In het spoor van de Geest

1992-07-17
  • Jaargang 36
  • nummer 15
Ik heb u in het voorlaatste nummer van Opbouw (dat was het nummer van 27 maart - wat gaat de tijd hard! Red.) uitgenodigd om vanmorgen met mij mee te komen zoeken naar het spoor van de Geest. Spoorzoeken dus.
Speelt de Heilige Geest dan verstoppertje?
Nee, dat niet. Wel schuwt Hij de reclame en elke kijk-mij-'s-mentaliteit is Hem vreemd. Hij wil dat wij met de psalm zeggen: U zoek ik, Here. En als we Hem dan echt zoeken, zullen wij Hem ook vinden. Is het nu niet dan later wel eens. En altijd samen.
Pas "samen zullen wij in staat zijn te vatten", zegt de apostel.
Het spoor van de Geest wordt ons gewezen door het Woord, geloven wij.
Geest en Woord horen samen. Hoe is dan hun verhouding? Als tussen de duif en de kooi? De duif van de Geest opgesloten in de kooi van het Woord? Dat is het verwijt van alle geestdrijvers de geschiedenis door geweest.
Dat de Geest in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt door de Bijbel. En het is waar dat de kerk voor dit protest menigmaal aanleiding heeft gegeven, doordat ze namelijk het Woord versmalde tot haar eigen verstaan ervan.
Dan ontstaat inderdaad die indruk van de bijbel als kooi en lijkt het Woord het blok aan het been van de Geest. Maar de werkelijkheid is anders. De werkelijke verhouding is meer die van duif en til. De duif van de Geest die de til van het Woord in en uit vliegt. Hij is aan het Woord gebonden maar zit er niet in opgesloten. Hij laat in tegendeel zien welke verten het Woord bestrijkt.

Persoonlijk mag ik zo graag wijzen op de dynamiek die er in de Schrift zelf zit. Het is niet het Woord in ruste maar het is het Woord in beweging. En dat doet de Geest. Het Woord is daarom niet de gevangenis maar juist de beweegruimte van de Geest. Het is zijn goedzittend kostuum dat Hem in geen van zijn bewegingen belemmert. De Geest maakt er dan ook werk van dat wij het onderscheid zullen zien tussen het Woord en ons verstaan ervan. In de bijbel zelf kom je een en andermaal de voorstelling tegen dat het Woord van God heengaat over grenzen waarvan mensen dachten dat ze definitief waren. Zo worden wij er slag op slag bij bepaald dat wij het zijn die onze beperkingen meebrengen als wij op de Schrift toetreden. Dat een kleindenken van God over onze uitleg heerst. De Geest wijst ons daar op en doet daar wat aan. Ik wil dat aan de hand van een drietal voorbeelden duidelijk maken.

1. Eerst wil ik met u gaan naar dat insnijdende gebeuren waarvan de bijbel ons vertelt, dat het volk Israël de Babylonische ballingschap ingaat. Menigeen is dit voorgekomen als het einde van Gods weg met zijn volk. Ook de profeten zijn van die opvatting geweest. En niemand kan zeggen: hoe kwamen ze dáár nu bij?! Want het leek immers de redelijkheid zelve dat aan Gods geduld met zijn oude gemeente een finaal einde was gekomen. Het volstrekt verrassende is nu geweest dat de Here God in zijn genade toch een weg naar de toekomst heeft opengebroken.
Hij liet door Jeremia en anderen de belofte horen van een nieuw verbond. Ongehoord! Paulus zou later formuleren: "Waar de zonde toenam is de genade meer dan overvloedig .geworden" (Romeinen 5 : 20).
Sindsdien hoeven we niet meer twijfelachtig te vragen of er voor Gods volk nog wel een toekomst is. God ontsluit de weg erheen, ook als die voor ons besef geheel afgesloten is.

2. Mijn tweede voorbeeld is uit het onderwijs van de Meester. De werelden van rein en onrein leken in zijn dagen voor goed gescheiden. Het Mozaïsche bestel had de grens tussen beide scherp getrokken. "Zijt heilig want Ik ben heilig", was het parool. En het was de taak van de priesters dit besef voor elke volgende generatie levendig te houden. Dan komt Jezus en Hij spreekt het verbluffende woord: "Niet wat in de mens gaat maar wat uit hem komt verontreinigt hem". Ge- .
schrokken zie je daar de evangelist Markus de conclusie uit trekken: "En zo verklaarde Hij alle spijzen rein"
(Markus 7: 19). Rein en onrein definitief gescheiden? Jezus komt en strekt zijn hand uit en legt die op het hoofd van een melaatse. De evangelist beschrijft het zo dat je die hand van Jezus ziet gaan in de richting van die onreine man en dat schurftige hoofd (Matteüs 8: 3). Beslissende beweging!
Daarmee gaat een nieuwe wereld open. De kerk mag nu, vanuit de liefde van God, de wereld van het vunzige en afzichtelijke binnengaan.

3. Voor mijn derde voorbeeld ga ik weer naar het Nieuwe Testament, maar dan van voorbij Pinksteren. Ook nu gaat het weer om een enorme grensverlegging. En dat is opmerkelijk omdat wij denken dat met Pinksteren alle rek er wel uit is. Meer dan wat op de Pinksterdag gebeurde kan immers niet. Toch gaat het openbreken van grenzen ook dan nog door. Na Pinksteren kon de gedachte opkomen (en ze is ook werkelijk opgekomen!) dat met de toestroom van de joodse Parters, Meden en Elamieten enzovoorts de heilsbeloften van het nieuwe verbond wel waren uitgeput. De oudtestamentische profetieën over de toebrenging van de volken kon inderdaad zo worden uitgelegd dat het om de herverzameling van de verstrooide Joden onder al die volken zou gaan. En het gebeuren op de Pinksterdag leek die versmalde en minimale uitleg van wat de profeten voorzegd hadden te bevestigen, want inderdaad, het waren Joden ("Joden en Jodengenoten" , zegt Handelingen 2 heel duidelijk) die tot geloof in Jezus kwamen. Maar dan zorgt de Geest in Handelingen 13 voor de doorbraak: "Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen geroepen heb" (Handelingen 13: 2). En dan gaat het over zending onder èchte heidenen die geen enkele band met het joodse volk hadden.

In de bijbel zelf zit dus een dynamiek die niet het Woord overstijgt maar wel ons verstaan van het Woord. Die twee zijn wel eens moeilijk te onderscheiden. Soms vallen ze samen, soms ook niet. Dat kan ons in het bijbelgebruik wat onzeker maken. Maar vertrouwen, Godsvertrouwen, mag dan de plaats van onze zelfverzekerdheid innemen.
Op grond van het uit de Schrift zelf naar voren gebrachte (en dat zou nog met andere voorbeelden aan te vullen Zijn) houd ik het erop dat er nog geweldige doorbraken van de Geest vóór ons liggen. Het spoor van de Geest gaat verder. Waar denk ik dan concreet aan? Wel, als we de drie voorbeelden die ik gaf met elkaar vergelijken dan lijken ze zeer verschillend.
Toch is dit het gemeenschappelijke dat het alle drie de keren mensen (wij mensen!) zijn geweest die te klein hebben gedacht van Gods liefde. Mensen dachten dat die liefde van God op was bij de ballingschap, mensen dachten dat die liefde van God te kort schoot om de onreinen te bereiken, mensen dachten dat die liefde van God te gering was om tot de verste einden der aarde te gaan. Telkens bleek Gods liefde groter dan menselijke voorstellingen.
Ik voorzie dan ook dat wij van hieruit, vanuit de liefde van God dus, nog doorbraken te zien zullen krijgen die ons verbazen. Het zal daarbij niet om totaal nieuwe dingen gaan. En al helemaal moeten we de kant van het buitenissige niet uitkijken. Niet die van het enthousiasme, niet die van de tongentaal, niet die van een bijzondere gang van de Here met het volk Israël.
Het zal gaan om een radicalisering van de vanouds bekende kern van de bijbelse boodschap, het liefdegebod op grond van Gods geschonken liefde in Jezus Christus. En wat is een geradicaliseerd liefdegebod? Juist! Hebt uw vijanden lief.

Hoe vul ik dat in? Wel, ik heb het idee dat wij in West-Europa voor een vuurproef komen te staan: de toestroom van de hongerende massa's uit Azië en Afrika die hun deel komen opeisen in de wereldwelvaart die bij ons hoog opgetast ligt, zeker voor hun besef. Ik denk daarbij niet aan de vreemdelingen en asielzoekers van nu want die vormen geen echt probleem. Maar zijn ze niet het begin van iets dat veel grotere proporties aan zal nemen? Je kunt zoiets wel eens denken, nietwaar, en helemaal hersenschimmig is dat niet. Hoe zullen, of voorzichtiger: hoe zouden we daarop reageren? Zijn wij klaar voor liefde als reactie op benadeling? Toen in de zestiende eeuw de islamitische Turken vóór Wenen stonden en voor Europa een bedreiging vormden dichtte Luther zijn 'Vaste Burcht'. Dat lied is dus niet tegen Rome gericht maar tegen de Turken.
Het was er een teken van dat de christenheid als geheel (Rome en de Reformatie deden daarin voor elkaar niet onder) een verdedigende houding aannam. Juist zoals nu veel mensen, ook christenmensen, een verdedigende houding aannemen tegen wat zij als een bedreiging van Europa zien. Zouden we deze angsthouding niet af moeten leggen om tot een positievere strategie te komen? Tot een houding van liefde? En zelfs als het zou gaan om een heuse bedreiging, zou ook dan (juist dan!) niet dat geweldige woord van Jezus onze leidraad moeten zijn: Hebt uw vijanden lief en doet wel degenen die u beroven?

Jezus legt ons in de Bergrede de liefde uit als meegaandheid tegenover hen die ons benadelen, die ons op de wang slaan, die ons dwingen één mijl te gaan, die ons het hemd afpakken. Is dat nieuw? Nee. Is dat nooit eerder gepraktiseerd? Zeker wel. Maar toch meer bij uitzondering. Het nieuwe van de vóór ons liggende tijd zou kunnen zijn dat dit op ons állen afkomt, algemeen dus en op ongekende schaal.
Wat mij wel eens verontrust is dat als het over de Geest gaat wij christenen ons vaak ophouden in de buitenwijken van ons geloof. Want essentieel kun je zaken als tongentaal of gebedsgenezing of een min of meer enthousiaste eredienst toch niet noemen. En 'de vrouw in het ambt' ook al niet. Dat laatste zeg ik er voor alle zekerheid maar even bij. Je kunt het over zulke dingen best wel eens hebben, maar je moet er ook weer op tijd over ophouden.
De Heilige Geest zoekt het niet in het buitenissige, zei ik aan het begin.
Niet in het buitenissige en zelfs niet in het bijzondere. Hij heeft een voorliefde voor het gewone. En daar wil ik mee eindigen. De Geest wijst ons, zegt Paulus als hij het over de bijzondere geestesgaven heeft, de liefde aan als de weg die veel verder omhoog voert (I Korintiërs 12 : 31). De liefde die zichzelf niet zoekt en een voorkeur heeft voor het onopvallende, maar die intussen wel de kern vormt van alles wat de bijbel zegt: de liefde ván God in Jezus Christus en op grond daarvan de liefde tót God en de naaste, al zouden we die naaste ook spontaan als een bedreiging ervaren. De tijd lijkt aanstaande dat wij die volstrekt dienende liefde meer dan enig ander ding nodig zullen hebben. En het mooie is: wij kunnen die liefde op elkaar al beginnen in te studeren en uit te proberen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief