Christus in het kerklied (2)

1992-07-17
  • Jaargang 36
  • nummer 15
Luther en Calvijn
Wat in de Middeleeuwen uitzondering was, verheft Maarten Luther tot regel, wanneer hij geleerd heeft wat werkelijke genade is. Als hij het evangelie van Gods vrije genade, van rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus, heeft herontdekt, gaat Luther op zoek naar dichters die die evangelie in de Duitse landstaal voor de gemeente kunnen vertolken. "Het plan bestaat", schrijft hij bij de jaarwisseling 1523/24 aan de woordkunstenaar en hoftheoloog Spalatinus, "om naar het voorbeeld van de profeten en de oudste kerkvaders psalmen in de volkstaal te schrijven, opdat Gods Woord door het te zingen onder het volk bekend blijft. Wij zoeken derhalve overal naar dichters."
De dichters laten het afweten, Luther gaat zelf aan het werk en ontpopt zich - 0 wonder! - als een dichter.
Gods verrassingen zijn vele, maar het dichterschap van Maarten Luther is voor mij een van de fijnste verrassingen uit de geschiedenis van het kerklied. Hij blijkt bij uitstek in staat te zijn de blijde boodschap van Gods heil in Christus z6 in verzen te verwoorden dat iedere Duitser het kan begrijpen en het de mensen aanspreekt. Zijn wat weerbarstige verzen verliezen hun dichterlijke spankracht niet. In 1524 verschijnt de eerste bundel: Geistliche Lieder. In een voorwoord schrijft Luther: "Ik heb samen met enkele anderen - met de bedoeling hen die het beter kunnen, aan te spo"
ren - enige geestelijke liederen bij elkaar gebracht om het heilig evangelie, zoals het door Gods genade weer is opengegaan, in zwang te brengen en er in te pompen, opdat ook wij kunnen roemen als Mozes aan de overkant van de Schelfzee in Exodus 15. Laat Christus onze lof en ons lied zijn, zodat we van niets anders weten te zingen en te spreken dan van Jezus Christus onze Heiland, zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 2."
Toen men Luther eens vroeg: "Van welke Psalmen houdt u het meest?", antwoordde hij: "De paulinische". Hij noemde daarbij Psalm 130: "Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt." Meteen in de eerste bundel geestelijke liederen treffen we van de hand van Luther een bewerking van die Psalm aan. Een bewerking, geen 'tekstgetrouwe' berijming, want Luther heeft de Psalm toegespitst op het evangelie van Gods vrije genade. Het lied heet 'Aus tiefer Not schrei ich zu dir': een vertaling ervan treft u aan in de bundel 'Uit aller mond' (gezang 132), een weinig betrouwbare nadichting in het Liedboek (gezang 19). Naast psalmbewerkingen en vertalingen van oude Latijnse hymnen heeft Luther ook zogenaamde vrije liederen geschreven.
Veel van deze vrije liederen zijn gedrenkt in de Schriften; we geven daar straks een voorbeeld van.
Calvijn, die in 1539 in Straatsburg en in 1543 in Genève de gemeentezang invoert, kiest voor een andere weg.
Ook Calvijn kende de kracht van het geestelijke lied. "Wij weten uit ervaring", schrijft hij, "dat het gezang grote kracht en macht bezit om het hart van de mensen te ontroeren en te doen ontvlammen en het op te wekken om God aan te roepen en te prijzen met des te heftiger en brandender ijver. Er moet steeds op gelet worden dat het gezang niet lichtzinnig en onstandvastig is, maar gewicht heeft en majesteit, zoals de heilige Augustinus zegt." Calvijn kiest niet voor het directe lied over Christus, maar voor de berijming van de 150 psalmen uit het Oude Testament, die hij de gemeente op de lippen legt.

De Psalmen en Christus
De Psalmen! Nooit zijn ze weggeweest uit de kerkgeschiedenis. Alle eeuwen door zijn ze voorgelezen, gereciteerd, gepsalmodiëerd in de samenkomsten van de gemeente; mannen als Augustinus en Luther spraken hun liefde voor de Psalmen uit en werden er door geïnspireerd, en nu legt Calvijn ze in de mond van de zingende gemeente.
Voor het zingen van berijmde Psalmen is veel te zeggen, voor het lezen en herlezen van de onberijmde nog meer.
Ik zou wel willen dat we allemaal waren zoals die oude mensen die hun hele leven met de Psalmen geleefd hebben en in hun ouderdom in verschillende situaties een (vaak onberijmde) psalmregel te pas kunnen brengen. Ik zou willen dat iedereen die dicht, zeker ieder die liederen dicht, zich onderdompelt in dit heerlijke boek! Maar ik heb er bezwaar tegen als de traditie van het alléén zingen van berijmde Psalmen z6 verabsoluteerd wordt, dat het verlangen van de gemeente rechtstreeks te zingen van haar Heer en Heiland, van zijn lijden en sterven voor ons, van zijn opstanding, zijn verheerlijking en zijn terugkomst op de wolken, zondermeer wordt gekenschetst als een blijk van afval. Zeker, de gemeente legt bij de keuze van gezangen soms weinig onderscheidingsvermogen aan de dag, maar het feit dat men geen gereformeerde gezangentraditie kent (alleen een psalmentraditie), is daar mede debet aan. Men heeft er geenkerkelijke - ervaring mee. Zo kon het gebeuren dat in de bundel 'Enige Gezançen', die in 1933 in de Gereformeerde Kerken werd ingevoerd, wél een stuk of wat slappe piëtiistische verzen waren opgenomen, maar niet de twee prachtige psalmen van Nicolaas Beets naar Jesaja 9 en Jesaja 53: 'Daar is uit 's werelds duistere wolken' en 'Wie heeft op aard de prediking gehoord?', die men, als men t6ch putte uit de Vervolgbundel van de Ned. Hervormde Kerk, 66k daaruit had kunnen overnemen. Gereformeerden met een goed gevoel voor taal en vers voelden zich niet gestimuleerd tot het dichten van liederen en het zo verder openen van de schatten van de Schrift: er was immers in de kérk geen behoefte aan. Men moet, om goed gereformeerd te zijn en toch gezangen te dichten, behoorlijk eigenwijs zijn: dat kan ik u verzekeren. Het feit dat het nieuwe testament ons, in tegenstelling tot het oude, geen liederenbundel heeft nagelaten, wijst m.i. niet daarop dat met het ingaan van de nieuwe bedeling de kreativiteit zou moeten worden gestopt, maar eerder daarop dat in de bedeling van de Heilige Geest meer dan in het oude verbond van de kreativiteit onder de gelovigen gevraagd wordt.
Het hart Het hart, het midden van de Schrift is Christus. Het hart van ons geloof is Gods werk voor ons in Christus. Christus en zijn werk moet naar mijn gevoel dan ook het hart van de gemeentezang vormen. De Psalmen spreken van Christus, jazeker - maar op zeer verhulde wijze. Jezus moest de Emaüsgangers uitvoerig uitleggen wát in de Thora, de profeten en de Psalmen allemaal op Hem betrekking had. Soms overkomt het me bij het zingen van een Psalm in de kerk,dat ik denk: "Ja, dat is over Hém geschreven!" Ik vraag me af hoe vaak zo'n gedachte bij mijn zingende broeders en zusters opkomt en ik vraag me ook af hoe vaak ik zelf van Hém gezongen heb zonder het me te realiseren. Als de heiligen in de hemel onomwonden zingen van het Lam dat voor hen geslacht is en dat hen gekocht heeft met zijn bloed (Openbaring 5), is het dan zo vreemd als de gemeente op aarde er naar verlangt hetzelfde te doen aan de avondmaalstafel en op Pasen - en zeggen wij gereformeerden niet terecht dat het elke zondag Pasen is?

Voor mij is niet de vraag of we rechtstreeks van de Here Jezus mogen zingen, maar hoé we dat als gemeente van Hem zullen doen. Want ons wordt veel, heel veel, aangeboden op dat gebied en het is zaak onderscheidingsvermogen te ontwikkelen, te proeven en te toetsen. Dat kan alleen bij het licht van de Schrift. U zult van mij niet verwachten dat ik een weegschaal in uw midden neerzet waarop precies valt af te lezen wat een goed of een slecht gezang is. Zoals met veel dingen, is ook hier sprake van een glijdende schaal: er zijn prachtige, goede, minder goede, niet zo beste tot ronduit slechte gezangen. Ik spreek in deze lezing niet over prosodie (woord-toon verhouding) en dichterlijkheid; niet omdat ik die van minder belang zou achten, maar omdat we de handen vol zullen hebben aan de geestelijke inhoud van de liederen. Ik zal proberen daarop wat licht uit de Schrift te werpen.

Een Paaslied van Luther
Ik wil beginnen met een Paaslied van Luther: gezang 203 in het Liedboek voor de kerken. Was Luther er van uitgegaan dat in de kerk alleen berijmde Schriftgedeelten mogen worden gezongen, dan had hij dit lied nooit geschreven. En dat zou jammer geweest zijn, want al zingt Luther van de opstanding van Christus in eigen woorden, wie thuis is in de Bijbel merkt dat zijn taal gedrenkt is in de Schriften. In de eerste drie strofen worden we herinnerd aan de woorden van Christus in Openbaring 1:17,18: "Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste, en de Levende - en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk." En in de laatste drie strofen horen we de woorden van Paulus uit 1 Korinthe 5:7,8: "Want ook ons Paaslam is geslacht: Christus. Laten we derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid. Luther heeft deze Schriftgedeelten in zich opgenomen, ze zijn doorgedrongen in z'n hart, en als hij gaat zingen van de opstanding van zijn Heer, heeft hij ze paraat. Als dichter rangschikt hij zelf de woorden en gegevens en hij schakelt daarbij zijn spontaneïteit niet uit, zoals u in de laatste drie strofen kunt zien. Let u er eens op hoe Paulus' woorden "Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn" hun weerklank vinden in Luthers laatste strofe:

Wij doen het oude zuurdeeg weg, gelijk Gij hebt geboden.

Dat is meer dan het letterlijk doorgeven van het Woord - dat is een ántwoord!
Hiermee zingt de gemeente zichzelf niet de vermaning van Paulus toe (gebiedende wijs), maar gaat ze op die vermaning in en belijdt ze dat ze de beloften die daarmee samenhangen gelooft. Elke strofe eindigt dan ook met "Halleluja!", een woord dat in Paulus' betoog niet voorkomt, maar een betoog leent zich dan ook niet voor gemeentezang. Hier zingt de belijdende Kerk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief