"Waarin een klein land groot kan zijn!"??

1990-04-27
  • Jaargang 34
  • nummer 9
Er wordt door ons, Nederlanders, Nederlandse christenen, Nederlands gereformeerden, veel gedaan voor onze medemens in nood: voor de hongerenden in de ontwikkelingslanden, voor gewetensvervolgden in gesloten dictaturen, voor onze broederschap achter het ijzeren gordijn.
Tal van groepen, stichtingen en particulieren zetten zich in, organiseren acties, houden collectes en bazars ten behoeve van de in nood verkerende naaste.
Wij hèbben ook veel te geven. Wij wonen immers in een van de rijkste landen van de wereld!
Als de honger en ellende zo indringend onze huiskamers binnenkomt, kunnen we er ons niet aan onttrekken en mogen we er onze ogen niet voor sluiten. We dragen een grote verantwoordelijkheid.

Een vraag die we dan steeds weer moeten stellen is dan niet of we zullen geven, maar hoe we geven.
Hoe en met welke instelling helpen we? Wat is onze drijfveer?
Nu de Berlijnse muur is afgebroken en het ijzeren gordijn is verdwenen rijden vrachtwagens vol hulpgoederen af en aan naar de Oost Europese landen. Soms versierd met vlag en spandoek, waarop we een keer de volgende slagzin lazen: "Waarin een klein land groot kan zijn!"

Nadat eerst de grenzen van Polen en vervolgens die van Hongarije opengingen, zijn er veel Nederlanders op bezoek geweest. Rooms katholieke westerlingen gingen vooral naar Polen, gereformeerd gezinden zochten Hongarije op. Men ging erheen, misschien uit nieuwsgierigheid, en misschien ook wel uit dankbaarheid.
Met enthousiaste verhalen kwam men terug. Een telkens terugke-, rende opmerking is dan: "En het is er zo goedkoop!"
Sommige toeristen kwamen onder de indruk van de Hongaarse gastvrijheid en hartelijkheid. Maar ze hadden ook gehoord van zorgen en problemen, zorgen om de inflatie, om de gepensioneerden, om de slechte toestanden in de kindertehuizen, zorgen om de toenmalige Duitse en Roemeense vluchtelingen, zorgen om de bouwvallige kerkgebouwen.
En deze toeristen namen zich, eenmaal th'uisgekomen, voor de verhalen niet voor kenni.sgeving aan te nemen.
Er werden comité's opgericht en voerden aktie. Zo kwam het dat de vrachtwagens vol huisraad, kleding en voedsel richting Hongarije reden.
(Wat vertelden onze toeristen ook weer? Spraken ze er niet steeds over dat vooral het eten zo goedkoop was?) Het diakonaal bureau in Boedapest kreeg in 1989300% teveel aan kleding, allemaal dameskleding. Een predikant vertelde dat er in één week 40 Nederlanders op bezoek waren geweest.

Dan gaat er iets fout met de misschien wel goedbedoelde hulpverlening.
Op een juiste manier helpen gaat niet vanzelf. Geven vraagt om een bepaalde instelling.
Onze christelijke hulpverlening moet gekenmerkt zijn door de gezindheid van Jezus Christus, die de gestalte van een dienstknecht aangenomen heeft.
Wanneer we een ander willen helpen, moet dat altijd in het belang van die ander gebeuren en met respect.
Wij hebben ongetwijfeld veel geld en middelen en we kunnen erg veel.
Maar daardoor roepen we zo gemakkelijk de indruk op dat we superieur zijn: Wij kunnen dan alles!
Toen de oostbloklanden nog gesloten waren, reisden er ook mensen heen. Dat was vaak niet gemakkelijk, maar ze gingen en zochten de noodlijdende naaste op, de onvrije, soms in gevangenis verkerende mensen.
Ze legden contacten, sloten vriendschappen en bouwden broederschap.
't Gebeurde in stilte. Dat kon ook niet anders en 't hoefde ook niet aan de grote klok gehangen te worden. Ze waren er gewoon voor die ander.
Van deze stille werkers kunnen we wat leren. In veel van onze gemeenten vind je ze wel. Ze vallen niet zo op. Ze namen geen film- of videocamera mee. Ze reden niet met vrachtwagens vol met ons teveel. Ze vormden geen organisatie (dat kon ook niet), investeerden niet in kantoorgebouwen, transportmiddelen, periodieken en personeel.
Ze reisden niet naar het oostblok om er eens even uit te zijn en om met spannende verhalen thuis te kunnen komen. Ze gingen uit broederschap.

Nu de grenzen open zijn, de dreiging van de geheime politie verdwenen is en de mogelijkheden om te helpen groter worden, is het goed dat er samengewerkt wordt. Het is verspilling als auto na auto richting Oost-
Europa rijdt, soms als elkaars concurrent, elk bij uitstek deskundig.
Zeker als de stem van de stille ervaring dan niet meer gehoord wordt.
Nu er weer een vakantieperiode voor de deur staat, zullen er opnieuw veel Nederlanders de oostbloklanden bezoeken. Met welke instelling?
Zijn we in staat om te luisteren?
Respect te hebben voor onze broederschap, die in en door het lijden zoveel hebben geleerd en ons zoveel te zeggen hebben.
Hoe kunnen zij getuigen van de kracht van God en spreken over Zijn werk en Zijn liefde en trouw.
Wat kunnen wij veel leren van hun volharding en gebed, van hun geloof en vertrouwen. Hoe hebben zij niet telkens opnieuw moeten en mogen ervaren dat Gods genade genoeg is.
Ze hebben een onvoorstelbaar moeilijk leven gekend, maar het geloof behouden. Om stil van te worden!
Luisteren, stil zijn, dienen en niet ophouden goed te doen aan broeders en zusters, die ons zoveel te vertellen hebben en die zeker onze hulp zo heel hard nodig hebben.
In dat spoor verder! Tot eer van God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief