Punten en komma's (3)

1990-02-02
  • Jaargang 34
  • nummer 3
Problemen van tekstindeling bij Johannes
In het bijzonder in het evangelie en de brieven van Johannes is er t.a.v. de tekstindeling nogal eens iets mis gegaan. Misschien kan ik dit het best aanwijzen aan de hand van een tekst die ik ruim dertig jaar geleden al eens met een andere indeling dan de gebruikelijke, en met een andere lay-out in Opbouw liet afdrukken'.
Ik heb toen wel de inhoud besproken, maar ben op de problemen van de zinsbouw en de zinsindeling niet nader ingegaan. Daarover dan vandaag.
Het betreft Joh. 17, 20-23. Mijn weergave ervan treft U boven dit artikel aan. Voor het gemak zette ik nu bij de verschillende elementen van deze tekst cijfers en letters.

Herhaling
Het eerste waarop ik de aandacht zou willen vestigen is: dat de herhaling hier een belangrijke functie heeft. We zagen in de voorafgaande artikelen dat element ook een rol spelen in de brieven van Paulus en Jacobus. Maar met name Johannes is sterk in herhaling. Let U b.v. maar eens op 1 Joh. 2, 12-14:
I a Ik schrijf u, kinderen ... b Ik schrijf u, vaders ... c Ik schrijf u, jongelingen.
11a Ik heb u geschreven, kinderen ...
b Ik heb u geschreven, vaders c Ik heb u geschreven, jongelingen .
Wat onze tekst betreft: om te beginnen wordt de hele periode I tot in alle onderdelen herhaald in periode 11. Maar binnen beide perioden vormt B weer een uitgebreide, een nader gespecificeerde herhaling van A.
In A beperkt Christus zich tot het vragen van éénheid van zijn apostelen met God2; in B wordt nader uitgewerkt, hoe die éénheid zal moeten zijn, nl. net zo als de éénheid van Jézus met God.
In B wordt tevens een doelstelling toegevoegd (c) ..opdat ..."), die inhoudelijk weer in tweeën is opgesplitst (d en el.

De ontsporing in andere weergaven
M.i. is de correspondentie tussen I en II zonneklaar. Als toch alle onderdelen van I en II zo nauwkeurig op elkaar corresponderen, kan het niet missen, of Johannes heeft déze opbouw bewust gekozen.
Maar nu zien we dan ook meteen scherp - op z'n minst t.a.v. één punt - hoe NBG en alle vertalingen die ik verder ken, fout zijn gegaan. Ik laat hier - omdat dit onder ons de meest gangbare is - de NBG-vertaling volgen, waarin ik dezelfde cijfers en letters toevoeg die ik in m'n eigen vertaling heb opgenomen: ..En ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, I A opdat zij allen één zijn, B a gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, b dat ook zij in Ons zijn; c opdat de wereld gelove, dat d Gij Mij gezonden hebt. e En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, 11A opdat zij één zijn, B a gelijk Wij één zijn: b Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, c opdat de wereld erkenne, dat d Gij Mij gezonden hebt, en e dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt."
Terwijl men in deze NBG-vertaling onder 11de beide zinnen ..Gij Mij gezonden hebt" (d) en ..Gij hen liefgehad hebt" (e) terecht afhankelijk laat zijn van "opdat de wereld erkenne"
(c), heft men op de overeenkomstige plaats onder I de afhankelijkheid van de tweede zin (e) op! Men zet nl. na I B d (..Gij Mij gezonden hebt") een punt, om dan I Be tot hoofdzin te verheffen, waarvan men dan N.B. periode 11in haar geheel afhankelijk maakt als doelstelling ("opdat zij één zijn ..;" enz.).

'Opdat' of 'dat'?
Dat men onnadenkend hier in een strik is gelopen, valt wel enigszins te begrijpen. Het woord waarmee 11A begint (Grieks 'hina'), en dat ik op de bewuste plaats vertaal met' dat', kan nl. ook 'opdat' betekenen. Zo hebben NBG en talloze andere vertalingen het onder I A ook weergegeven.
Toch is dat niet correct. Het doel dat Christus met zijn gebed voor ogen staat, komt pas in lBc aan de orde (en straks opnieuw onder 11B cl. I A daarentegen (evenals de uitgebreide herhaling daarvan in I B atb) betreft de inhoud van het gebed. (Curieus genoeg heeft de NBG aan het begin van I Bb dat bewuste woord China') wél met 'dat' vertaald; en in 11B b evenzo!) Is 'hina' afhankelijk van een werkwoord als 'bidden' of 'vragen', dan moeten wij niet vertalen 'opdat', maar 'dat'. Wij bidden (Of vragen), dat iets mag gebeuren. Eventueel kunnen wij in het Nederlands in zo'n geval ook 'of' gebruiken; maar niét 'opdat'. 'Als voorbeeld zou ik kunnen noemen Joh. 4, 47 ..... bad Hem, dat Hij afkwame" Stat.Vert.; ..... verzocht Hem te komen" NBG. Wij zouden ook kunnen weergeven:
..... vroeg Hem, of Hij wilde komen",

Vergelijkingszinnen
Er zit nog een valstrik in onze tekst, waarop men - en niet alleen hierionvoldoende bedacht is geweest, nl.
in B afb.
Ik kan zeggen: ..Morgen zul jij mij helpen, zoals ik vandaag jou geholpen heb". Maar ik kan ook de vergelijkende zin (..zoals .,;" ) in plaats van achteraan vooraan zetten: ..zoals ik vandaag jou g.eholpen heb, zul jij mij morgen helpen".
Ingewikkelder - althans in het Grieks dat Johannes schrijft - wordt de zaak, als ik deze combinatie van zinnen afhankelijk maak van een 'dat'. Dus, als ik b.v. zeg: ..Ik dacht dat, zoals ik vandaag jou geholpen heb, jij mij morgen zou helpen".
Streng grammaticaal geredeneerd is dit de juiste volgorde. De vergelijkingszin (..zoals .,;" ) is nl. samen met die andere zin (..jij mij ... zou helpen") afhankelijk, en hoort dus ook samen met deze ná het 'dat' te worden geplaatst, dat de afhankelijkheid aangeeft.
Wat gebeurt nu echter? Dit: dat de vergelijkingszin naar voren wordt gehaald tot vóór het bewuste 'dat'.
Wij doen dat, vooral in de spreektaal, ook wel eens. Ook onder onslet u er maar eens op - kun je deze constructie horen: ..Ik dacht, zoals ik jou vandaag geholpen heb, dat jij mij morgen zou helpen". Maar bij Johannes is deze laatste volgorde heel gewoon.
Om te beginnen, staat bij hem de 'zoals'- (of 'gelijk')-zin toch al vaak voorop, ook daar waar er geen afhankelijkheid is van een 'dat'. Dat gebeurt zelfs wel, wanneer daardoor theoretisch misverstand mogelijk wordt. Zo b.v. in 7, 38 "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien". Formeel bekeken zou de vergelijkingszin ("gelijk de Schrift zegt") evengoed bij de voorafgaande zin ("Wie in Mij gelooft") als bij de volgende zin (..stromen ..;" ) kunnen behoren. Maar uit de inhoud wordt duidelijk, dat de laatste verbinding de juiste is. Wij zouden, om misverstand te voorkomen, deze zin dan ook liever in deze volgorde neerschrijven: ..Wie in Mij gelooft, uit diens binnenste zullen stromen van levend water vloeien, zoals de Schrift zegt". Maar Johannes geeft er de voorkeur aan zo'n vergelijkingszin vóóraan te zetten.
Die neiging gaat bij hem zóver, dat hij, ook waar er afhankelijkheid van een 'dat' in het spel komt, die 'zoals'-zin graag nog vóór dit 'dat' plaatst. Een op dit punt zuivere parallel voor onze tekst vindt u in 13, 34: ..Een nieuw gebod geef Ik u: A dat gij elkander liefhebt; B gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt".
Ook hier is B - precies als in onze tekst - een uitgebreide herhaling van A, aangevuld nl. met een vergelijkingszin.
A en B hangen ook hier af van een begrip ('gebieden'), dat met het begrip 'vragen' uit ónze tekst hierin overeenkomt: wat men gebied wordt - evenals wat men vraagt - in het Grieks uitgedrukt door 'hina' (hier door de NBG - terecht - vertaald met 'dat').
Maar volgens de grammaticale logica had in B dit 'dat' vóór de zin "gelijk Ik u liefgehad heb" moeten staan. Het staat er echter achter.
Nu, dat is ook in 17, 20-23 in de grondtekst het geval. Het is ondergetekende die maar aanstonds zo brutaal is geweest het 'dat' naar voren te halen. Dat is niet inhoudelijk, maar enkel formeel een ingreep in de tekst; een ingreep die nodig was om de opbouw van de periode zuiver in beeld te kunnen brengen.

Afwisseling bij herhaling
We hebben gezien, dat Johannes periode I tot in alle onderdelen toe herhaalt in periode 11. Toch brengt hij afwisseling aan in de uitdrukkingswijze.
Ik zou op vier punten de aandacht willen vestigen. De eerste twee betreffen de wederkerigheid in de relatie, het derde en het vierde de 'gelaagdheid' in de relatie.

Wederkerigheid
Zowel in de relatie 'Vader-Zoon' als in de relatie 'God-gelovigen' is er blijkens Jezus' woorden sprake van wederkerigheid. De Vader is in den Zoon. Maar ook het omgekeerde geldt: de Zoon is in den Vader. En evenzo: God is (via den Heiligen Geest) in de gelovigen; maar ook: de gelovigen zijn in God.
1. Wat nu die eerste relatie ('Vader-Zoon') betreft, daar zijn de beide 'richtingen' van deze relatie (..Gij in Mij" en "Ik in U") aanstonds onder I genoemd (sub Ba), onder 11verzwegen: Jezus volstaat sub IIBa met te zeggen ..zoals Wij één zijn".
2. Anders staat het met de relatie 'God-gelovigen'. Ten aanzien dáárvan is onder I de ene 'richting' genoemd (..zij in Ons", Sub Bb), onder 11de ándere 'richting' (..Ik in hen en Gij in Mij", wat neerkomt op ..Wij in hen", sub Bb).

De gelaagdheid
3. Uit de laatste aanhaling blijkt, dat er in de verhouding 'God-gelovigen' van een 'gelaagdheid' sprake is. Dat is begrijpelijk. In de verhouding'Vader-Zoon' zijn twee betrokken, in de verhouding 'God-gelovigen', drie, nl. Vader, Zoon en gelovigen.
Nu vervult de Zoon de Middelaarsfunctie.
Het wonen van den Vader in de gelovigen loopt over den Zoon.
En ook omgekeerd: het wonen van de gelovigen in den Vader loopt over den Zoon, Wij krijgen dus deze gelaagdheid:
1) ..zij (de gelovigen) in Mij"; 2) "Ik (op mijn beurt) in U"; met als 'eindresultaat': 3) ..zij in Ons".
En omgekeerd:
4) ..Gij in Mij"; 5) ..Ik (op mijn beurt) in hen"; met als 'eindresultaat': 6) ..Wij in hen".
Nu is ook t.a.v. dit punt in 11 opnieuw variatie aangebracht ten opzichte van I: onder I is wél het 'eindresultaat' uitgedrukt (..zij in Ons"), maar niét de gelaagdheid (..zij in Mij" en "Ik in U"); onder 11 daarentegen is juist andersom wél de gelaagdheid uitgedrukt ("Gij in Mij" en ..Ik in hen"), maar niét het 'eindresultaat' (,,wij in hen").
4. Ook de 'belde onderdelen Be heeft Johannes ten opzichte van elkaar complementair opgezet: in I is de Zoon het onderwerp (..Ik"), in II de Vader ("Gij") 4.

Een flonkerende edelsteen
Zo blijkt, dat de perioden I en II, ofschoon in zekere zin elkaars duplicaat, toch pas samen 'de volle waarheid' vertolken.
In twee hoogst subtiel tegen elkaar uitgebalanceerde perioden verwoordt Johannes hier Jezus' diepste verworvenheid: onze éénheid-door-den-Geest met God. Als een briljant houdt hij dit ondoorgrondelijk geheim op verschillende manieren tegen het licht, zodat we de facetten ervan één voor één op ons kunnen laten inwerken.

"Gij in Mij"
Tenslotte nog dit: van de zes 'relatieaspecten' die ik daareven (onder het kopje 'De gelaagdheid' sub 3) noemde, zijn alleen 2, 3, 4 en 5 uitdrukkelijk vermeld. Twee blijven ongenoemd: de eerste (..zij in Mij") en de laatste (..Wij in hen"). De goede verstaander mag ze zelf atlelden".
Van de vier wél genoemde echter komt er één, t.w. nr. 4 (..Gij in Mij") tweemaal voor; en wel helemaal aan het begin (sub IBa) en helemaal aan het slot (sub IIBb)6. Het "Gij in Mij"
omsluit de reeks.
Toevallig? Bij zoveel opzet, die de structuur van dit gedeelte zo onmiskenbaar vertoont, kan ik dat nauwelijks geloven. Dat in Jezus God zich openbaart, is toch ook het getuigenis dat heel het vierde evangelie domineerrt "Wie Mij gezien heeft, heeft den Vader
gezien ... De Vader die in Mij woont doet zijn werken" (14, 9.10f·

Noten
1 Opbouw I, 389 en 397, 2 Uit I Bb en 11Bb blijkt, zou men zeggen, overduidelijk, dat, als er in deze tekst gebeden wordt, dat ze allen één mogen zijn, het gaat om de eenheid met God, van allen die in Christus geloven, niét direct om de onderlinge eenheid der christenen, Toch heeft voor het bepleiten van dat laatste deze tekst al zo vaak 'moeten opdraven bij theologen en niet-theologen, dat ik er aan twijfel, of de oren nog wel ontvankelijk zijn voor de juiste exegese van Christus' gebed,
3 Overigens in het voetspoor van de uitgaven van de griekse tekst. Er is in de dertig jaren sinds mijn artikel verscheen, op dit punt, voorzover ik kan zien, nog niets veranderd: én Aland én Nestie handhaven in hun tekstuitgaven de traditionele indeling, En wat de vertalingen betreft: Willibrordus, de friese, Anne de Vries I Van Stempvoort, Groot Nieuws, Het Boek, en ook KBS '87 blijven in het oude spoor.
4 Over de verklarende waarde die 'heerlijkheid geven' en 'liefhebben' t.o.v, elkaar hebben, schreef ik reeds in mijn artikel uit '58, p, 397, Wat dat 'liefhebben' betreft, zou ik nog willen wijzen op Op, 3, 9.
5 Overigens had Christus in hoofdstuk 15 uitvoerig gesproken over het "zij in Mij", Het "Wij in hen" was reeds in 14. 23 aan de orde geweest.
6 Om met "Gij in Mij" te kunnen besluiten, heeft Johannes een zekere stroefheid in de uitdrukkingswijze voor lief genomen, nl. "Ik in hen en Gij in Mij" als bijstelling bij "zij", Maar de goede verstaander begrijpt, dat we wat hier staat moeten aanvullen tot "zo ook zij met Ons volslagen tot één mogen zijn doordat Ik in hen woon en Gij weer in Mij",
7 Zeer je moeite waard is wat dr. H,M, Mulder over Joh. 17 te berde bracht in een vijftal artikelen onder de titel 'Naar een eenheid waar je stil van wordt', Opbouw XXVI, de nummers 41-45.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief