Post uit Rwanda

1992-07-31
  • Jaargang 36
  • nummer 16
Muto
Het heeft bijna de hele dag geregend en Muto voelt zich koud en akelig. Zijn rafelige kleren zijn vochtig en de grond waarop hij ligt is hard en oneffen. Hij probeert al een tijdje om te slapen, maar het lukt niet. Op zulke momenten moet hij aan zijn moeder denken en aan zijn broers en zusjes. Die liggen nu stijf tegen elkaar op een matje en hebben het wel warm. Op zulke momenten verlangt Muto ernaar om weer thuis te zijn.
Overdag is dat anders. Het was niet fijn thuis. Muto kan zich herinneren dat moeder vroeger op het veld werkte, maar dat leverde nooit veel op. Er was nauwelijks iets te eten en het werd al minder. Langzaam maar zeker gaf moeder de moed op. Ze probeerde niet eens meer aan eten te komen en als de kinderen jammerden dat ze honger hadden zei moeder "Als je denkt het ergens beter te krijgen, ga dan." Altijd hetzelfde.
Er was wel eens een buurvrouw die ze wat toestopte, de kinderen vonden wel eens een weggegooide aardappel, of gapten een maiskolf van het veld, maar het was nooit genoeg om de honger te stillen. Toen hij acht jaar was en moeder weer eens gezegd had dat hij kon gaan als hij het ergens beter kon krijgen, dacht Muto "Waarom niet?" "Ik ga naar de stad" zei hij tegen moeder.
"Ga dan" zei die alleen maar en Muto vertrok. Hij liep mee met Ignace, een koopman die groente naar de stad ging brengen. "Stel je er niks van voor, waarschuwde Ignace, het is een hard leven in de stad. Reken maar op heel wat pakken slaag en een lege maag en nog een heleboel meer ellende." Muto haalde zijn schouders op. Zijn hart bondsde in zijn borst en hij wist niet of het angst was of verwachting. Hij ging naar de stad, eindelijk iets doen, iets nieuws. Ignace kreeg gelijk, het leven was hard in de stad. Werk was er niet voor een jongen van acht die niet eens kon lezen en schrijven en op bedelaars was men niet gesteld. Als de politie je te pakken kreeg kon je worden afgetuigd met een stok. Maar het gevaarlijkst waren nog de andere schooiertjes. Muto herinnerde zich nog goed hoe hij op een keer op een grote glanzende auto paste.
De eigenaar was even een winkel binnengegaan en Muto ging naast het portier staan. "Ik let op" riep hij naar de man. "Goed" knikte die. Toen hij terugkwam en in de auto stapte gaf hij Muto honderd frank. Honderd frank! Muto stond er beduusd naar te kijken. Als je geluk had kreeg je vijf of tien frank voor zo'n karweitje. Maar honderd frank ...
Een warm gevoel van geluk stroomde door zijn hele lichaam. Wat kon hij doen met honderd frank? Een groot bord eten kopen in een klein restaurantje, en dan had hij nog genoeg over voor wat bananen of een paar broodjes. Of zou hij kijken of hij er op de tweedehands markt een warme trui voor kopen kon? Hij aarzelde. "Geef hier" zei toen een stem achter hem. Het was Mupenzi een jongen van twaalf waarvan men zei dat hij al eens een jongen gedood had. Muto stopte het briefje van honderd in zijn zak, zo onzichtbaar mogelijk en zei toen vrolijk "Hallo Mupenzi". "Geef hier die honderd frank" zei die alleen maar.
"Weet je wat, we gaan samen uit eten, ik trakteer" probeerde Muto nog eens.
"Geef hier" zei Mupenzi. Er zat niks anders op. Muto gaf met een lelijke blik zijn honderd frank af en kreeg als dank een keiharde klets om zijn oren. Toch had Mupenzi hem later ook wel eens geholpen toen drie kleine jongens hem eens - gewoon voor de lol - af wilden ranselen. Ze hielpen elkaar als het uitkwam maar ze vertrouwden elkaar voor geen cent: geen van de schooiertjes in de stad. Muto draait van de ene op de andere zij, terwijl hij zo ligt te denken.
Au, wat is dat nou weer, hij ligt op een spijker. Vrijwel elke nacht slaapt hij ergens anders, zodra de politie je weet te vinden ben je erbij. Mupenzi heeft een eigen plekje, die is niet bang voor de politie, die bedelt en steelt genoeg geld om de politie ervan te betalen en die laten hem wel met rust, maar voor Muto is dat anders. Hij staat op en rekt zich uit. Hij gaat wat lopen, maar zijn benen willen hem haast niet dragen. "Te moe om te lopen en te moe om te slapen"
mompelt hij bitter en dan ineens krijgt hij een idee. Op een avond sliep hij vlak bij Mupenzi in de buurt. Hij hield hem een beetje in de gaten en zag dat hij aan een klein blikje ging zitten snuiven.
"Waarom doe je dat?" vroeg Muto, en Mupenzi die in een goeie bui was, antwoordde: "Om te slapen, je droomt er mooi van." Muto was nieuwsgierig dichterbij gekomen. "Wat zit er in dat blikje?"
"Benzine" zei Mupenzi. Muto kijkt om zich heen. Waar zou hij benzine kunnen vinden om het eens te proberen.
Stel je voor dat het waar is, dat je ervan gaat slapen en lekker dromen. Het moet niet zo moeilijk zijn om aan een beetje benzine te komen. Wacht, daar ligt al een leeg blikje. Muto bekijkt het goed in het licht van de maan. Het lijkt of het heel is. Nu op zoek naar benzine. Hij weet wel een huis waar altijd drie auto's staan 's nachts, elke auto heeft een tank reservebenzine. Auto's zijn gemakkelijk open te krijgen zelfs als ze op slot zijn, dat weet iedere jongen van acht die op straat zwerft. De kunst is om de zamu te ontwijken. Bijna alle huizen hebben een nachtwacht. Muto loopt zachtjes naar het huis en kruipt door een gat in de heg. Het is doodstil. Een hond is er niet, die is de week daarvoor overreden, weet Muto. Geen zamu te zien, die ligt vast ergens te slapen. Behoedzaam loopt Muto naar de auto's. Welke is het gemakkelijkst, even kijken. In een paar tellen heeft hij het slot open. Ja warempel, daar staat het tankje en er zit benzine in ook. Muto draait de dop eraf. Hij heeft maar een beetje nodig, zijn blikje is klein. "Bonk!" hij slaat met de tank tegen de auto per ongeluk. Stom. Muto zet de tank neer en kijkt om zich heen, klaar om weg te rennen als het nodig is, maar hij hoort of ziet niks. Net bukt hij zich om benzine in het blik te schenken als hij voelt hoe twee harde handen hem beet pakken. "Jij dief, jij lelijke dief" sist iemand "wacht maar jongetje, dat zal ik je afleren". Voor hij weet wat er gebeurt heeft de zamu de benzinetank gepakt en hem over Muto's hoofd leeggegooid en het volgende moment knapt het hout van een lucifer en Muto staat in brand, in lichterlaaie als een fakkel. Hij schreeuwt, hij gilt, hij rolt over de grond maar de hele wereld lijkt te branden. De zamu heeft geschrokken een pasje achteruit gedaan. Eigenlijk had hij het zo ook niet bedoeld. In het grote huis gaan lampen aan, iemand komt naar buiten rennen. "Wat is dat?" vraagt een boze stem. "Een, eh, een dief eh" stamelt de zamu. De man rent het huis binnen en komt terug met de tuinslang. "Stommeling schiet op, doe de kraan aan." De zamu holt al. Een grote straal water blust de brandende Muto, maar die merkt er al niks meer van, die slaapt. Een hele tijd later wordt Muto wakker.
Waar is hij toch? Ai ai ai, alles doet zeer.
Kijk nou, hij ligt in zijn blootje onder een mal soort tent van gaas. Hij kijkt om zich heen. Naast hem staan bedden, hé hij ligt zelf ook in een bed, in een bed met een mooi wit laken erop. Hij probeert een beetje te bewegen. Meteen komt er iemand naar hem toelopen. Het is een verpleegster met een witte schort aan.
"Hallo, zegt ze vriendelijk, ben je weer wakker? Blijf stilletjes liggen, je hebt een slangetje in je arm, zie je wel?" Ja warempel, er zit een hele stellatie aan Muto's rechterarm. "Wil je wat drinken?"
vraagt de zuster. Muto knikt. "Wacht, ik ben er zo weer en dan moet je me eens vertellen wie je precies bent want je bent de enige patiënt in het ziekenhuis van wie we niet eens de naam weten." Ze loopt weg. En langzaam maar zeker herinnert Muto zich wat er gebeurd is. Het is een wonder dat hij nog leeft. Nou zeg, en dan ligt hij nog in een bed ook, en er is een zuster die iets te drinken voor hem gaat halen.
"Moet ik nog lang in het ziekenhuis blijven?" vraagt hij als de zuster terug is. "Ja, dat denk ik wel, brandwonden helen niet zo gemakkelijk" zegt ze vriendelijk. "Fijn" zegt Muto zachtjes.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief