Op weg naar 1992 (1)
1990-02-02
De grenzen open?- Jaargang 34
- nummer 3
Dit artikel heeft niets te maken met de openstelling van de grenzen binnen de Europese gemeenschap in 1992. Beschouwingen over een Verenigd Europa zult u van mij niet moeten verwachten.
Maar terugblikkend op de Synode van Groningen van de Chr. Geref. Kerken, die in het vorige jaar gehouden werd, en vooruitkijkend naar de Synode van Apeldoorn, die - als onze Heer niet voor die tijd gekomen is - gehouden zal worden in 1992, gaf dit jaartal mij wel gedachten in de zin over open of gesloten grenzen.
De Chr. Geref. Kerken maken zich op om in '92 te gedenken dat zij als kerken van de Afscheiding 100 jaar zelfstandig v66rtbestaan. Immers, toen op 17 juni 1892 de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduits- Gereformeerde Kerken zich verenigden, meende een klein aantal kerken hierin niet mee te kunnen gaan. Dat is toen het begin geweest van de huidige Chr. Geref. Kerken.
Of, zoals zij het zelf dus zien, de voortzetting van de kerken van de Scheiding. Men meende om Gods wil niet met de Vereniging mee te mogen gaan. Gedeeltelijk om procedurele redenen - omdat de plaatselijke kerken niet waren gehoord en alles op synodaal niveau was beslist.
Maar gedeeltelijk ook op confessionele gronden - omdat binnen de dolerende kerken dingen werden geleerd over wedergeboorte en doop, die men niet als Gereformeerd kon erkennen.
De kaart van kerkelijk Nederland is sinds 1892 vrij ingrijpend gewijzigd.
De Geref. Kerken in Nederland zijn inmiddels 'opgesplitst in de Geref. Kerken (syn), de Geref. Kerken (vrijg) en de Ned. Geref. Kerken. We zien' de Geref. Kerken (syn) verwikkeld in een Samen-op-Weg-proces, waarin Afscheiding en Doleantie achterhaald schijnen te zijn. De twee andere zoëven genoemde kerkgemeenschappen hebben diverse pogingen gedaan om te komen tot een soortgelijk proces samen met de Chr. Geref. Kerken, waarin aan de reformatorische bewegingen uit de vorige eeuw wél recht wordt gedaan.
Helaas blijken deze pogingen tot nu toe met vruchteloosheid geslagen.
Zowel de Ned. Geref. Kerken als de Geref. Kerken (vrijg) hebben immers van de Synode van Groningen geen ondubbelzinnig 'ja' te horen gekregen op hun vraag een einde te maken aan een gescheiden kerkelijk leven. De Chr. Geref. Synode heeft unaniem uitgesproken dat de grenzen vooralsnog gesloten dienen te blijven.
Verschil in belijden
Met betrekking tot onze kerken, om ons daar voorlopig toe te beperken, zijn er twee punten, die door de Synode als struikelblokken worden beschouwd op de weg naar kerkelijke eenwording. Dat is in de eerste plaats een verschil in belijden. En in de tweede plaats zijn er bezwaren tegen ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven en het funktioneren daarvan. Aan beide punten van bezwaar wil ik een aantal opmerkingen wijden.
In de eerste plaats dus het verschil in belijden. Dat betreft het bekende complex van vragen rondom de toeëigening van het heil. De Synode heeft als haar oordeel uitgesproken "dat in de Nederlands Gereformeerde Kerken met betrekking tot de toeëigening van het heil geen recht gedaan wordt aan wezenlijke elementen uit de belijdenis der kerken".
Weliswaar wordt uitgesproken "dat de geconstateerde verschillen ... geen belemmering mogen zijn om te erkennen dat de Nederlands Gereformeerde Kerken zich in alles willen stellen op de grondslag van en begeren te leven naar de Gerefornieerde belijdenis". Maar desondanks is men van oordeel "dat deze verschillen ... een belemmering vormen om op dit moment stappen te doen naar een vereniging van beide kerken".
Zoals bekend kan zijn gaat het dus om de vragen over de beteken is van het Verbond en de Doop, wanneer je jezelf een kind van God mag noemen, de noodzaak van wedergeboorte en bekering, het werk van de Heilige Geest in het deel krijgen aan het heil in Christus e.d.
Het is ieder bekend dat bij de beantwoording van deze vragen de accenten verschillend gelegd worden. In Chr. Geref. kring wordt sterk benadrukt dat geloof en bekering geheel en al een zaak van God zijn. De mens, ook hij die door de doop is opgenomen in het verbond met God, is van zichzelf dood in zonden en misdaden (Ef. 2:1vv). Er is een werk van Gods genade voor nodig om hem tot nieuw leven te wekken.
De zondaar moet wedergeboren worden. Hij moet bekeerd worden.
Het zijn vooral de passieve werkwoordsvormen die in dit kader gehanteerd worden.
In onze kerken overwegen daarentegen de aktieve werkwoordsvormen.
Dat ook de gedoopte bondeling van zichzelf in 'absolute doodstaat' verkeert, zal niemand onder ons ontkennen, al zullen maar weinigen een dergelijke term gebruiken. Maar deze dode zondaar wordt opgeroepen tot geloof en bekering. Zeker, dat geloof wordt gewerkt door de Heilige Geest. Hij is het die het hart van steen verandert in een hart van vlees. Maar de mens moet gehoor geven. Hij moet zich bekeren. Hij moet de deur van zijn hart openen.
Hij is schuldig wanneer hij dat niet doet. Hij kan zich niet beroepen op of verschuilen achter zijn onmacht.
Het is een mysterie, het geheimenis van Fil. 2:12v: " ...blijft ... uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt." Zonder God is er voor ons niets te werken aan onze behoudenis. Waar God niet begint, begint de dode zondaar niets. En Gods goede begin is niet het halve, maar het héle werk, voor de volle 100%! We stemmen dat onze Chr. Geref. broeders van harte toe.
Maar waar God tot ons komt met zijn bevel tot geloof en bekering, daar komt keer op keer de zondaar tot leven. Zoals Lazarus tot leven komt door het bevel van Christus: "Lazarus, kom naar buiten!" En de gestorvene (!) k6mt naar buiten. Hij komt in aktie, hij gaat zitten, gaat staan, komt in beweging, gaat naar Hem die hem riep. Gods bevel tot geloof en bekering wekt de dode zondaar zo tot leven. Maar juist daarom is zijn geloofsaktiviteit 66k voor 100% zijn aktiviteit!
De Verklaring van 1975
In 1975 kon door de Chr. Geref. Deputaten voor de Eenheid van de Gereformeerde Belijders en de Ned.Geref. Kommissie voor Kontakt en Samenspreking een Gemeenschappelijke Verklaring worden opgesteld van gedachten waarin men zich wederzijds kon vinden. Deze verklaring was een poging om de verschillende accenten die bij het spreken over bovengenoemde vragen worden gelegd in evenwicht te brengen.
Het was een rijk en vreugdevol moment toen deze Verklaring wederzijds werd aanvaard en ondertekend.
Nu, 15 jaar later, moeten we vaststellen, dat we, in elk geval op landelijk niveau, sindsdien geen 'stap dichter bij elkaar zijn gekomen. Integendeel!
De gesprekken over de genoemde punten zijn eindeloos herhaald. Er is van beide zijden nagenoeg geen nieuws meer naar voren gebracht. We worden als Kommissie eigenlijk voortdurend gedrongen tot een antwoord op de vraag: ..Funktioneert de Verklaring van 1975 eigenlijk wel?" En dan gaat het uiteraard met name om de noties die van Chr. Geref. zijde in deze Verklaring zijn ingebracht. Wordt, zo wordt gevraagd, aan die noties werkelijk recht gedaan?
In deze gesprekken is de grote moeite gebleken, dat de Deputaten hier eenvoudig niet van te overtuigen zijn. Heel typerend is wat zij in hun laatste rapport hierover meldden aan de Synode. In de evaluatie van de laatste gespreksronde stellen zij tot drie keer toe vast, dat er bij ons oog is voor wat van Chr.. Geref. zijde wordt benadrukt. Maar het blijkt niet voldoende te zijn.
In de eerste plaats wordt volgens Deputaten door ons wel toegestemd, dat de toeëigening van het heil het werk van de Geest is. Maar tegelijk constateren ze bij ons de vrees ..dat een sterk benadrukken van de noodzakelijkheid van het werk van de Heilige Geest in de deelachtig making van het heil, wel eens tekort zou kunnen doen aan de verantwoordelijkheid van de mens". En dat wordt als een gebleven punt van verschil aangevoerd.
In de tweede plaats wordt vastgesteld dat we hebben toegestemd, dat het zijn in het verbond niet betekent, dat het zondaar-zijn is opgeheven.
Maar, schrijven Deputaten dan, "zij konden ons er niet van overtuigen, dat deze zaken ook voldoende recht wedervaart in de Ned. Geref. kerken."
Als, in de derde plaats, van Chr. Geref. zijde gesteld wordt dat in de prediking aandacht moet worden gegeven aan het werk van de Heilige Geest in de mens en dat het tot de taak van de prediking behoort hierin leiding te geven en de gemeente te onderwijzen, vindt dat volgens de Deputaten opnieuw instemming bij onze Kommissie. Desalniettemin is weer hun commentaar: ..... maar wij kregen niet de overtuiging, dat deze dingen in de Ned. Geref. Kerken van dezelfde importantie geacht worden als onder ons het geval is."
D.w.z. onze woorden klinken goed, maar ze dekken niet de feiten. In elk geval kan de Kommissie de Deputaten er niet van overtuigen, dat dat wel het geval is. In de oren van Deputaten is het een belijden met de mond, maar niet met het hart en metterdaad. Ons belijden mist t.o.v. de Chr. Geref. Deputaten, en kennelijk t.o.v. heel de Synode van de Chr. Geref. Kerken, de nodige overtuigingskracht.
En zo zijn we, zoals prof. Schuurman terecht ter Synode opmerkte, in de landelijke samenspreking in een impasse terecht gekomen. De standpunten zijn over en weer bekend.
Verder spreken zal geen nieuwe inzichten geven. Op basis van de bekende standpunten zal er eindelijk een beslissing moeten vallen. Er moet een duidelijk antwoord komen op de vraag: Vallen de geconstateerde verschillen binnen of buiten de grenzen van Schrift en belijdenis?
Houdeh de Chr. Geref. Kerken in landelijk verband terecht of ten onrechte de kerkelijke grenzen voor ons gesloten?