie gebaseerd is op een onchristelijke antropologie, en op een on-christelijke kosmologie. En geworteld in het religieus-dialectische grondmotief van natuur en genade.

4. De Bijbel in de Reformatorische Wijsbegeerte .
Wijsgerig gezien is de Bijbel, als openbaring Gods, de norm voor ons geloofsleven. Zij fungeert in de 'wetszijde' van het kosmische geloofsaspect, waarin alle mensen, ja zelfs alle schepselen, eveneens fungeren. Naar de 'subjectszijde' van het geloofsaspect gezien betekent dit dat alle mensen een subjectieve geloofsfunctie hebben, waardoor zij kunnen geloven. Zelfs ook moeten geloven, de mens kan niet· niet-geloven. De grote vraag is echter of dit concrete geloven een activiteit is waarin de mens zich conformeert aan de 'wet' voor het geloven, nl. aan de openbaring Gods. Openbaring en geloof verhouden zich, wijsgerig gezien als wet en subject, nauwkeuriger uitgedrukt: als de wetszijde en de subjectszijde van het geloofsaspect der werkelijkheid.
Wat wij ongeloof en atheïsme noemen, is wijsgerig gezien verkeerd geloven en, naar de wetszijde: een verdrongen en vervangen 'openbaring' van een tot af-God gemaakt schepsel. Het genoemde 'ongeloof' blijft naar zijn aard een geloofsovertuiging, zij het met een verkeerde inhoud.
Ook de wetsleer in het algemeen-is van belang voor de theologie. Niet alleen voor de 'theologische ethiek' maar ook bv. voor de theologische bijbeltheorie. Zij attendeert ons nl. op het geheimenis van de Schrift: het geheimenis dat het woord van mensen Gods Woord is, en dat Gods Woord tot ons komt in woorden van ménsen.

5. Het ondoorgrondelijk geheim van Gods Wet voor alle creatuur
In de Reformatorische Wijsbegeerte is het besef bezig zich uit te kristalliseren, dat we in de wet Gods voor alle séhepselen, inclusief voor de menselijke geloofsactiviteiten, primair van doen hebben met een ondoorgrondelijk, noch praktisch, noch theoretisch te analyseren geheim.
Dat 'geheim' is uiteraard niet dat God door zijn wet zijn wil bekend maakt, openbaart. Gods zelfopenbaring, zijn wilsopenbaring kan zeer wel in principe gekend worden, zij is immers openbaring aan de mensheid.
Aan ieder die God niet (er)kent ontneemt die openbaring alle 'onschuld' (Rom. 1:20). Maar in die openbaring, in die bekend-making wordt het 'geheim', het ondoorgrondelijke, niet opgeheven of beëindigd.
Het blijft een goddelijk geheim-voor-mensen, dat niet verklaard, doorzien of begrepen kan worden, maar alleen geloofd en zo, d.w.z. met gelóófskennis, gekend en geweten.
Want dat 'geheim' is alleen een geheim, een verborgenheid voor elk theologisch verstand dat begrijpen en verklaren en inzichtelijk maken wil. Ook voor de filosofie blijft het een geheim, dat boven haar kennismogelijkheden uitgaat: het geheim van de creatieve vervlochtenheid van de wet Goda met het schepsel, d.w.z. met de wets-zijde van het schepsel. Dàár ligt het ondoorgrondelijke van het samen-zijn, van het onvermengd en onveranderd en ongescheiden één-zijn van Gods wet met de creatuurlijke werkelijkheid.
Dat zijn, om nog eens die riskante analogie uit de theologie over te nemen: de 'twee naturen' van de kosmische wetsorde waarin ook de Heilige Schrift is opgenomen. Theologisch gesproken betekent dat ook het einde van het dualisme dat opgesloten ligt in de woorden 'algemene en bijzondere' openbaring, 'algemene en bijzondere" genade, natuur en genade, e.d.

6. De Bijbel in een reformatorische theologie
Zoals gezegd, evenals alle wetenschappen moet ook de theologie zich bedienen van algemene kosmologische categorieën en grondbegrippen.
Niet alléén de theologie, maar zij toch wel in de eerste plaats, komt telkens in aanraking met de verhouding en verbinding tussen 'het goddelijke' en 'het menselijke'.
Zo zijn er bijv. in de theologische bijbeltheorie hevige discussies over allerlei dilemma's, categorieën en schema's, die, wetenschappelijk gesproken, slechts verantwoord gehanteerd kunnen worden in een zich bewustzijn van hun filosofische, kosmologische herkomst en implicaties.
Ik denk hier o.a. aan wat de uitdrukking 'organische inspiratie' kan inhouden, aan de antropologische implicaties van de term 'geïnspireerd' (evenals de term 'ingegeven' een aanvechtbare vertaling van het 'theopneustos' in 2 Tim. 3:16), aan de logische 'consequenties' die daaruit getrokken (kunnen) worden en soms ook bewust niet getrokken worden. Wie over al deze en dergelijke problemen uitvoerig geïnformeerd wil worden kan m.i. uitstekend terecht bij Berkouwers tweedelige studie 'De Heilige Schrift' (I, 1966; 11,1967).
In verband met de inspiratie-theode rijzen ook tal van kwesties over 'vorm en inhoud', 'boodschap en verpakking', centrum en rand of omtrek, over wat 'skopus' wel en niet kan betekenen in dit :verband, enz. enz.
Het is alles noodzakelijke theologische arbeid om de genoemde, en nog veel meer, problemen in verband met de leer inzake de Schrift te analyseren. Op de achtergrond van het gemeentelijk leven kan deze arbeid de kerken en hun predikanten van dienst zijn bij het verdiepen van het kennis-element in het geloofsleven.
Niet meer, maar ook niet minder.
Het is belangrijk, omdat in het geloofsleven, evenals in elke andere soort van bewust menselijk functioneren, een sub-structuur zit ingeweven die Van 'coqrrttieve', d.w.z. van verstandelijke aard is. Op zichzelf is zulk een kennis nog geen geloof.
Evenmin als een afgestudeerd econoom door zijn kennis nu automatisch een goed zakenman is, is een theoloog door zijn kennis een echte gelovige christen. Maar zoals een goed zakenman geholpen kan zijn door een meer ontwikkelde kennis der economie, zo kan een gelovige geholpen en gediend zijn met resultaten van een goede theologische studie. Maar zodra dat kennismoment in het geloven verzelfstandigd wordt, of overschat, gaat dit het geloofsleven haast automatisch beschadigen en verschralen.
Helaas staat dit predikanten en beroepstheologen niet altijd helder voor de geest. Hetgeen in de eerste plaats te wijten is aan hun opleiding.
Daarover nu niet verder. Maar wel merk ik nog op dat gebrek aan reformatorische basiskennis inzake de filosofie van de theologie (vroeger heette dat het vak 'Encyclopedie der theologie', tegenwoordig afgevlakt tot 'Inleiding') zich ook wreekt in alle hoofdstukken van de dogmatiek, en met name in de bijbeltheorie. Daarin worden nl. tal van kwesties besproken die tegen de achtergrond van een schriftuurlijke, reformatorische wijsbegeerte beter behandeld kunnen worden, dan thans gewoonlijk het geval is in de orthodoxie. Ik denk aan de kwestie van de 'tegenstrijdigheden' in de Bijbel, de 'historische betrouwbaarheid', de tijdgebondenheid, de wetenschappelijke bruikbaarheid van de Bijbel voor andere wetenschappen (m.a.w. waarin schuilt nu eigenlijk het christelijk zijn van christelijke wetenschap?), bijv. voor geologie, biologie, volkenkunde, geschiedeniswetenschap, enz. Daarmee zijn ook allerlei wetenschappelijke neven kwesties gemoeid, zoals de discussie over 'fundamental isme', de invloed van het rationalisme in theologie en kerk, het recht én onrecht van 'historische Schriftkritiek', de Amerikaanse organisatie ter verdediging van de 'foutloosheid' van de Bijbel, enz.
Een artikelenreeks in een blad als Opbouw kan niet te lang worden voortgezet. Daarom stoppen we voorlopig. In het kort bestek van deze zes artikelen kon ik uiteraard niet één van de aangeduide problemen grondig bespreken. Dat was ook niet de bedoeling, en dat zou ook niet passen in Opbouw, dat geen theologisch vakblad is. Toch heb ik het gewaagd enige filosofische en theologische kwesties, die in de kerken actueel zijn, kort aan te duiden.
Want ook in Opbouw verschijnen nog al eens stukjes theologie (voor de liefhebbers). Gelukkig maar. Want theologie blijft toch een mooie en waardevolle hobby, ook voor niet-theologen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief