Het zoekgeraakte muntstuk

1990-03-16
  • Jaargang 34
  • nummer 6
Centraal staat in deze tweede van een serie van drie gelijkenissen . zowel Gods zoeken van het verlorene als Zijn vreugde over het vinden.
Eraan voorafgaat 'de gelijkenis van het verloren schaap'. Dat ene schaap, dat zoek raakte, verhield zich tot het totaalbezit van de eigenaar als één op honderd; de ene munt, die de vrouw uit deze gelijkenis kwijt raakte, verhoudt zich tot het totaal als één op tien. Erop volgt de "gelijkenis van de verloren zoon" en daarin verhoudt zich de ene tot het totaal als één op twee. Er zit dus een zekere opklimming in: het verlies wordt verhoudingsgewijs steeds groter. Jezus laat in deze drie gelijkenissen zien hoe groot de rijkdom is van Zijn barmhartigheid en liefde, met als bijzondere trekken: de hulpeloosheid van het afgedwaalde schaap en het onvermoeibare geduid van de zoekende herder; het.
vervuilde uiterlijk van het zoekgeraakte muntje en de onverdroten ijver van de zoekende huisvrouw; de diepe ellende van de verloren zoon en de 'opwachtende' liefde van de zoekende vader. Dat zijn trekken, die alleen Hij tekenen kan, die in ware liefde naar deze gelijkenis met ons handelt. In de gelijkenis van 'de verloren penning' ligt de nadruk op de ijver van de vrouw bij het zoeken (een natuurlijke vrouwelijke eigenschap?
Zou daarom hier een vrouw genoemd worden en niet een man?)

Liefde van God
Van de drie gelijkenissen uit Luk. 15 spreekt die van de 'verloren penning' ons het minst aan; het verloren schaap, dat zwervend van honger en dorst omkomt of een prooi wordt van wilde dieren, kan ons vervullen met bewogenheid, een verloren muntstuk doet dat niet; een verloren zoon, één van de twee die de vader bezit, is nog minder met een muntstuk te vergelijken, heel de boerderij weegt in waarde niet tégen de zoon op. Toch is ook deze gelijkenis een antwoord van Jezus op de in het begin van Luk. 15 veroordeelde houding van de Farizeeën en Schriftgeleerden en spreekt ook zij van de zoekende liefde van God jegens zondaren. Die ene schelling moet en zal worden teruggevonden! Het ene, de enkeling heeft waarde voor God: Als God gaat tellen, rekent Hij niet alleen maar met honderd- of tientallen, maar voorst ook met enkelingen.
Wij kunnen 0:1S nogal eens blindstaren op getallen, wij zien de dingen graag massaal: Een grote beweging, zoveel mogelijk mensen bij elkaar, ook in de kerk! Maar voor elkaar zijn en blijven we vaak nummers, gevallen, zoals de half-dood geslagen man uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan voor de priester en de leviet een nummer bleef, terwijl ze hun eigen nummer (één) en eigen geval zwaarder vonden wegen; maar de Samaritaan zag de gewonde man vooral als een mens die dreigde ten onder te gaan.
Zo taxeert ook God, zo ziet Hij u en mij en zo zoekt Hij ons en brengt Hij ons in Zijn liefde thuis. Hij geeft het allerbeste van Zichzelf voor de allerslechtsten: Dat is echte liefde.

Waardevol
Er bestaat een mening die het ijverig zoeken van de vrouw in de gelijkenis verklaart uit de Omstandigheid dat de schelling zou behoren tot het bruidssnoer dat ze had meegekregen van haar ouders bij haar huwelijk en dat door het verlies van die ene schelling geschonden is en dus (een deel van) zijn waarde verloren heeft. Afgezien van de vraag of deze verklaring aannemelijk (te maken) is, is het duidelijk, dat de schelling op zichzelf al een grote waarde voor de vrouw had: hij vertegenwoordigt immers een tiende van het bezit van deze vrouw, die vermoedelijk niet tot de rijken behoort: een schellingdrachme, staat er met een griekse naam - is in waarde gelijk te stellen met een denarie, d.i. een romeinse munt, en dat is blijkens Matth. 20 (de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard) het dagloon van een arbeider. Hoe het ook zij, blijkbaar is deze vrouw zeer gehecht aan haar bezittingen en wie zou dat niet zijn, als hij of zij niet rijk is en dan toch een tiental muntjes heeft! Ze heeft er dan ook een vuil werkje voor over om haar schelling te vinden: ze veegt de lemen vloer van haar woning aan, waarop ook het vuil ligt dat . de huisdieren daar achterlaten.
Hier zijn we het kenmerkende van deze tweede gelijkenis uit Luk. 15 op het spoor: Het gaat hierin vooral over de waarde, die God hecht aan Zijn volk en aan de afzonderlijke leden van dat volk, en over Zijn droefheid, als mensen van dat volk voor Hem verloren gaan. De Farizeeën en Schriftgeleerden beschouwden tollenaren en zondaren als de waardeloze zelfkant van dat volk, als de schare die de wet niet kent en vervloekt is, maar Jezus zag en behandelde hen als leden van Gods uitverkoren volk, als kinderen van Abraham, zoals Jezus zegt t.a.v. Zacheüs in Luk. 19, tot wie Hij gezonden is om hen voor God te behouden, want God wil niet dat er één voor Hem verloren gaat. Hij wil niet God zijn zonder kinderen, Hij wil dat ze in Zijn verbond blijven en niet voor Zijn dienst verloren gaan. En 'verloren' is in dit verband niet alleen maar: "straks een prooi van het verderf", maar ook: "waar God niets meer aan heeft", vervallen van de hoge plaats, waarop God die mens gesteld had. Jezus is de door God gezondene om wat voor God verloren dreigt te gaan voor God te behouden.
Dat zoeken van God betekent offers: Het kost God Zijn Zoon, het kost die Zoon Zijn rijkdom (2 Cor. 8:9) en Zijn leven aan het kruis. Zoveel waarde hecht God aan het behoud van Zijn kinderen.

Blijdschap
Als het zoeken van de vrouw succes heeft, is ze niet alleen blij, maar geeft ze aan haar blijdschap ook uiting door haar omgeving samen te roepen. Er is blijdschap bij de engelen die het heilswerk van God met hun lofprijzingen begeleiden, zoals bv. in de kerstnacht en meer nog is er blijdschap bij de Here God zelf, als verloren kinderen bekeerd en behouden worden. Die blijdschap van God moeten we maar heel reëel nemen, zoals de Bijbel ook heel reëel spreekt over Gods droefheid en teleurstelling bij zonde en afval, zoals in Gen. 6, waar God n.a.v. het boze gedrag en bedenken van de mensen, verdriet blijkt te hebben van het feit, dat Hij de mens gemaakt had, en in Jes. 5, waar in het lied van de wijngaard Gods teleurstelling over het gedrag van Zijn volk wordt geuit. De blijdschap van God wordt zelfs gewekt door één zondaar, die behouden wordt.
De heerlijkheid van God is niet alleen maar Zijn macht in schepping en voorzienigheid, maar is vooral ook Zijn ontfermende liefde, waarin Hij ook de enkeling in het oog heeft en het is vreugde voor Hem, als ook die enkeling gevonden wordt en terecht komt.

Waarschuwing
Deze vreugde van de Here God, van Christus en van de engelen is een waarschuwend voorbeeld voor de Farizeeën en Schriftgeleerden, maar is tegelijk ook een voorbeeld ter navolging voor de gemeente van Christus vandaag als geheel en voor elk van haar leden. Er hoort oprechte droefheid te zijn als iemand dreigt verloren te geraken, maar tegelijk ook daadwerkelijke echte liefde, die zoekt en nodigt en dan ook vreugde als het verlorene terecht komt. Maar laten we die blijdschap niet gaan temperen, door steeds maar te keuren en te willen proeven of te eisen dat een terechtgekomene eerst maar eens moet bewijzen, dàt en wanneer er verandering kwam!
Anderen én onszelf mogen we het altijd weer voorhouden: Wij zijn God heel wat waard. Hij heeft Zijn eigen Zoon voor ons over gehad.

Noot:
Ook het art. 'Het program van Christus' lijden' in het nummer van 2 maart was van de hand van ds. Brands.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief