Het Boek des levens en de boekrol uit Op. 5

1992-07-31
  • Jaargang 36
  • nummer 16
Enige tijd geleden ging mijn zoon in dit blad de Schriftplaatsen na waarin gesproken wordt over 'het boek des levens". Ofschoon de zetter zijn aanwijzingen voor de lay-out niet had gehonoreerd - de tekst van het artikel had aaneengesloten gezet moeten worden, nièt onderbroken door tekstverwijzingen; deze "behoorden in de marge van het artikel te staan - zullen geïnteresseerde lezers ondanks de zo opgeworpen hindernissen het artikel wel hebben kunnen volgen.
In wat hij over 'het boek des levens' naar voren bracht, vind ik aanleiding a) nog eens terug te komen op een punt waarover ik al vaak heb geschreven; b) in te gaan op de aard van de boekrol uit Op. 5.

Ada
Het boek des levens Het geslachte Lam De grondlegging der wereld Zo'n 35 jaar geleden publiceerde ik in 'De Reformatie' een reeks artikelen over de betekenis van de term 'de grondlegging der wereld' in het NT. Ze zijn naderhand nog eens gebundeld herdrukt door de firma Boersma in Enschede. Daarin heb ik allereerst aandacht gevraagd voor een reeks teksten die onderling verwant blijken te zijn, doordat ze een dubbele tegenstelling bevatten, nl. 1) die tussen 'voorgekend' en 'geopenbaard'; 2) die tussen 'vóór de grondlegging der wereld' en 'op het uiterste der tijden'. .
Als eerste in die reeks noemde ik 1 Petr. 1, 20. Over die Schriftplaats zou ik hier nog een opmerking kwijt willen.
Uit de analyse van het desbetreffend tekstenmateriaal heb ik toen nl. geconcludeerd, dat onder 'de grondlegging der wereld' het begin van Israëls volksgeschiedenis te verstaan is, met name het uittochtsgebeuren en de verbondssluiting bij de Sinaï.
Naderhand heeft een vergelijking tussen Ef. 1 en Gal. 3 treffend bevestigd, dat Paulus in Ef. 1, 4 het Sinaïgebeuren als 'de grondlegging der wereld' betitelt".
Nu heeft mijn zoon in zijn genoemde artikel o.a. aandacht gevraagd voor het feit dat 'het boek des levens' blijkens Op. 13, 8 toebehoort aan 'het geslachte Lam', aan Christus dus, "ons Paaslam, dat geslacht is" (1 Cor. 5, 7) zoals eertijds het paaslam in de nacht van de uittocht uit Egypte werd geslacht. (Vgl. ook Op. 21, 27.) In diezelfde tekst, Op. 13,8, vinden we ook vermeld, dat dit 'boek des levens' dateert van 'de grondlegging der wereld'.
We vinden hier dus deze drie termen . bij elkaar: het boek des levens; het geslachte Lam; de grondlegging der wereld.
Deze drie behóren bij elkaar, al worden ze slechts hier uitdrukkelijk alle drie bij elkaar genoemd.
Twee ervan noemt Johannes nóg een keer samen, en wel in Op. 17,8, nl. 'het boek des levens' en 'de grondlegging der wereld'. In verband dáármee zou ik nog willen wijzen op iets merkwaardigs in het begin van Jes. 4. De profeet spreekt daar in v. 3 van hen die na het gericht "ten leven in Jeruzalem zijn opgeschreven". En dan laat hij in v. 5 de belofte volgen, dat dezen zullen worden beschermd door wolk- en vuurkolom, een zinspeling dus op de uittocht uit Egypte!
Wat mij echter nu pas opviel is dat ook 1 Petr. 1, 18-20twee van de drie termen waarom het hier gaat, samen vermeldt: "gij ... zijt vrijgekocht ... met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam. Hij was van te voren gekend, vóór de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard ..."· Dat 'onberispelijk en vlekkeloos' (vgl.
Hebr. 9, 14) leidt onze gedachten als vanzelf naar het paaslam dat in de nacht van de uittocht geslacht werd.
Ook daaraan werd als eis gesteld, dat het 'gaaf' zou zijn, Ex. 12, 5. Deze combinatie nu van 'de grondlegging der wereld' met 'het bloed van het paaslam' in de tekst is, dunkt mij, een aanwijzing temeer, dat 'de grondlegging der wereld' slaat op de uittocht uit Egypte.

Adb
Het boek van Gods raadsbesluit(en)? In Op. 5 lezen we van een met zeven zegels verzegelde boekrol. Aanvankelijk is niemand in staat die te openen.
Maar dán blijkt 'de leeuw uit Juda's stam' het recht te hebben bevochten dit te doen (v. 5).
Wat moeten we ons bij die boekrol voorstellen? Wat mag er wel in hebben gestaan? Rechtstreeks krijgen we dat niet te horen.
De meest gangbare verklaring, die ook onder ons gemeengoed is geworden, is deze: dit is het boek van Gods raadsbesluit( en). Als Jezus Christus straks dit boek openen mag, dan wil dat zeggen: Hij mag nu de loop der gebeurtenissen in deze wereld verder afwikkelen zo als God die van eeuwigheid heeft vastgelegd.

Wat brengt het verbreken van de zegels teweeg?
Nu was ik ± twintig jaar geleden 3 eens op een heel andere gedachte gekomen. En dat op grond van wat er in feite gebeurt, wanneer dit boek wordt geopend in hoofdstuk 6.
Opening van de eerste vier zegels: Een stad komt in het nauw door beleg (6, 1-8).
Opening van het vijfde zegel: Dat heeft ze zich op de hals gehaald door haar profetenmoord alle eeuwen door; hun bloed roept tot God om wraak (6, 9-11)4.
Opening van het zesde zegel: Als dan de definitieve afrekening met deze stad dreigt, en er geen ontkomen meer is (6, 12-17),komt er nog even uitstel van executie. De orkaan van Gods gericht wordt tijdelijk aan banden gelegd (7, 1-3), en wel om 'de knechten van onzen God' door een teken aan hun voorhoofd te vrijwaren voor het oordeel dat gaat losbreken. Juist zoals het teken van het bloed aan hun deurposten de Israëlieten in de nacht van de uittocht moest vrijwaren tegen den verderfengel die Egypte de vernietigende slag toebracht.
Inderdaad: de geschiedenis van Exodus herhaalt zich. Maar nu is 'Egypte' een geestelijke naam voor "de stad waar onze Heer gekruisigd werd" (11, . 8), voor Jeruzalem!
Waar komt dus de ontsluiting van de boekrol in feite op neer? Op de uitleiding van 'het Israël Góds' (Gal. 6, 16) uit het 'Egypte' van het Christus verwerpende Jodendom, dat in de verwoesting van Jeruzalem even grondig getroffen wordt als eertijds Egypte door de dood van al zijn eerstgeborenen. Als immers in 11, 8 naast 'Egypte' als tweede geestelijke benaming 'Sodom' wordt gekozen, dan wijst die combinatie erop, dat het hier gaat om een oordeelsvoltrekking waaraan een uitleiding voorafgaat, vgl. Gen. 19, 12.13.


Twéé oudtestamentische uittochten
Die uitleiding van Israël naar Kanaän slingert zich als een rode draad door het vervolg van deze apocalyps. Alleen wordt nu ook de tweede uittocht van het oude Israël, t.w. die uit het Babel van de ballingschap, in de beschrijving betrokken", De 144.000uit de twaalf stammen van Israël (7, 4-8), die ter vrijwaring tegen het oordeel dat over 'Egypte' gaat, de naam van het Lam - het Paaslam van de nieuwe uittocht - en van Diens Vader op het voorhoofd dragen (zoals blijkt uit 14, 1) worden nl. vervolgens betiteld als "een grote schare, (die is weggehaald)6 uit alle volk en stammen en natiën en talen" (7,9); die m.a.w.
door Gods hand is teruggebracht uit Babel en uit alle landen waarheen de Heere hen verstrooid had (vgl. Jer. 23, 3 en 32, 37). Op hen worden dan ook in 7, 16 en 17 woorden betrokken uit resp.
Jes. 49, 10 ("zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten; ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte") en"25, 8 ("en God zal alle tranen van hun ogen afwissen"); woorden die spraken van Israëls uittocht uit Babel en van Jeruzalems herstel.
Alleen is op deze nieuwste tocht, waarvan de Openbaring spreekt, Israëls 'Ontfermer' (d.i. de Heere G0d) vervangen door "het Lam dat in het midden van de troon is" (een duidelijke herinnering aan Op. 5, 6). Nu gaat Hij de kudde van het naar Kanaän trekkende Israël "weiden en voeren naar bronnen van levende wateren" (7, 17 = Jes. 49, 10).

Aan de Rode Zee
Straks ziet Johannes deze schare in zijn visioenen dan ook staan aan "zoiets als een zee van glas, met vuur vermengd" (15,2, wel een herinnering aan de tot glazen muren gestolde wateren van de Rode Zee (Ex. 14, 22), verlicht door de vuurkolom (Ex. 14,20)7. En dan "zingen ze het lied van Mozes, den knecht Gods, en het lied van het Lam" (15,3); een nieuwe versie dus van het lied uit Ex. 15, 1-18.

Naar de berg Sion
Ook de vooruitblik die het slot van dat lied uit Ex. 15 ons biedt op de uiteindelijke vestiging van Israël "op de berg die Gods erfdeel is, de plaats die de Heere tot zijn woning heeft gemaakt, het heiligdom door zijn hand gesticht"
(Ex. 15, 17) ontbreekt in de Openbaring niet. Reeds vóór dit 15e hoofdstuk nl."
zag Johannes, vooruitblikkend, in een visioen "het Lam staan op de berg Sion, en met Hem de 144.000" (die uit 7, 4-8), 14, 1.

Op adelaarsvleugels door de woestijn
Inmiddels hebben we dan in hoofdstuk 12 al een herinnering gehad aan Israëls woestijnreis. V. 14 "en aan de vrouw werden de twee vleugels van den groten arend gegeven om naar de woestijn te vliegen" is een niet mis te verstane zinspeling op Ex. 19,4 en Deut. 32, 11. In deze visioenen herleeft dus Israëls verleden; met name zijn tocht uit Egypte naar Kanaän.

De specifieke inhoud van de boekrol
Uit dit vervolg op hoofdstuk 5, dat ik zojuist in vogelvlucht doorliep, krijg ik de indruk dat de boekrol waarvan in dat hoofdstuk sprake is, een heel specifieke inhoud had. Dat die nl. te maken heeft met de uittocht van 'het nieuwe Israël', van 'het Israël Góds' (Gal. 6, 16)9,uit 'het nieuwe Egypte' (d.i. 'het tegenwoordige Jeruzalem', Gal. 4, 25) en met zijn intocht in 'het nieuwe Kanaän', zijn "beërven van het koninkrijk, hem bereid vanaf de grondlegging der wereld" (Mt. 25, 34). En dat het Lam 'waardig' (gekwalificeerd) was, niet zozeer om Gods raadsbesluit(en)-inhet-
algemeen uit te voeren, als wel om een heel bepáálde beschikking van God te effectueren, nl. wat door den Heere was vastgelegd over Israëls intocht in de hun toegezegde erfenis.
Zo kwam ik op de gedachte, dat die boekrol wel eens de namen zou kunnen bevatten van hen die gerechtigd waren tot het beërven van Kanaän. M.a.w., dat we hier wel eens te maken zouden kunnen hebben met het boek waarover Mozes spreekt in Ex. 32, 32; anders gezegd met wat elders heet: het boek des levens!
Wel, wat Klaas uit de Schrift opdiepte bevestigde tot mijn verrassing dit vermoeden.

