Gerefonneerd blijven (2 slot)

1990-03-16
  • Jaargang 34
  • nummer 6
De lezer zal zich herinneren dat ik 'buiten-verbandstelling', waarbij een classis, particuliere of generale synode atçevaardtqden van kerken niet meer ontvangt, een rechtshandeling heb genoemd die tuchthandeling is en die neerkomt op excommunicatie.
Nu had ik mij eerder, in een interview van het Nederlands Dagblad, op overeenkomstige wijze uitgelaten.
Dat interview was onderdeel van een serie, die in het kader van ontmoetingen tussen Nederlands en vrijgemaakt gereformeerden stond en die bij Uitgeverij De Vuurbaak onder de titel 'In Gesprek' is verschenen.
Ik heb toen gezegd: Wij zijn niet door de Dordtse Kerkorde buiten het verband gekomen, maar door het zogenaamde doleantie- of weg roepingskerkrecht.
Daarmee werd art.
31 feitelijk buiten werking gesteld.
Daar moeten wij over spreken als we elkaar willen vinden. En dan komt het met de regels best in orde.
Maar het verdrietige is, dat de vrijgemaakten niet lijken te begrijpen wat het voor ons allemaal heeft betekend.
Laat ik het eens persoonlijk zeggen: mij is door de vrijgemaakte kerk van Heerenveen de avondmaalsgemeenschap geweigerd. Ons is geweigerd de doop van onze kinderen.
Ik ben met mijn gezin losgeknipt van ons zendingsveld, waar mijn vrouw heel veel voor deed.
Wij zijn niet buiten het verband geraakt, zoals in de vrijgemaakte pers wordt gezegd, maar we zijn er buiten gesteld. Dat komt neer op excommunicatie".
Uit reacties bleek mij, dat mijn woorden door sommigen verkeerd, zelfs tegen de bedoeling in, werden begrepen, waarom ik aan de redaktie van het Nederlands Dagblad schreef: "Ik heb niet gezegd of willen zeggen, dat ik met mijn gezin bij afzonderlijke daad van de kerkeraad van de sacramenten uitgesloten zou zijn (-). Ik sprak erover, hoe wij dat wegroepen en buitenverbandstellen hebben beleefd".
De redaktie gaf dit aan de lezers door, maar liet daarbij helaas het woord 'afzonderlijke' weg.

Als kerkleden worden opgeroepen zich niet langer onder opzicht en tucht van hun ambtsdragers te stellen, dan worden die ambtsdragers feitelijk afgezet, dat lijkt mij onbetwistbaar.
Hun dienst is toch een dienst in relatie tot de gemeenteleden waarover zij gesteld zijn?
Impliciet wordt de gemeenschap van brood en wijn geweigerd aan die kerkleden, die aan de oproep geen gehoor gaven. Woord en sacramenten worden in een gereformeerde kerk immers ambtelijk aan de gemeente bediend. Er komt dan ook een ambtelijk geregeerde kerk naast de bestaande. Het door meerdere vergaderingen niet-ontvangen van de oude afvaardiging, samen met het wel-ontvangen van de nieuwe, vormt tenslotte de kerkverbandelijke bezegeling van de plaatselijke wegroeping.
Het gebeuren is zo verbijsterend, omdat het om de oefening van de gemeenschap aan het sterven en de opstanding van onze Heer Jezus Christus gaat.
Over deze dingen schrijven is een vreugdeloze zaak. De scheuring van twintig jaar geleden is een trauma.
Zwijgen is dikwijls goed, maar niet altijd. Er is ook een plicht tot verantwoording, zeker tegenover de generatie die komt.

Hoe staan nu, na twintig jaar, broeders die aan 'wegroeping' en 'buitenverbandstelling' leiding hebben gegeven, tegenover de geslagen breuk? In het interview van het Nederlands Dagblad vond de heer D. Smilde uit Heerenveen aanleiding om te reageren met-een 'ingezonden', dat in de genoemde Vuurbaakuitgave ook opgenomen werd. Hij was in 1970 mede-ouderling en riep toen de gemeente op "de zondige weg, die de meerderheid van de kerkeraad gaat, niet te volgen maar de rechte kerkgemeenschap te herstellen op basis van Schrift en Belijdenis"
waartoe "afzonderlijke diensten zullen worden gehouden".
Hij schrijft: "De heer Huizinga bedoelt waarschijnlijk dat door de bewuste afwijzing door hem en zijn medeambtsdragers van de besluiten van Amersfoort-West en Hoogeveen, wat schriftelijk aan de classis Drachten werd bevestigd, er een breuk ontstond met die mede-ambtsdragers die de besluiten wel aanvaardden en niet wilden breken met de vrijgemaakt Gereformeerde Kerken".(-).
"De term excommunicatie die door de heer Huizinga is genoemd, is zwaar geladen. Hij gebruikt dat woord, maar achttien jaar geleden hebben we moeten vaststellen dat er een andere weg werd gekozen dan voorheen door hen die zich later Nederlands Gereformeerd noemden, en dat we niet konden meegaan op dat spoor".
Ik had zo gehoopt dat er, gegeven de ernst van de uitgesproken oordelen en de gevolgen daarvan voor de oefening van de geloofsgemeenschap, iets van een heroverweging op gang zou komen bij hen die deze oordelen uitspraken en uitvoerden.
Immers, achttien, twintig jaar lang is ook de Nederlands gereformeerde kerk van Heerenveen gemeente van Jezus Christus geweest en dat op gereformeerde wijze, in overeenstemming met de confessie. Er is gepreekt, geluisterd, gebeden, avondmaal gevierd, gedoopt en begraven 'in de HEERE'. Een ieder kan dat weten. Maar daarvoor heeft men, als het buiten de eigen binnenverbandse kring gebeurt, kennelijk geen oog. En ik vraag mij af, denkende aan de kerkstrijd van de veertiger jaren en daarna, of wij vrijgemaakten in onze strijdsituatie, voor wat er buiten de eigen kerkelijke kring gevonden werd aan geloofsgehoorzaamheid, doorgaans ook niet te weinig oog hebben gehad.

Ook prof. J. Kamphuis reageerde op het Nederlands Dagblad interview en wel met een artikel in het weekblad 'De Reformatie' (jrg. 63/37). Het 'ingezonden' van de heer D. Smilde nam hij daarin onverkort op.
De kritiek die over mijn hoofd wordt uitgestort is niet gering. Ik maak mij schuldig aan "de vlucht uit het concrete"
en "de vlucht in het gerucht", aan "het uit het zicht doen verdwijnen van de feitelijke stand van zaken in de kerk" en aan "vergaande vertekening van de feiten".
En dat alles omdat ik had gezegd: "Mij (en met mij alle broeders en zusters die buiten het verband werden gesteld) is de avondmaalsgemeenschap geweigerd, buitenverbandstelling komt neer op excommunicatie".
Ik kan deze kritiek niet begrijpen.
Dat het wegroepen uit de dienst van de ambtsdragers, het beleggen van afzonderlijke kerkdiensten en het niet-ontvangen van afgevaardigden weigering van de avondmaalsgemeenschap betekent is een objectief, in de aard van die kerkelijke
(rechts)handelingen gelegen feit. Die handelingen werkten ook zo uit en dat achtte men noodzakelijk.

Nu beroept prof. Kamphuis zich op de brief die de classis Drachten van 27 febr. 1970 stuurde aan de kerkeraad Heerenveen, wier afgevaardigden zij niet ontving. Daarin stond: "Hoe moet het de Here Jezus Christus verdrieten, broeders, dat U de gemeenschap der Kerk verbreekt door die met zulke kerken en zulke ambtsdragers, die van Schrift en belijdenis afwijken of die afwijking tolereren, te zoeken. Wij konden U daarom niet ontvangen. Dat betekent niet, dat wij U buiten het Koninkrijk der hemelen gesloten hebben. Doch U hebt de band met Uw zusterkerken, de band met de Gereformeerde Kerken, verbroken. Wij hebben U niet geëxcommuniceerd. Doch U bent zich op een dwaalweg gaan begeven". "Wij hebben U niet geëxcommuniceerd, maar U hebt de band verbroken", daar komt het op neer. Wellicht kan men dat zo zeggen als het in engere zin gaat over de vraag door wiens toedoen de breuk noodzakelijk werd. Maar dan zal in één adem gezegd moeten worden: "Wij hebben U geëxcommuniceerd, want U hebt de band (aan het gemeenschappelijk geloof en dus aan de broeders en zusters) verbroken. Een kerkelijke tuchthandeling schept jegens de zich verhardende zondaar geen wezenlijk nieuwe situatie. Excommunicatie bevestigt en maakt zichtbaar dat zonde de gemeenschap reeds deed ophouden te bestaan.
Als ik inzake wegroepen en buitenverbandstellen zeg: "Wat U deed komt neer op excommunicatie", dan beklaag ik mij erover, als een de gemeenschap der kerk onwaardigezondaar bejegend te worden en dan moeten zij die de tucht oefenen niet zeggen: "Wij hebben U niet geëxcommuniceerd".
Beslissend is de vraag, of van verharding in grove zonde werkelijk sprake was of niet, of de excommunicerende tuchtoefening terecht was of niet. Dáár ligt het conflict en niet bij de vraag naar de aard van de tuchtoefening zelf. Willen we er samen over spreken, dan moeten we de ernst van het excommunicèrend karakter aan de rechtshandelingen eigen, maar niet ontvluchten door die te reduceren tot de subjectieve, emotionele beleving van een getuchtigde, zoals prof. Kamphuis doet.

Die ernst is heel concreet. Die maakte ook, dat de kerke raad van Heerenveen de synodebesluiten betreffende de Noord Hollandse kerken en haar ambtsdragers niet voor zijn rekening durfde nemen. Zo schreef de kerkeraad van Heerenveen aan de classis Drachten, die, zijn afgevaardigden tenslotte niet ontving: "De wezenlijke strekking van de buiten-verband-stelling mogen wij U noemen met de woorden van wijlen prof.dr. S. Greijdanus, die ons nog onlangs onder ogen kwamen. Zij zijn te vinden in zijn brochure 'Over Gereformeerd Kerkrecht'. Hij schreef daarin op pag. 26: "In het uiterste geval kunnen meerdere vergaderingen het verband met die bepaalde kerk verbreken, en de gemeenschap met haar opzeggen, of verklaren, dat die of die kerk de gemeenschap of het verband verbroken heeft. Dat is ook excommunicatie, evenals het 'zo zij hij U als de heiden en tollenaar' van Matth. 18:17 ten aanzien van de enkele persoon".
Buitenverbandstelling is maatregel van excommunicerende tucht en alleen gewettigd bij verharding in grove zonde. De belijdenis, kerkorde en kerkelijke formulieren dragen die norm aan. Welnu, z6 kenden wij de broeders en zusters met hun ambtsdragers in Noord Holland niet. We bleven die houden voor wat zij waren: dienaren van Jezus Christus en we zochten rechtsherstel in de weg die de kerkorde aanwees, die van art. 31 namelijk. Dat was nu de "andere weg waarvoor wij kozen" om met de woorden van de heer D. Smilde te spreken. Het gevolg was, dat ook wij, kerk van Heerenveen, buiten het verband werden gesteld.
Zo heeft men ons recht van beroep ons ontnomen.

In de brief die de classis Drachten van 27 febr. 1970 aan de kerke raad van Heerenveen stuurde toen zij die kerk buiten het verband stelde en waarop prof. Kamphuis zich in zijn Reformatie-artikel beroept, komt ook de volgende passage voor: "Denkt toch, broeders, om de arme schapen, die aan Uw zorg zijn toevertrouwd.
Waar leidt U hen heen? U ziet toch voor Uw ogen, dat de buiten het verband staande kerken al meer en meer afdwalen van de Schriften?"
Dat was 1970. We zijn nu twintig jaar verder en we kunnen weten waarheen de schapen geleid zijn. Laat ik het nog eens wagen persoonlijk te spreken: In die twintig jaar zijn mijn ouders vanuit die gemeente christelijk begraven en zijn mijn kleinkinderen in die gemeente christelijk gedoopt; dat zijn vier generaties. God is trouw, Hij geeft continuïteit.
Daarin vinden wij ook de leidraad voor ons toekomstig kerkelijk handelen.
We behoeven niet nerveus op zoek te gaan naar onze identiteit, niet krampachtig te proberen ondanks ons kleine getal een wat opvallende plaats op de kerkelijke staalkaart te veroveren, geen theologische vondsten te doen en geen nieuw kerkrecht te bedenken.
We mogen eenvoudig blijven doen waartoe we geroepen zijn: onderwijzen uit het Woord, op elkaar toezien, naar elkaar omzien. Dat is ook de beste manier om de kinderen te leren wat een voorrecht het is, in de gereformeerde traditie te staan. Een eerste vrucht daarvan is herkenbaarheld.
binnen het Nederlands gereformeerde kerkverband en daarbuiten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief