Persschouw
1990-03-16
De nood van de kerk is de nood van de prediking- Jaargang 34
- nummer 6
In het 'Hervormd Weekblad' schreef Ds. H.C. v.d. Meulen te Hoogeveen een artikel onder de titel: "Wat mag u van de predikant verwachten?" Hij gaat daarbij nader in op een desbetreffend themanummer van 'CREDO' - het orgaan van het Confessioneel Gereformeerd Beraad in de Geref. kerken in Nederland. Daarin schreef ds. G. den Hartogh, gereformeerd predikant te Silvolde en Gendringen een stuk over: Geloof in theorie en praktijk. Het ging in die bijdrage over kerk en theologie, wetenschap en geloof. De bewuste predikant kraakt nogal wat kritische noten betreffende de opleiding aan de Theologische Universiteit te Kampen (Oudestraat). Ik kan dat niet beoordelen.
Wat ik zèlf van Prof. Or. K. Runia heb mogen leren via doctoraal-colleges, tentamens en gesprekken heeft mij destijds bijzonder geïnspireerd niet alleen in het kader van een theologisch bezigzijn, maar ook in verband met het nadenken over praktische geloofsvragen.
Ik denk daaraan met vreugde en dankbaarheid terug.
Hoewel mij dat niet verhindert de klachten van Ds. den Hartogh serieus te nemen als hij het mede heeft over de ontwikkeling van de kerken, die hij als predikant dient.
Ds. v.d. Meulen beëindigt zijn bijdrage waarin hij uitvoerig aan één en ander aandacht besteedt als volgt: Toen ik met dit artikel bezig was, las ik in Trouw (18 december jl.) een stuk van Okke Jager, getiteld: "Gelooft de dominee zelf nog wel?" Dr.Jager schrijft daarin, dat - uit reactie op vroeger, toen dominees m.b.v. vertoning, retoriek en preektoon hun preek afstaken - vooral jonge dominees in onze tijd in het andere uiterste vervallen. Zo is een anti-preektoon in de plaats van de preektoon gekomen. "De preek wordt dan zoiets als een praatje met de buurman over de schutting. Haperend spreken moet integriteit verbeelden.
Stuntelen wordt een betoon van bescheidenheid. Om er niet stralend uit te zien als iemand die een troon of een voetstuk gaat bestijgen, loopt de dominee gebogen naar de preekstoel, alsof hij het schavot beklimt.
Aarzelend groet hij de gemeente, alsof een leraar met een ordeprobleem een klas begroet die hij liever ziet gaan dan komen. Hij kijkt de kerkgangers niet in de ogen, omdat dat zo uitdagend zou lijken.
Nooit spreekt hij met stemverheffing, omdat hij geen zelfverzekerde indruk wil maken. Hijzelf weet het ten slotte ook allemaal niet meer zo goed." "Uit reactie tegen de predikant die als regie-aanwijzing in de kantlijn van zijn preek schreef "hier stem verheffen, argument is zwak", laat hij alle regie-aanwijzingen achterwege.
Hij heeft geen roeping meer, maar een beroep. Hij is zakelijk in zijn tijdsindeling, in zijn woordkeus, in zijn Schriftuitleg. Hij volgt het voorbeeld van zijn leermeesters, die hun wetenschappelijk werk niet meer beleven als hun liefhebberij die zo waar nog betaald wordt ook, maar die klokslag vijf uur de deur van hun werkkamer achter zich dichtdoen."
Jager tekent hier een karikatuur, zoals hij zelf ook opmerkt. Maar dat verheldert. Wie de preektoon afwijst en zich een anti-preektoon aanmeet, heeft ook een preektoon: een dode.
Vroeger werden de hoorders wel bespeeld en overspeeld. Nu dreigt het omgekeerde: de spanning is afwezig. De overspanning is verruild voor gebrek aan spanning. Het gebeuren lijkt op die beruchte wedstrijd tijdens een WK-voetbal, waarin Duitsland en Oostenrijk elkaar vrijblijvend de bal toespeelden,omdat ze vooraf wisten dat een gelijkspel beide ploegen een ronde verder zou brengen. "Bloed en vuur" zijn ingewisseld voor bloedeloosheid en berusting. "De kerkgangers worden niet meer overweldigd: dat is winst.
Maar die winst slaat om in verlies, als zij nu ook niet meer geráákt worden. Dan verzuchten ze: ik mis de warmte van vroeger. Of: gelooft de dominee het zelf nog wel? Die vraag kàn de kritiek zijn van mensen die terughunkeren naar een autoritaire voorganger, die zijn hoorders de moeite van het zelf-nadenken bespaart - of naar de tegelijk bevroren en smeltende glimlach van evangelisten, die blijmoedigheid uitstralen als keurmerk van hun geloofskracht.
Maar dat hoeft niet. Het kan ook een gezond verlangen zijn naar een prediker, die zégt waar hij voor staat en die stáát voor wat hij zegt."
Iemand zei pas tegen mij, dat het uiteindelijk om drie dingen gaat bij de verkondiging van het evangelie van Christus: de kern (inhoud), de verpakking (taal en stijl) en de voordracht (hoe wordt het geheel gebracht).
Hieraan zal steeds alle aandacht moeten worden besteed. AI zijn we ons bewust, dat elk vogeltje zingt zoals het gebekt is en een optimale verkondiging nooit het judicium: volmaakt zalontvangen.
De Geest hanteert een zwak mens vol zonden en gebreken als zijn instrument en doet dwars door alles heen op zijn tijd en manier zijn werk door effekt te verlenen aan de trouwe Woordverkondiging.