De boekrol en het geslachte Lam
Een heel sterk punt in zijn bijdrageeen punt waarmee hij mij althans wezenlijk verder heeft geholpen - is dat hij, zoals ik al zei, het verband heeft gezien en benadrukt tussen 'het boek des levens' en 'het geslachte Lam'.
Nu, wat zien we t.a.v. de boekrol uit Op. 5 gebeuren? Het hemelse hof zingt het Lam dit 'nieuw gezang' toe (v. 9.10): ..Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen, want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed uit elke stam en taal en volk en natie" - daar hebben we weer die zinspeling op de tweede oudtestamentische uittocht; zie boven over 7, 9 - en Gij hebt hen voor onzen God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters".
En met die laatste woorden had de Heere eertijds te kennen gegeven, waartoe Hij zijn volk bij de uitleiding uit Egypte had bestemd. Hij bezigde die woorden nl. tegenover Mozes vanaf de Sinaï, Ex. 19, 6.
Het recht van Christus op de boekrol en op het openen daarvan ligt dus blijkens deze verzen verankerd ('want'!) in het feit dat Hij als Paaslam zich heeft laten slachten. Kan die boekrol dan nog wel iets anders zijn dan het boek des levens, dat in
Openbaring gekwalificeerd wordt als het boek van het geslachte Lam?10

De verhelderende caricatuur
Het boek (de boekrol) uit Op. 5 zou dus een lijst van erfgerechtigden zijn. Een onaannemelijke uitleg? Ik geloof het niet.
Toen ik nl. destijds op deze gedachte was gekomen, viel mijn aandacht 'bij geval' op Jes. 34. We vinden daar een lijst van macabere beesten die bezit nemen van het door Gods oordeel volkomen 'woest en ledig' (v. 11) gemaakte gebied van Edom: "Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit, uil en raaf huizen daar" (v. 11). " ... het zal een verblijf voor de jakhalzen zijn, een hof voor de struisvogels. Hyena's treffen daar wilde honden aan, veldgeesten ontmoeten elkander; ja, daar zal het nachtspook verwijlen en een rustplaats voor zich vinden.
Daar nestelt de pijlslang, legt er haar eieren, broedt ze uit en koestert ze in de schaduw; ja, daar verzamelen zich gieren, de een bij den ander" (13-15).
En dan wordt verklaard, hoe het komt, dat deze lugubere beesten zich daar rustig kunnen vestigen: "Zoekt na in het boek des Heeren en leest! Niet één van deze wezens zal ontbreken, zij zullen elkander niet missen; want zijn mond heeft het geboden en zijn adem bracht ze samen. Hij toch wierp het lot voor hen, en zijn hand deelde hun het (land) toe methet meetsnoer; voor altijd zullen zij het bezitten, van geslacht tot geslacht daarin wonen" (16.17)11.
De door mij in v. 17 gecursiveerde woorden vertonen een frappante gelijkenis met die in Ps. 16, 5.6: ,,0, Heere, mijn erfdeel en mijn beker, Gij zelf bestendigt wat het lot mij toewees. De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven, ja, mijn erfdeel bekoort mij.
En ook de twee zinnen die dan volgen zouden zo tot Israël gericht kunnen zijn, vgl. b.V. Deut. 1,8; 15,4. God verzekerde vooruit elk van die dieren van een erfdeel op Edoms grondgebied, zoals Hij eens eiken Israëliet verzekerde van een erfdeel op Kanaäns bodem. En Hij legde dat erfrecht vast in een boek, 'het boek des Heeren' ... Ga maar naar Gods archief, en controleer het maar", zegt de profeet als het ware.

De buidel der levenden
Zover was ik in het begin van de jaren zeventig. Maar naderhand zijn mij opgravingsresultaten onder de ogen gekomen die nog aanmerkelijk scherper licht werpen op dat 'boek des levens' en zijn functie bij de uittocht van Israël.
In Phoenix (Bulletin, uitgegeven door het Voor-Aziatisch-Egyptisch Genootschap 'Ex Oriente Lux') 24, 1 (Leiden 1978) schreef Prof.Dr. K.R. Veenhof op blz. 15-30 een uitermate boeiend en belangwekkend artikel onder de titel 'Klei, kleitablet en spijkerschrift'. In onderdeel 3 daarvan (beginnend op blz. 20 onderaan) wijst hij erop, hoe men vondsten van verschillende aard met elkaar heeft weten te combineren. Het betreft vondsten van a) kleine klei-figuurtjes (bolletjes, schijfjes, eitjes, staafjes e.d.) en b) "klei-enveloppen of holle kleiballen, vaak van buiten van zegelafrollingen voorzien, soms ook met ingedrukte symbolen, en gevuld met een aantal van de boven omschreven objecten" (blz. 21). Gebleken is nu, dat deze 'beursjes' met kleifiguurtjes dienst deden in een administratiesysteem. Elk figuurtje symboliseerde een 'object' uit iemands bezit. In het bijzonder maakte men hiervan gebruik in de veeadministratie.

Veenhof vermeldt een eivormige klei-bull a uit de 15e eeuw v.C., die in spijkerschrift het volgende opschrift droeg: ..Steentjes van (betrekking hebbend op) kleinvee: 21 ooien die gelammerd hebben, 6 vrouwelijke lammeren, 8 volwassen rammen, 4 mannelijke lammeren, 6 geiten die geworpen hebben, 1 geitebok, 2 vrouwelijke geitelammeren; zegel van Ziqarru, herder".
Veenhof vervolgt dan: "OPPENHEIM ontdekte dat het opschrift vrijwel gelijk was aan de tekst HSS 7, no. 311, volgens welke dit kleinvee, eigendom van P., aan Z., de herder, was toevertrouwd om het te weiden. De bulla bevatte evenveel steentles als er dieren aan de herder waren toevertrouwd, en werd, door laatstgenoemde gewaarmerkt, naar het 'registratie-bureau' gezonden, waar de in het opschrift genoemde aantallen steentjes in de daarvoor bestemde potten of buidels konden worden gedeponeerd. Zo werd bijgehouden, van wie, onders wiens hoede, en waar de dieren waren. Veranderingenoverdracht of overgang in een andere categorie - vereisten slechts verplaatsing van steentjes. Nuzi-teksten maken in dit verband dan ook melding van het 'deponeren', 'verwijderen' en 'overbrengen' van steentjes."
Op dit punt voegt Veenhof een bijzonder interessante noot toe: "Het bijhouden van aantallen met steentjes e.d.
was blijkbaar vooral veel en lang (Nuzi, 15e eeuw v.C.) in gebruik bij de registratie van kudden, waar het uitermate praktisch was, omdat veranderingen en overgang in een andere categorievan herder A naar herder B; lam wordt ooi of ram; geschoren of ongeschoren; heeft al of niet gelammerd; levend of dood - door het overhevelen van steentjes kon worden bijgehouden. Het was een zo algemeen toegepast systeem, dat in het Oude Testament de 'buidel der levenden' een metafoor is voor Jahwe's verkiezing en speciale bescherming. Abigaïl zegt tot David in 1 Sam. 25:29: " ... dan zit het leven van mijnheer (veilig) dichtgesnoerd in de buidel der levenden bij Jahwe, uw God, maar het leven van uw vijanden zal hij wegslingeren uit de holte van de slinger" (de laatste woorden bewijzen dat ook hier aan steentjes is gedacht, in een buidel bewaard)".

Nu nogmaals 'het boek des levens'
En dan laat Veenhof een opmerking volgen die in verband met de vraag die 6ns bezighoudt, van onschatbare betekenis is. Hij schrijft: "Ontwikkeling van de administratieve technieken doet ook in Israël deze plastische uitdrukking plaats maken voor het meer prozaïsche 'boek des levens'." Waarom het aanwijzen van 'de buidel (het herderstasje) der levenden' als voorloper van 'het boek des levens' zo belangrijk is? Wel, hierom: wil 'het boek des levens' een wáárdige vervanger zijn van dat herderstasje, dan moet het daarmee toch wel deze significante trek gemeen hebben, zou ik denken, dat de schapen der kudde, die onder de hoede van een herder onderweg is, daarin één voor één staan geregistreerd.
Nu, dat de Israëlieten die uit Egypte naar Kanaän trekken, in het Oude Testament dikwijls worden voorgesteld als een kudde schapen, onderweg naar hun weidegebied, is bekend. Ik noem slechts een drietal teksten: Ps. 77, 21; 78, 52; Jes. 63, 11. Dat de uit Babel naar Kanaän terugkerende Israëlieten ons eveneens zo worden getekend, ziet men in teksten als Jes. 40,11; Jer. 31, 10; Ez. 34, 11-15.
En nu komt er tekening in het gebeuren van het begin van Op. 5. De eigenaar (God) heeft de schapen van zijn kudde geregistreerd; Hij heeft hun een weidegrond toegewezen om er voor altijd te grazen. Maar wie zal die kudde daarheen brengen? 'Het boek' ligt klaar.
Maar aan wien zal het worden ter hand gesteld? Aan welken herder zal de kudde worden toevertrouwd?
'Een herder gezocht' zou je als kopje boven Op. 5, 1-3 kunnen zetten. En zolang die niet gevonden is, is Johannes - begrijpelijk! - in tranen (v. 4). Maar dan komt het Lam. Hij gaat die kudde "weiden en ze voeren naar bronnen van levende wateren" (7, 17; vgl. Ps. 23, 2).

Noten
1 Klaas Holwerda, Het boek van het leven, Opbouw, 36e jrg., blz. 106-108.

2 Zie Opbouw, 35e jrg., blz. 114.115.

3 Het was bij de bestudering van Schriftgegevens die uiteindelijk resulteerde in zeven artikelen over De zeven zegelen, Opbouw, 1ge jrg., blz. 330, 338, 346,354, 362, 370, 378.

4 Zie de in de vorige noot genoemde artikelen, blz. 354, kolom 3.

5 Dat de belofte van terugkeer uit de babylonische ballingschap bij de profeten in sterke mate geborduurd is op het stramien van de uitleiding uit Egypte, mag bekend worden verondersteld. Men zie b.v. Jes. 43, 14-21; 51, 9-11. Ook Jer. 16, 14.15.

6 In een artikel De 144.000 en de schare die niemand tellen kan, Opbouw, 28e jrg., blz. 357, heb ik trachten duidelijk te maken, dat die 'grote schare' uit 7, 9 identiek is met de 144.000 uit de voorafgaandé verzen. Het verschil is, dat Johannes in de verzen 4-8 hun aantal hoort noemen, terwijl hij ze pas daarna te zien krijgt.

7 Deze uitleg is omstreden. In elk geval lijkt het mij, o.a. gezien de toevoeging 'met vuur vermengd', niet noodzakelijk aan te nemen, dat de woorden 'zoiets als een zee van glas' hier hetzelfde aanduiden als in 4,6. (Daar zullen ze slaan op een transparante laag, die men zich voorstelde tussen Gods woning en ons firmament.) A.J. Visser, De Openbaring van Jonennes". Nijkerk, 1975, blz. 162 noemt deze verklaring 'vergezocht', maar moet toegeven, dat het vervolg - het zingen van het lied van Mozes - "een exegese als deze toch enigszins begrijpelijk maakt".

8 De visionaire beelden die we in Openbaring achtereenvolgens te zien krijgen weerspiegelen de gebeurtenissen niet altijd in hun historische orde. Zo krijgen we, nadat we in de hoofdstukken 6-11 al heel wat van de verwoesting van Jeruzalem te zien hebben gekregen, in hoofdstuk 12 in een 'flash-back' de geboorte van Jezus te zien.

9 In Gal. 6, 16 zou ik het 'kai' interpretatief willen verstaan, en dus niet vertalen 'en over het Israël Gods', maar 'en wel (of: dat is te zeggen) over het Israël Gods'. Zie voor het gebruik van 'Gods' in deze tekst mijn artikelen in Opbouw, 10e jrg., blz. 181, 189.

10 In deze richting denkt ook Dr. C. van der Waal, Openbaring van Jezus Christus, Groningen, 1871, blz. 104.
11 In verkorte vorm - en zonder die toevoeging over 'het boek des Heeren' - lezen we hetzelfde oordeel over Babel in Jes. 13, 19-22.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief