Ex Libris
1990-03-30
Martinus Nijhoff (voor aandachtige lezers)- Jaargang 34
- nummer 7
HET LIED DER DWAZE BIJEN
Een geur van hoger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hoger honing
verdreef ons uit de woning.
Die geur en een zacht zoemen
in het azuur bevrozen,
die geur en een zacht zoemen,
een steeds herhaald niet-noemen
ried ons, ach roekelozen,
de tuinen op te geven,
riep ons, ach roekelozen,
naar raadselige rozen.
Ver van ons volk en leven
zijn wij naar avonturen
ver van ons volk en leven
jubelend voortgedreven.
Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve de dood verduren.
Steeds heviger bezweken,
steeds helderder doorschenen,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teken,
stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen. -
Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
huiswaarts omlaag gedwereld,
het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tussen de korven.
1926. M. Nijhoff
Uit: 'Nieuwe Gedichten', 1934.
('Verzameld Werk' I, Daamen
N.V./Van Oorschot).
"Nijhoff is geen christelijke dichter", stond in Trouw. Gelukkig konden we ook lezen: "Er zijn interessantere maniefen om Nijhoffs werk te benaderen dan via de vraag of het wel of niet een christelijk karakter heeft."
Daarom stel ik de lezers van Opbouw voor zich eens te verdiepen in het gedicht dat hierboven is afgedrukt: Het lied der dwaze bijen. Misschien vindt u dat wel interessant.
Alleen: een goed gedicht vraagt aandacht. Als u haast hebt, kunt u daarom beter eerst iets anders gaan doen; legt u deze bijdrage dan maar zo lang op zij.
Allereerst laten we de titel tot ons doordringen: het is een lied ván de dwaze bijen, niet óver hen. Zij zingen dit lied zélf. Of zij zichzelf 'dwaas' vinden, wordt pas duidelijk, als we het gedicht lezen.
In regel 2 is sprake van de bloemen.
De bekende bloemen dus. Maar in regel 1 staat een geur: een of andere, niet precies aangeduide, ónbekende geur dus. Bij hoger honing ontbreekt het lidwoord helemaal: het is volkomen vaag, onbekend, wat voor een honing dat is.
En hoger, wat is dat? Het kan letterlijk gebruikt worden: hoger dan waar wij zijn, ergens ver weg. Maar ik denk ook aan zoiets als hogere kwaliteit, een honing die alle andere honing te boven gaat.
De tweede regel geeft problemen.
Wat is 'verbitterde'? Dat woord gebruiken we meestal in figuurlijke zin: iemand is verbitterd geworden.
Maar die betekenis kunnen we hier moeilijk accepteren. We komen verder als we het zó opvatten: die geur maakte de bloemen bitter. De bijen lusten de bloemen niet meer, die zijn bitter in vergelijking met die geur van hoger honing. De gewone, bekende bloemen zijn te min geworden, de bijen willen dat ándere, hogere. En het is zelfs nauwelijks een bewuste keuze van de bijen, een weloverwogen streven naar dat hogere, nee, die geur verdreef hen uit de woning. (Weer de als aanduiding van wat bekend is.) Er is toch wel iets vreemds aan de hand. Niet alleen is er die geur, maar ook nog een geluid, al even vreemd en onbekend: een zacht zoemen in het azuur bevrozen.
De oude vorm bevrozen zal Nijhoff niet alleen gebruikt hebben omdat die rijmt op rozen. Nijhoff was zó knap-technisch als dichter dat we bij hem geen rijmdwang hoeven te veronderstellen. Wel lokt de mogelijkheid van rijm natuurlijk tot het gebruik van zo'n woord, maar als Nijhoff van mening was geweest dat het uit de toon viel, had hij wel een andere oplossing gezocht en gevonden.
Bevrozen heeft in 1926 veel minder antiek geklonken dan nu het geval is, maar ook toen hoorde het wel tot een wat verstard taalgebruik.
En past dat verstarde hier juist niet goed? Het strakke azuur en daarin een zoemen dat ook als strak en verstard, als 'bevrozen' wordt ervaren.
Vindt u dat 'hineininterpretieren'?
Dat mag u best vinden, we ondergaan nu eenmaal taaluitingen op verschillende manieren.
In de derde strofe ziet u weer de tegenstelling: de (bekende) tuinen en (onbekende) raadselige rozen.
Maar het woord 'ach', maakt duidelijk dat de bijen nu, achteraf dus, spijt hebben. Ze noemen zichzelf 'roekelozen'. Het oude woord 'roek' betekent zorg: ze hebben niet vooruitgekeken, niet aan mogelijke slechte gevolgen gedacht, ze hebben zich in het avontuur laten meeslepen, zonder zich zorgen te maken over wat dan ook maar. Ze zijn 'dwaas' geweest! Dat zien ze nu in.
Het vervolg zien we in de vierde strofe. Ver van waar ze thuis horen, hebben de bijen zich laten voortdrijven, ze hebben zich mee laten slepen als in een extase: jubelend. Het lijkt inderdaad wel een mystieke ervaring, een 'ver-voer-ing'.
De vijfde strofe bevat zoiets als een stelling, een algemene waarheid. De eerste twee regels houden verband met het voorgaande: wie zich aan zijn hartstocht overgeeft, kán die 'tocht' (trek, reis) niet onderbreken, maar moet ermee doorgaan tot het einde. En de volgende twee regels wijzen vooruit naar dat einde dat volgt: de dood, die men 'in lijve' (lichaam én leven!) niet kan 'verduren', niet kan doorstaan. De dood betekent het absolute einde van het leven en van het lichaam.
De mystieke ervaring culmineert in de strofen zes en zeven. Het is alsof we de taal van de middeleeuwse mystici lezen. "Steeds heviger bezweken": een heel merkwaardige, tegenstrijdige combinatie van woorden, net zo onnatuurlijk als het gedrag van de bijen. In 'bezweken' zit passiviteit en in 'heviger' juist het tegengestelde. Bij de woorden: "steeds helderder doorschenen", moet ik denken aan Hadewijch:
Alle dinge
Sijn mi te inge;
Ic ben so wijt!
Dat gevoel van zichzelf ontstijgen hoort wezenlijk bij de mystiek.
Het valt op dat hier niet meer gesproken wordt van 'hoger honing', maar van 'het ontwijkend teken'. Dat vinden ze nóóit, het blijkt steeds maar verder te zijn. En waarom nu ineens dat woord 'teken'? Waarván is het een teken? Ik weet het niet, de bijen weten het ook niet. Het geeft in elk geval iets aan dat heel geweldig is, iets dat je 'gewoon' nooit meemaakt.
Hierna verschuift het perspectief: de toeschouwer ziet de bijen verdwijnen.
De bijen zijn 'ontvoerd, ontlijfd, ontzworven'. Het voorvoegsel 'ont' kan een scheiding, verwijdering, ook een soort verlies aanduiden. Ontvoerd, weg van de bloemen, de woning en de tuinen. Ze zijn ont-lijfd, hebben hun leven verloren, ja, zijn als de mystici uit hun lichaam getreden.
Ze zijn ook ont-zworven, stuurloos, zonder vaste richting, weg van hun aardse bestaan.
Tenslotte dwarrelen de dode bijenlijfjes naar beneden. Wel 'huiswaarts', maar ze kómen niet thuis: het sneeuwt tussen de korven.
Sneeuw! Koud, levenloos.
Dat was het dan. Of...? Hebben we wel gelezen, maar tóch nog niet verstaan? Wat heeft Nijhoff nou eigenlijk willen zeggen? Ik waag een poging. De bijen hebben zich laten verlokken door iets volslagen nieuws, iets dat vér uit moest gaan boven wat zij kenden. Ze hebben zich laten meeslepen naar avonturen, vér van hun 'volk en leven'. Ze hebben zich in vervoering laten voortdrijven naar ... Ja, naar wat eigenlijk? Dat wisten ze ook niet, maar het moest iets zijn dat onuitsprekelijk indrukwekkend was. En waar is het op uitgelopen? Op de dood, het absolute einde. Het sneeuwt "tussen de korven". Met een moderne woordspeling: ze zijn ernáást!
Dát is de moraal van het verhaal: leef het leven waarvoor je geschapen bent. Zoek het niet in het vage ideaal, iets waarvan je geen duidelijke voorstelling hebt. Géén mystieke vervoering, géén dweperig streven naar het 'hogere'; nee, sta in dit leven, in déze wereld! Dáár is je plaats! En kén je plaats! Het lied der dwaze bijen vertolkt een soortgelijke gedachte als de oude mythe over Icarus die met zijn vleugels van was en veren te hoog steeg en te dicht bij de zon kwam: de was ging smelten, zijn vleugels lieten los en hij verdronk in de zee.
Is Nijhoff geen christelijk dichter?
Het is maar wat je onder 'christelijk' verstaat. Ik vind Het Lied der dwaze bijen in elk geval nog niet zo'n slechte les vóór christenen. Dat geldt ook voor een ander gedicht van Nijhoff: 'Het Veer'. Dat zou ik ook wel eens met u willen lezen. Maar het is drie keer zo lang. En ik vraag me nu al af: zouden de mensen dit wel lezen? Iedereen heeft toch haast?