Hanny Michaelis
1990-03-30
Er zijn weinig dichters die het op prijs stellen wanneer in hun werk invloeden van andere dichters ontdekt worden. Nog minder dichters staan vooraan als het er om gaat zelf in eigen poëzie zulke invloeden aan te wijzen.- Jaargang 34
- nummer 7
Hanny Michaelis is niet behept met een dergelijke schroom. Onlangs verscheen van deze dichteres een keuze uit eigen werk getiteld Het onkruid van de twijfel. In het woord vooraf bij deze bundel verhaalt Michaelis om te beginnen hoe haar dichterschap begon. Als driejarige vertelde ze aan tafel een verhaal over wat ze die dag gezien had. Ze eindigde haar tafelrede met de volgende regels "En achter de deur/ stond een hele grote chauffeur."
Enkele jaren later dichtte ze: "Ik kom om van bitt're smart/De ogen rood van huilen/De droefheid komt in mijn hart/als 't fladderen van de uilen."
Deze regels behoren wellicht niet tot het onvergankelijk erfgoed van de Nederlandse literatuur, maar de toon van een zeer persoonlijk dichterschap werd toch gezet.
Een alinea eerder in dezelfde inleiding vermeldt de dichteres welke schrijvers haar het meest ingrijpend hebben beïnvloed. Allereerst noemt ze de naam van Vasalis, wier debuut in 1940 "insloeg als een granaat."
Enkele van haar gedichten waren zo onmiskenbaar onder invloed van Vasalis geschreven dat ze die, alleen alom die reden niet in haar bloemlezing opnam.
Verder was ze erg onder de indruk geraakt van het werk van Jan van Nijlen en dat van de vooroorlogse Gerrit Achterberg - dichter van Afvaart en Eiland der Ziel. Door H. Marsman is ze zelfs jarenlang 'behekst' geweest. Het grote verschil met deze dichters is wel dat Hanny Michaelis na de oorlog sterk onder de invloed van de vijftigers is geraakt.
Dit had tot gevolg dat ze steeds meer rijm, ritme en een vaste versvorm achterwege ging laten.
De gedichten van Hanny Michaelis hebben vaak een parlandistisch karakter. Dat wil zeggen dat de dichteres gebruik maakt van de alledaagse spreektaal en dat ze een anekdotische verteltrant hanteert.
Gedichten als die welke zij schrijft noemt men ook wel spreekverzen.
Wat de inhoud betreft zijn de gedichten vaak verhaaltjes of situatietekeningetjes.
Dit maakt haar werk zeer toegankelijk, ook voor de minder geschoolde poëzie-lezer.
Vanavond hoorde ik
dat de maan niet rond
maar peervormig is
met tenminste twee
uitstulpingen, misschien
wel drie. Toen ik later
naar buiten keek
klom een ronde
witgloeiende schijf
boven de daken uit
en ik betrapte me
op dezelfde koppigheid
waarmee ik andere
gedeukte illusies
in ere houd.
In dit gedicht treffen we aan wat wel het belangrijkste thema van haar poëzie genoemd kan worden: de ik houdt zich steeds bezig met het verleden, een verleden waarin elke hoop een desillusie werd. Vaak beeldt de dichteres dit thema uit in gedichten die handelen over verloren geliefden. Deze geiiefden worden beweend, maar de herinneringen aan hen worden, hoe beroerd ze ook zijn, gekoesterd en opnieuw beleefd. Hoewel deze geliefden uit het leven van de ik zijn verdwenen, laat het geheugen de herinneringen aan het samenzijn met deze geliefden niet los. Hier komt de verwantschap met Achterberg om de hoek kijken: Michaelis probeert in haar poëzie greep te krijgen op verloren geliefden. Steeds echter blijkt ze het slachtoffer te zijn van het verleden.
In één gedicht wordt de ik letterlijk "kokhalzend wakker [...] / tussen de gestolde feiten / van gisteren en eergisteren." Verderop in ditzelfde gedicht kunnen we lezen dat de ik moet "optornen tegen een geheugen / dat geen duimbreed wijkt" en dat ze denkt "dat het zo wel gaat / merken dat men zich vergist / ook hierin.
Heel het treiterend bedrijf / van deze dag en alle volgende / in vier woorden samengebald / iemand is niet gekomen."
De herinneringen - hoe akelig ze ook zijn - laten de ik niet los en terroriseren haar heden. Om hieraan te ontkomen vlucht ze terug naar het verleden. Dit paradoxale gedrag kan natuurlijk niet de oplossing zijn voor de problemen die haar teisteren.
Toch haalt de ik in veel gedichten beelden terug uit de tijd dat ze nog gelukkig was met haar geliefden; (het lijkt alsof het in de gedichten om één geliefde gaat, maar in een interview zei Hanny Michaelis dat verschillende personen betreft, die zij in haar poëzie tot één vervlochten heeft).
Maar het ophalen van herinneringen aan gelukkiger tijden - "Denkend aan hoe wij samen waren" - maakt het er voor de ik niet beter op: er ontstaat een "ondragelijk opgedreven verlangen". Het is frappant dat de ik, in een ander gedicht, een poes benijdt, omdat die waarschijnlijk geen herinneringen heeft. "Ze leeft gewoon door, net als ik trouwens, / maar vermoedelijk zonder geheugen / om haar tot tranen toe te sarren."
Ook een andere poes heeft het volgens de ik beter dan de mensen in haar omgeving:
[...]
Alleen vraag ik me soms nog af
hoe je rode kater het maken zou
[...]
Hij was liever voor ons
dan wij voor elkaar, maar hij
had dan ook niets te verliezen.
In een onlangs verschenen interview zei Hanny Michaelis over het doel waarmee ze gedichten maakt: "Dichten is voor mij het bezweren van de werkelijkheid, een magische handeling."
Hanny Michaelis is van joodse afkomst, ze heeft in de oorlog moeten onderduiken en kwam terecht in een gereformeerd gezin. Dit heeft uiteraard haar leven en werk ingrijpend beïnvloed, doch niet in die zin dat ze op een of andere manier gelovig zou zijn geworden. Wel zijn de sporen van haar afkomst, als ook de inwerking van het gereformeerde milieu waarin ze tijdens de oorlog terecht kwam, onmiskenbaar in haar gedichten terug te vinden. Vooral in haar eerste gedichten, die in 1949 verschenen, zijn de sporen van het lijden van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog heel expliciet aanwezig. Eén van die gedichten is getiteld Ghettokinderen. Deze ghettokinderen hebben geen idee wat de oorlog voor mensen betekent:
" Zij spelen onbezorgd en uitgelaten
met vuile neuzen, goor en
ondervoed
in nauwe, haveloze ghettostraten,
en weten niet wat men hun ouders
doet.
[...]
Dan volgt een beschrijving van het zorgeloze spel van deze kinderen.
Hun onbekommerdheid doet de afschuwelijke achtergrond waartegen zich het lachen en schreeuwen van de kinderen afspeelt deste schrijnender worden voor de lezer die weet heeft van die achtergrond. Hier geven de ingetogen bewoordingen extra kracht aan het gedicht, getuige de indrukwekkende slotstrofe:
[...]
"Hun ghetto is een paradijs op aard
waarin zij alles durven, alles mogen.
Boven hun donkre hoofden hangt
een zwaard een zwaard weerspiegeld in de diepten van hun
ogen."
Tijdens haar onderduikperiode heeft ze de bijbel goed leren kennen, vooral dank zij de dagelijkse schriftlezingen die na de maaltijden plachten plaats te vinden. In gedichten waarin de ik er in slaagt een moment geluk en vrede te vinden, voelt deze zich in de nabijheid en onder de bescherming van God. Dit is echter nooit van lange duur. Altijd ligt de gebrokenheid op de loer en verdrijft het gevoel van geborgenheid en vrede.
[...]
Nu liggen wij,
zei je in Gods hand.
En zo was het ook, maar zo
kon het niet blijven.
De poëzie van Hanny Michaelis is weliswaar persoonlijk, ze is ook zeer ingetogen. Deze ingetogenheid maakt ook dat slechts zelden sprake is van de flonkering en bezieling die een gedicht tot een meesterwerk kunnen maken. Te dikwijls zijn de woorden die ze voor de vormgeving van haar emoties en roerselen gebruikt te mat om werkelijk voor de lezer levend te worden.
..Je kunt beter niet onder de indruk van een emotie schrijven, je moet jezelf niet te snel in taal ontladen.
Schokkende ervaringen moeten worden verwerkt om er afstand van te kunnen nemen." Misschien wel, maar een bezwaar is wel dat haar gedichten daardoor niet altijd een even grote zeggingskracht hebben.
Soms staan de ingetogenheid en onderkoeldheid een goed verstaan van de gedichten in de weg. Hanny Michaelis is een dichteres die gevoelens van een grote intensiteit verwoordt. Ook zijn de dingen die ze verwoordt echt en authentiek, bovendien vaak universeel van karakter.
Het wordt de lezer soms echter moeilijk gemaakt zich in degedichten te verliezen en zich onder te dompelen in de wereld die de dichters oproept. Wellicht heeft Michaelis de laatste regels uit het volgende gedicht te zeer tot motto van haar dichterschap gemaakt.
Woorden: een dubieuze
lekkernij. De sappige
liggen zwaar op de maag.
Zelfs de droogste laten
een weeë smaak na. Toch
kan niemand erbuiten,
ik ook niet. Maar als
er dan met alle geweld
spraak gemaakt moet worden,
dan liever kleinspraak.
Hanny Michaelis, Het onkruid van de twijfel, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 1989, 79 blz., prijs: f 14,90.