"Laat heel de aard' een loflied wezen" (1)
1990-05-11
In 1971 zong Paul van Vliet In één van zijn conferences: - Jaargang 34
- nummer 10
"De zee heeft me verteld dat zij zo moe is.
Zij zei: "dat zij er zeer beroerd aan toe is".
Zij zei: "Wat is er toch bij jullie aan de hand?
Wat doen jullie tegenwoordig allemaal op dat land"
Zij zei: "Er komen tegenwoordig steeds meer van die dagen.
Dan kan ik alle vuile rolzool haast niet meer verdragen'"
Dat zei de zee, die vertelde dat zij moe is.
Die zei: "dat zij er zeer beroerd aan toe is".
En als de zee zegt, dat zij moe is.
Wil dat zeggen dat het land er zeer beroerd aan toe is."
Deze boodschap van Paul van Vliet van Jaren geleden komt 20 Jaar later nog Indringender op ons af. Van alle kanten en op alle mogelijke manieren klinken vandaag de waarschuwingen.
In het conciliairproces wordt onze aandacht gevraagd voor: "de heelheid van de Schepping".
Op een catechisatie moesten de catechisanten opzeggen: "dat God de hemel en de aarde, en al wat er in is, uit niets geschapen heeft".
Maar één van de jongens vergiste zich bij het opzeggen. Zonder het zelf te merken zei hij, met een ernstig gezicht: "dat God de hemel en de aarde en al wat er in is voor niets heeft geschapen". Dat scheelt maar één woordje, maar het maakt een groot verschil. En wat die jongen onbewust zei, is de levensinstelling van zeer velen in onze tijd. Ze hebben het gevoel, dat steeds meer dingen uit hun vingers glippen, dat ze de zaak niet meer in de hand hebben. Van het trotse beeld van de mens, die de schepping beheerste, is niet veel meer over. Het is niets anders dan onheil en dreiging wat de klok slaat. De rapporten van de deskundigen spreken duidelijke taal.
De mensheid staat op een kruispunt.
Als er niet onmiddellijk wordt ingegrepen, gaat het onherroepelijk fout.
Grondstoffen raken op, het milieu wordt steeds meer aangetast. Terwijl wij nog leven in betrekkelijke welvaart, leven in een veel groter deel van de wereld mensen in bittere armoede. Het ene rapport verschijnt na het andere. De diagnose is gesteld: de schepping is er beroerd aan toe".
Vrome wens
Vandaag is het thema voor deze Ontmoetingsdag: "Laat heel de aard' een loflied wezen". Maar is dat geen vrome wens van mensen die de ogen sluiten voor de werkelijkheid? Of heeft dit te maken met de toekomst, als de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij gegaan en Jezus is terug gekomen?
Heeft de kerk ook een boodschap in de concrete situatie van vandaag?
Heeft de kerk een woord voor de wereld over "een rechtvaardige verdeling tussen rijk en arm", over "oorlog en vrede", en het gebruik van vernietigingswapens? Heeft de kerk een woord voor de wereld, als het gaat om het milieu, om het omgaan met Gods Schepping? Laten wij maar eerlijk zijn, dat ook wij, als christenen, met de vele vragen, die vandaag aan de orde zijn, maar slecht uit de voeten kunnen.
En toch kan juist de Kerk van Jezus Christus vandaag een duidelijke boodschap brengen. Want God heeft op onze tafel Zijn Rapport gelegd, waarin Hij niet alleen de diagnose stelt, maar waarin Hij ons ook de weg wijst, hoe wij met Zijn Schepping dienen om te gaan.
Wanneer wij ons willen bezinnen op onze opdracht in deze wereld, dan zullen we eerst de vraag moeten stellen: hoe hebben wij deze wereld te beoordelen? Wat was en is Gods bedoeling met Zijn SChepping? Wanneer we in de Bijbel, in het scheppingsverhaal lezen, dat God na elke scheppingsdag Zijn werk bekijkt, dan lees je telkens weer: "en zie het was goed". God schiep de wereld als Zijn Wereld, als een wereld met volstrekte harmonie.
Van die harmonie vind je nu niet veel meer terug. Maar zo was het Gods bedoeling niet.
In Jesaja 45:18 zegt de Here: "Want zo zegt de Here, die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd".
Gods wereld
'In heel de bijbel lezen we, dat God na de zondeval Zijn handen niet van deze wereld heeft afgetrokken. Hij laat nog Zijn eigendomsrechten gelden over deze aarde. Hij eist deze wereld voor Zich op. In Psalm 24 bezingt David het z6: "Des Heren is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarop wonen". Dat deze wereld Gods wereld is, dat betekent, dat wij deze wereld niet mogen afschrijven, als God haar niet afschrijft, en dat wij deze aarde ook niet mogen beschouwen als onze wereld, waarmee wij kunnen doen en laten wat wij willen. Dat is pure diefstal; we eigenen ons dan Gods bezit toe. Juist Christenen zullen sterk milieubewust dienen te zijn. In de Israëlitische wetgeving werd de gedachte heel duidelijk uitgewerkt dat het eigendom heilig is, omdat het Gods eigendom is. Ik noem in dit verband b.v. de instelling van de tienden en de roeping om al het eerstgeborene te lossen. Deze wetten bedoelden niet alleen te voorzien in het onderhoud van de priesters, maar de wetten wilden vooral duidelijk maken, dat alles wat de Israëliet bezat, ten diepste niet van hem was, maar eigendom van de Here, zijn God, waar hij met vreugde gebruik van mocht maken. Heel duidelijk spreekt de Here dit ook uit ten opzichte van het bezit van het land. In Leviticus 25:23 wordt met betrekking tot het land Kanaän uitgesproken, dat het van de Here is. Hij beslist aan wie het wordt toevertrouwd.
Eigendom is geen recht, dat eeri mens van nature bezit, maar het is een door God verleend recht. Wat wij bezitten is ons toevertrouwd om het te beheren, in verantwoordelijkheid jegens de Here en de naaste.
Dit wordt ook uitgewerkt in de wetten inzake het sabbathsjaar, het jubeljaar en het verbod om bij leningen' rente te berekenen. Ook in de wetgeving over de oorlogsvoering vinden we duidelijk, dat de mens verantwoord met Zijn Schepping dient om te gaan; ik denk hierbij aan het gebod om de vruchtbomen te sparen.
Nu wordt vaak gezegd, dat deze wetten in Israël niet hebben gewerkt en dat het een dode letter is geweest.
Maar de schuld daarvan moet niet in de wetten worden gezocht, maar in het volk, dat niet wilde luisteren naar Gods regels. De profeten protesteerden fel tegen sociaal onrecht.
En als oorzaak gaven zij steeds opnieuw aan dat het volk ontrouw was aan de God van het Verbond en dat zij Zijn geboden met voeten traden, De Bijbel roept ons op te geloven, dat deze wereld Gods wereld is. En wij hebben in deze wereld, Gods wereld, de opdracht om van Gods schepping te maken wat Hij Zich er van voorgesteld heeft: een bewoonbare wereld. En deze opdracht hebben wij te vervullen op onze plaats en met de inzet van onze door God gegeven mogelijkheden. In Gods opdracht mogen wij mee- en verderbouwen aan Zijn Schepping. Onze God heeft deze wereld niet afgeschreven.
In Zijn Zoon Jezus Christus, heeft God getoond, hoe lief Hij deze wereld heeft en dat Hij deze wereld nog altijd beschouwt als Zijn wereld. En in deze wereld mag de mens nog steeds het Beeld van God vertonen.
(slot volgt)