Op weg naar 1992
1990-03-16
Vragen over ons kerkverband- Jaargang 34
- nummer 6
In dit slotartikel wil ik nog reageren op wat de Chr. Geref. Synode van Groningen heeft uitgesproken m.b.t. ons kerkverbandelijk samenleven.
De synode constateerde "dat er ... vragen gerezen zijn ten aanzien van het functioneren van het Akkoord van kerkelijk samenleven". Ze was van oordeel "dat de gerezen vragen ten aanzien van het functioneren van het Akkoord om een nadere bespreking vragen". En ze sprak derhalve uit dat in het voortgaande gesprek tussen onze kerken "de vragen met betrekking tot het Akkoord nu ook uitvoeriger betrokken dienen te worden".
De hierboven genoemde bedenkingen hebben, gezien het rapport van Deputaten aan de synode, te maken met bepaalde zaken die in onze kerken voorkomen, zoals het toelaten van kinderen aan het avondmaal, de openstelling van de ambten voor zusters en bepaalde publicaties van enkele predikanten. In de samensprekingen met onze Kommissie voor Kontakt en Samenspreking werd gevraagd of het Akkoord van Kerkelijk Samenleven (AKS) dat toelaat. En of, als dat inderdaad het geval is, het AKS dan wel een goede regeling is.
In verband daarmee wil ik het volgende opmerken. Ik denk allereerst, dat we als Ned. Geref. Kerken ons moeten realiseren, dat onze kerkverbandelijke struktuur niet erg doorzichtig is. Ons AKS gaat duidelijk van twee niet eenvoudig te verenigen gedachten uit.
Er zijn bij ons kerken, die van harte zich verplicht hebben tot een kerkordelijk geregelde manier van samenleven.
Zij erkennen, dat er sprake is van een bijbelse roeping elkaar bij te staan in praktische zaken, maar ook om elkaar te dienen in het waarschuwen tegen en het terugdringen van afwijkingen van het heilzame Woord van God. En een K.O. kan naar het gevoelen van de overgrote meerderheid van onze kerken aan het vervullen van deze roeping dienstbaar zijn. Vandaar dat zij het AKS hebben aanvaard.
Een kleine groep van kerken echter heeft het AKS niet willen aanvaarden.
Niet omdat zij geen kontakt willen oefenen met de andere kerken of omdat zij koste wat het kost op zichzelf willen blijven staan uit independentistische motieven. Maar omdat ze geen heil zien in een uitgewerkte regeling van een dergelijk kontakt. Ze zijn beducht geworden voor een formalisering van het kerkverband.
En dat heeft, zoals bekend mag zijn, alles te maken met het recente verleden van de jaren '60, toen onze kerken buiten het verband van de Geref. Kerken (vrijgemaakt) werden geplaatst. Via de meerdere vergaderingen kregen plaatselijke kerken meer dan eens te maken met twisten, die binnen de eigen gemeente helemaal niet aan de orde waren. De kerkelijke organisatie werd tot een geleidesysteem van conflictstoffen.
Dat heeft een minderheid van kerken binnen ons verband gebracht tot de overtuiging, dat het kerkelijk samenleven alleen maar onheil heeft te verwachten van een min of meer gedetailleerde kerkenordening.
Twee-sporen-beleid
De twee genoemde standpunten zijn nauwelijks op één noemer te brengen.
Toch hebben we elkaar niet willen loslaten, omdat we elkaar bleven (h)erkennen als kerken van Christus. En hoewel er onder ons dus verschil van mening is over de vraag of een kerkorde al of niet tot het wél-wezen van de kerk behoort, we zijn eensgezind van gevoelen dat ze niet tot het wézen van de kerk behoort. D.w.z. een kerkverband kan gebaat zijn bij een uitgewerkte kerkorde, maar ze staat of valt er niet mee!
Daarom hebben onze kerken elkaar kunnen vinden in de Preambule van ons AKS, waarin ze aan elkaar beloven "zich aan het Woord van God en aan de belijdenis van de kerk van alle eeuwen te houden. Zij verklaren in dat belijden van de Waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar eenheid en de grond voor haar samengaan te vinden."
Daarom is ook in de Preambule uitgesproken "dat het al of niet aanvaarden van het kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen de gemeenten die één zijn in geloof en belijden."
Graag roep ik in herinnering, dat blijkens de Akta van de Synode van 1986 Prof. v. 't Spijker, ondanks bepaalde bedenkingen, het AKS een Gereformeerde Kerkorde heeft genoemd, "zoals blijkt uit het feit, dat de kerken elkaar vinden op de basis van Schrift en Belijdenis, evenals uit het feit, dat dit Akkoord ruimte maakt voor de prediking van het Woord."
Nu is het waar, dat met name de kerken, die zich niet rechtstreeks aan het AKS gebonden hebben, in bepaalde opzichten afwijken van het algemene patroon, b.v. ten aanzien van de toelating van kinderen tot het avondmaal en van de openstelling van de ambten voor de zusters. Dit gebeurt ondanks het feit dat in de Preambule hun is verzocht om "zich zoveel mogelijk te richten naar hetgeen met de meeste stemmen goedgevonden wordt".
Daar komt nog eens bij, dat ook sommige kerken die het Akkoord wel hebben aanvaard, toch besluiten nemen en uitvoeren, die niet in overeenstemming zijn met wat landelijk is afgesproken. Men doet dat dan met een beroep op art. 34 van het AKS. Niet alleen buiten, ook binnen onze kerken heerst daarover verontrusting.
En ik meen, dat het gesprek over deze zaken geenszins uit de weg mag worden gegaan.
Gemeenschappelijke zaak
Wanneer nu van Chr. Geref. zijde over onze kerkelijke omgangsvormen kritische vragen worden gesteld, zijn wij verplicht ons hun bezorgdheid aan te trekken. En alle suggesties die zij doen om op een christelijke wijze met de genoemde verschillen in kerkelijke praktijk om te gaan, mogen wij niet geprikkeld afwijzen, maar we hebben dat dankbaar te aanvaarden als een broederlijke handreiking.
Maar laat men dan wel bedenken, dat de onderhavige problematiek niet alleen binnen ons kerkverband speelt, maar dat het een gemeenschappelijk vraagstuk is. Immers, ondanks het feit dat de Chr. Geref. Kerken leven naar de regel van de Dordtse Kerkenordening en ze zich verplicht hebben die na te leven, gebeurt het ook bij hen, dat van genomen synodebesluiten wordt afgeweken.
Zo zijn er b.v. Chr. Geref. Kerken waar, in afwijking van wat landelijk is afgesproken, zonder enige omschreven selectie wordt gezongen uit het Liedboek voor de Kerken.
In andere gemeenten meent men er mee te kunnen volstaan, dat doopleden belijdenis doen van de waarheid.
In onderscheid van het belijdenis doen van geloof houdt dit in dat je wel objektief gelooft dat de Bijbel Gods Woord is en dat Christus als Zaligmaker voor de Zijnen gestorven is. Maar je hoeft dan nog niet subjektief te belijden, dat je ook zelf tot de Zijnen behoort en dat Hij ook voor jou is gestorven en opgestaan. Pas wanneer je van dat laatste zeker bent doe je belijdenis van je geloof.
En dat doe je, door dan pas deel te nemen aan het Avondmaal. Zo'n eerste avondmaalsgang is een echte gelóófs-belijdenis. Het is een onderscheid dat zich met het officiële belijden van de Chr. Geref. Kerken niet verdraagt en dat ook niet door de kerkelijke regels wordt gesanctioneerd.
Maar toch wordt dit binnen het verband van Chr. Geref. Kerken getolereerd. Ten overvloede kan ik in dit verband nog eens wijzen op wat ik in mijn vorige artikel al noemde, nl de praktijk van 'gesloten kansels' voor predikanten uit het eigen kerkverband vanwege een verschil in de leer, zonder dat daar kerkrechtelijk konsekwenties uit getrokken worden.
Waar liggen de grenzen?
Zoals ik twee weken geleden ook al schreef, ik noem deze dingen niet om te stoken of om iets terug te willen zeggen op beschuldigingen aan ons adres. Ik heb alleen willen duidelijk maken, dat met of zonder de D.K.O. er een zoeken en tasten blijft naar de grenzen van het kerkverband.
Wanneer moet helder en klaar de band met enkelingen of gemeenten om Christus' wil worden doorgesneden?
In onze kerken is er een groot verlangen om zo lang mogelijk met elkaar verder te gaan. De kerkgeschiedenis heeft maar al te vaak getoond, dat conflicten ontaardden in ordekwesties, waarin een formeel beroep op de regels en niet op de Schrift zelf. het laatste woord was.
Ons AKS, inclusief de Preambule, is' dan ook een poging om een klimaat te scheppen van broederlijke liefde en wederzijds begrip. We huiveren ervoor terug om bij het openbaar worden van afwijkende gedachten of gedragingen te weerstaan in het begin, d.w.z. onmiddellijk maatregelen te nemen. We kiezen liever de weg van gesprek bij de open Bijbel, zolang niet helder en klaar sprake is van een aperte aanval op het evangelie en een bewust daarin volharden.
Een dergelijke houding laat ruimte voor spanningen. Je kunt er onrustig van worden wanneer anderen dingen zeggen of doen, die naar eigen overtuiging op z'n minst vragen oproepen naar het Schriftuurlijke gehalte ervan. Het is ook veel overzichtelijker wanneer men in woord en gedrag zo veel mogelijk een uniform patroon vertoont. En je weet inderdaad niet altijd, waar het op uit kan lopen. Een kleine afwijking van het spoor kán uitgroeien tot een onmiskenbare dwaling.
Maar de geschiedenis van '44 en van '67 heeft ons geleerd, dat je ook veel te vroeg kan zijn met het nemen van maatregelen. Daarom hebben onze kerken in art. 31 AKS afgesproken geduld met elkaar te hebben en samen de tijd van God te verwachten waarin Hij de weg duidelijk zal maken.
En aan onze Chr. Geref. gesprekspartners zou ik willen vragen of dit niet een houding is, die juist hen zou moeten aanspreken? Het Chr. Geref. kerkverband is in de loop der jaren nogal eens geprezen om de wijze, waarop men ondanks diep ingrijpende verschillen onderling de eenheid weet te bewaren. Kunnen zij juist niet verstaan wat ook ons beweegt in dezen?
Daarom herhaal ik, dat wij zeker open moeten staan voor kritiek van hun zijde op onze kerkelijke omgangsvormen.
Maar wij hebben er moeite mee wanneer dit een punt is, waarover wij verantwoording hebben af te leggen alvorens tot nadere samenwerking te kunnen komen. We hebben er moeite mee wanneer wij op dit punt voor de zoveelste keer in de beklaagdenbank terecht komen.
Want nogmaals, het gaat om een gemeenschappelijk probleem. Ieder in eigen kerkverband én in ons gesprek met elkaar staan wij voor de vraag: Waar liggen de grenzen van Christus' kerk? Wànneer kan en moet gezegd dat we om Christus' wil niet langer of nog niet één geloofsgemeenschap mogen vormen?
Zo zijn we op weg naar 1992. Zullen dan op de Synode van Apeldoorn de Chr. Geref. Kerken tonen ware erfgenamen van de Afscheiding te zijn, zoals zij in 1892 pretendeerden?
Zullen zij dan ernst maken met wat in 1834 is uitgesproken in de Acte van Afscheiding of Wederkeering, toen de kerke raad van Ulrum verklaarde ..gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar woord gegronde vergadering, aan wat plaatze God dezelve ook vereenigd heeft.. ." ? God geve het!