Geloof en ervaring
1990-04-13
Ervaringsverlangen- Jaargang 34
- nummer 8
Allerwegen kunnen we lezen en in ons kontakt met de mensen ook zelf ontdekken, dat er bij zeer velen een groot verlangen leeft naar een echte ervaring van God. In deftiger kringen spreekt men dan van een 'authentieke Godservaring' (waarmee men overigens hetzelfde bedoelt). Vaak komt deze uiting van verlangens naar ons toe in de vorm van een klachtenreeks: "Er gebeurt ook eigenlijk nooit iets. We komen God nergens tegen. Niet in huis; niet in de kerk, waar de dominee zijn lange verhaal houdt; niet op het werk en niet op school. Waar is God eigenlijk?
En waaruit blijkt, dat God er echt is en dat Hij echt leeft? Ik zou Hem echt wel eens willen ervaren!
Op een duidelijke manier. Dàn zou ik ook in Hem kunnen geloven! Maar nu zegt het me allemaal zo weinig!"
In die klacht zit een bepaalde volgorde opgesloten. Eérst een echte Godservaring - dàn het geloof. Het geloof moet uit de ervaring geboren worden. Anders komt het er niet.
Anders kunnen we niet geloven. Van de ervaring naar het geloof!
Ik zou nu eerst in het kort een paar verhalen willen vertellen. Bij wijze van 'inleiding op de bespreking'om het in de oude JV-terminologie te zeggen.
Het eerste verhaal
Het is al weer jaren geleden, dat de bekende Ds. A.K. Straatsma voor de NCRV-radio de rubriek 'Kent gij uw Bijbel?' verzorgde. Hij deed dat heel goed. Hij bleek ook een uitnemend verteller te zijn. Ik wil trachten één van zijn verhalen te rekonstrueren.
Het gebeurde in de oude tijd, dat een matroos de mast in gestuurd werd om in het topje een bepaald karweitje te klaren. Hij was nog maar net op zijn hoge bestemming aangekomen, toen een geweldige rukwind hem als een pluisje opnam en hij omlaag stortte!
Onderweg naar de diepte en naar de dood herinnerde hij zich in een flits zijn jeugd en zijn moeder, die hem had leren bidden (wat hij intussen helemaal verleerd had). En toen kwam het er zomaar uit: "Here, red mij!". Een fraktie van een sekonde later kwam hij in botsing met een afhangend touw. Hij wist dat touw te grijpen! Hij gleed nog heel wat meters door naar beneden, waarbij hij zijn handen deerlijk openhaalde.
Maar toen bleef hij hangen. Hij bungelde nog wat heen en weer. Hij was gered! Toen sloeg hij zijn ogen op naar boven en 'voltooide' zijn gebed.
Maar hoe? Het kwam er weer zomaar uit: "Het is niet meer nodig, want ik bèn al gered".
Of dat zich wel eens letterlijk zo heeft toegedragen - wie zal het zeggen?
Maar dit verhaal is toch een bondige en juiste samenvatting van de levensstijl van vele mensen. In de nood komt het oude kindergebed boven: "Here, red ons!" Dan gebeurt er iets dat een keer brengt in de situatie, zodat de nood gebroken wordt. Wat is dan de reaktie? Alleen maar: "Hebben wij eventjes geboft!
Wat een toeval! Fijn hoor!". Maar het blijft helemaal 'anoniem': De Naam wordt er niet bij genoemd!
Het tweede verhaal
Het tweede verhaal is een werkelijke geschiedenis. Misschien dat het juist daardoor niet zo bloemrijk is en 'gewoner' overkomt. Ik heb het zelf meegemaakt. En heel wat kollega's ongetwijfeld net zo.
Een gelovig gemeentelid was nogal slecht en moeilijk behuisd. Hij vroeg een andere woning aan en werd op de desbetreffende wachtlijst geplaatst.
Na een vrij korte tijd kreeg ons gemeentelid wat hij begeerde: Een nieuwe en veel betere woning!
Toen ik bij hem kwam, straalde zijn gezicht. Hij loofde en prees de Here, wiens overstelpende goedheid hij nu weer had ervaren. En hij vroeg mij om toch vooral in mijn gebed de Here nog eens hartelijk te danken voor het goede, dat hij van de Here had ontvangen. En tot een ieder, die maar horen wilde, sprak hij opgetogen over zijn ervaring van de goedheid des Heren: "De Here leeft en Hij komt zijn kinderen te hulp!"
Het probleem
Begrijpt u al een beetje waar ik heen wil met die twee verhalen? Het gaat me om dat ene grote probleem. Hoe komt het nu, dat die matroos zijn gebed op zo'n ellendig negatieve manier afbouwde - geen woord van dank? En hoe komt het, dat mijn gemeentelid lovende woorden sprak over de ervaring van Gods goedheid en dat hij niet ophield de Here te prijzen? Ja, hoe komt dat nu? Ligt het misschien daaraan, dat het tweede verhaal buitengewoner was dan het eerste? Integendeel, het omgekeerde is het geval. Dat touw uit het eerste verhaal, dat die matroos nog net wist te grijpen, het maakt dat eerste verhaal tot iets bijzonders! "Een gelukkig toeval"zo zeggen de mensen dan. Maar in het tweede verhaal steekt eigenlijk niéts bijzonders. De naam van het gemeentelid kwam op de lijst te staan. De ambtenaren waren geregeld met die"lijst bezig, waarbij ze nuchter moesten overwegen, hoe de vraag en het aanbod van de woningen zich tot elkaar verhielden. En op een allerminst 'wonderlijke' manier kwam op een goede dag mijn gemeentelid uit de bus. Daar was helemaal niets bij, dat ook maar vanuit de verte deed denken aan de botsing met dat afhangende touwen die toch echt wel opvallende redding van de matroos. Het verschil tussen de beide verhalen is alleen maar, dat het tweede veel gewoner is dan het eerste. Hoe is het dan mogelijk, dat die matroos alleen maar mocht komen op te merken, dat hij had geboft en dat hij verder niets nodig had, en dat mijn gemeentelid zo blij en zo breed wist te spreken van de goedheid des Heren (en dat de predikant al evenzeer de Here loofde om het goede geschenk van zo'n gemeentelid!)?
Ervaring als gelóófservaring
De oplossing van het probleem is niet zo moeilijk te vinden. Het gaat om het vermogen onze hemelse Vader in Christus te herkènnen in het gebeuren van het leven. En die matroos had de ellendige gedachte, dat 'een touw' en 'grijpende handen' en 'blijven hangen' nu eenmaal heel natuurlijke zaken zijn en dat je daar dus (!) de Naam van de Here niet bij kunt noemen. De Here hoort thuis in zijn eigen Goddelijke sfeer, in het boven-natuurlijke. Voor die gewone dingen is Hij veel te hoog. Eigenlijk die treurige ongeloofsgedachte, dat de Here niet echt naar ons toe kan komen in een reddend touw, een nieuwe woning, in eten en drinken!
En dáárom "gebeurt er eigenlijk maar zo weinig in betrekking tot God". Daarom ervaren we Hem niet en voltrekt zich zelfs een àfgebeden redding geheel en al 'buiten God om'! En dan gaan we misschien ook nog wel klagen. Misschien zelfs wel heel erg verlangen naar een 'authentieke Godservaring'. We hebben eerst de Here opgesloten - oneerbiedig en ongelovig - in zijn eigen Goddelijk gebied. Om daarna te gaan klagen, dat Hij maar niet echt bij ons komen wil!
Mijn gemeentelid was echt een gelovige.
Iemand die gelooft, dat onze God en Vader in Christus het leven en de adem en alles aan allen geeft - ook aan de huizenbouwers die hun gewone opdrachten uitvoeren; ook aan de ambtenaren, die heel gewoon berekenen, wie er voor het beschikbare huis aan de beurt is; ook aan zijn kind, dat naar een nieuw huis verlangt. Zou Hij, die in zijn Zoon in ons leven en in onze geschiedenis waarachtig is binnengekomen, niet bij ons kunnen zijn, ook in de gewone dingen van elke dag? Bij mijn gemeentelid ging het niet van ervaring naar geloof. Maar omgekeerd: De ervaring kwam binnen in een bed, dat door het geloof was gespreid. Daardoor kon die ervaring ook een echte Gódservaring zijn!
Zonder ervaring geen geloof! - zo zeggen vele mensen het tegenwoordig.
Maar het omgekeerde is waar: Zonder geloof kan een ervaring geen Gódservaring zijn! Ervaring van God is gel66fservaring!
Een tegenspraak
Het ligt voor de hand, dat ik nu een bepaalde tegenspraak zal ontmoeten.
Ik denk, dat iemand tegen mij zal zeggen, dat ik hem niet overtuigd heb, omdat ik in mijn verhalen zaken heb genoemd, die je ook zo heel gemakkelijk op een natuurlijke manier, 'van beneden af', kunt verklaren.
En dat je bij het verlangen naar Godservaring denken moet aan een gebeuren, dat heel innerlijk is en heel geestelijk en dat je niet 'van beneden af' verklaren kunt, niet uit allerlei 'natuurlijke oorzaken', zodat je wel geloven moet, dat het van Gód komt. En als je dat dan wel geloven m6ét, dan komt tóch het geloof uit de ervaring voort!
Ik denk, dat we bij een dergelijke tegenspraak toch wel wat naïef bezig zijn! We maken dan toch wel een heel vlot onderscheid tussen dingen die wél en dingen die niet 'van beneden af' verklaard kunnen worden. Is dat nu wel zo? Is een geestelijk gebeuren zomaar gelijk te stellen met een Geestelijk gebeuren (grote G!), met een gebeuren dus dat door de Heilige Geest is gewerkt? Weet u waar het natuurlijk-psychische ophoudt en waar het Geestelijke begint?
Eigenlijk hebben we in deze tegenstelling de matroos van straks al weer terug: Het psychische ónder de grens, het Geestelijke daarb6-
ven? De Schrift zegt ons, dat de Heilige Geest de gelovigen vervulde en dat zij in andere tongen spraken.
Maar tegenwoordig betoogt men van alle kanten - ook van de zijde van 'charismatische' christenen! - dat de psychische konstellatie van grote betekenis is voor deze manier van spreken en hanteert men de psychologische term 'disclosure' om de tongenspraak te plaatsen!
Bij het touw van de matroos en bij het huis van het gemeentelid was een natuurlijke verklaring 'van beneden af' zeer wel mogelijk. Maar dat deerde mijn gemeentelid niet! Maar het voorbeeld dat ik zoëven noemde, laat zien dat verklaringen 'van beneden af' heus niet ophouden bij wat wij 'geestelijk' of 'innerlijk' plegen te noemen. En we behoeven ook niet krampachtig te zeggen, dat die verklaringen in dat 'geestelijke gebied' alleen maar onzin zijn! Het is alleen onze grote fout, dat we hier ineens weer wél gaan denken, dat 'van beneden af' en 'uit de Geest' elkaar wel moeten uitsluiten! Maar wat ik eigenlijk zeggen wilde is, dat ik weinig vertrouwen heb in een 'geestelijke' ervaring, als we de Here in het 'gewone' niet zien en erkennen! Het ervaringsgebeuren moet vallenover de hele linie"": in een bed.idat door het gel66f is gespreid! Anders kan de ervaring geen Gódservaring zijn. Ervaring als gel66fservaring!
Konklusie
De Heilige Geest werkt het geloof door de verkondiging van het Heilig Evangelie - zo zegt Zondag 7. We moeten dus maar altijd de nadruk bi ijven leggen op het Woord van onze God, op het Evangelie van onze Here Jezus Christus! Ook op het Woord-horen en op het Woordlézen en op de Woord-verkóndiging.
Want het geloof is uit het hóren (Rom. 10:17). En het geloof, dat uit het Woord geboren wordt, opent de weg naar allerlei ervaring van Gods overstelpende goedheid - in het gebeuren van elke dag, in de binnenkameren van ons hart! De ervaring die uit het geloof is! Het gebeuren dat valt in het bed, dat door het geloof is gespreid!