SCHOLASTIEK, een invalspoort voor secularisatie
1992-07-31
12. Natuur en genade- Jaargang 36
- nummer 16
De christelijke voorgangers hadden het in de begintijd van de christelijke kerk in ons werelddeel heel moeilijk.
Zij moesten op vreedzame wijze zien klaar te komen met een geestelijke vijand. Zij ervoeren in de levenspraktijk en in de theoretische (meestal theologische) bezinning de levensbeschouwelijke "anti-these" (tegenstelling) tussen kerk en wereld, tussen het leven en denken "in Gods Koninkrijk"
en in dat van een heidens gestempelde "wereld". Het was hoogst merkwaardig en achteraf zeer te betreuren dat men deze tegenstelling ging formuleren met de woorden "natuur" en "genade". Daarmee werd de genoemde geestelijke tegenstelling "verzacht", van haar scherpste kanten ontdaan. De formulering "natuur en genade" zou nl. in de toekomst blijken een zeer belangrijke en wijde invalspoort te zijn eerst voor het verschijnsel van "scholastiek" en via dat voor de secularisatie binnen het christendom. Dat kwam omdat deze formulering dubbelzinnig was en zowel in een goede bijbelse zin, alsook in een onbijbelse, levensbeschouwelijke zin gebruikt kon worden, nl. vanuit de toen algemeen heersende geest van de tijd. Ook het heidendom hanteerde immers de onderscheiding van "natuurlijk" en "bovennatuurlijk" .
We willen dit nader bezien tegen de achtergrond van de binnenheidense secularisatie, en we ontdekken dan dat op vele gebieden de latere christelijke secularisatie daarvan een afspiegeling zou worden.
13. Heidense secularisatie
Ook het heidendom kende zijn interne strijd en spanningen. Grote en populaire filosofische stromingen zoals die van de Stoïcijnen en die van de Epikureën streden niet alleen tegen elkaar op levensbeschouwelijk en filosofisch gebied, maar daar tussendoor kenden zij ook, intern én onderling, de strijd om wat wij zouden noemen de "secularisatie".
Zelf spraken zij gewoon van "goddeloosheid" (asebeia).
In het algemeen kan men zeggen dat de filosofische traditie in die tijd afkerig was van het oude mythische geloof.
Nogal wat filosofen waren voorheen aangeklaagd of zelfs gedood om hun zgn. asebeia, hun godloosheid. De filosofie had wat godsdienst betreft ook toen al vanuit haar verleden geen beste naam. Maar het tij bleek nog niet te keren.
Tegelijk met de verdere ontwikkeling der wetenschappen nam ook de (heidense) ongodsdienstigheid toe. Er was een godsdienstcrisis. De filosofie pretendeerde ervoor in de plaats te zijn gekomen. De wetenschappelijke "kennis" van de culturele elite stond hoger genoteerd dan de traditionele godsdienstige "meningen" (de zgn. dogma's) van het volk.
14. Secularisatie in de wetenschap
Filosofisch betekende deze internheidense secularisatie dat men de stoffelijke en alledaagse werkelijkheid op zichzelf, d.w.z. los van het goddelijke ging beschouwen. De traditionele pantheïstische werkel ijkheidsbeschouwing, waarin het goddelijke en het niet-goddelijke zeer nauw met elkaar verweven waren, ja vaak niet eens onderscheiden werden, werd losgelaten.
De band tussen de concrete natuur en menselijke levenswerkelijkheid enerzijds en het mysterieuze, het goddelijke anderzijds, werd theoretisch doorgesneden. In plaats van vermenging kwam de scheiding. Men ging praten over de realiteit zonder god en, indien al, in een apart hoofdstuk (de "metafysica"), over god zonder de realiteit. Niet dat men het goddelijke of de goden altijd loochende, maar in de wetenschap had men er niets mee te maken. Later zou men deze theoretische werkelijkheidsbeschouwing "deïsme" noemen, soms ook "atheïsme"; afhankelijk van de vraag of men wel of niet apart van de concrete levenswerkelijkheid nog een god of iets goddelijks geloofde. Nietzsche duidde dat zo aan: de aarde werd losgekoppeld van de zon. Onzerzijds zouden we moeten zeggen: de band tussen God en schepsel werd zowel geloofsmatig als theoretisch!
wetenschappelijk doorgesneden. Dat was de buitengewoon invloedrijke pagane (heidense) secularisatie van het leven en van de wetenschap: het goddelijke werd er uit weggedacht, eerst in de praktische goddeloosheid der mensen, dan ook in de theoretische (filosofische) werkelijkheidsbeschouwing.
Het noodzakelijke houvast dat alle theoretisch denken nodig heeft, de "grond" of de "fundering", moest toen gezocht worden in de ont-goddelijkte (ontmythologiseerde) werkelijkheid zelf, in "het zijn" als zodanig en op zichzelf, ook los van de toevallige bijkomstigheden. Men noemde dat in de filosofie vaak het "wezen", de "substantie", geestelijke of stoffelijke substanties. Maar dat "wezen" had niets meer, zoals voorheen, te maken met het geheimzinnige en mythologische van de godenwereld. "Het goddelijke" was uit de werkelijkheid weggetheoretiseerd.
15. Theologische ontaarding van
het geloof Ook de (pagane) theologie deelde in de zojuist beschreven (pagane) secularisatie van de wetenschap. Uiteraard op een iets andere, maar diep verwante wijze. God en schepsel waren immers door dezelfde ontmythologisering en ont-goddelijking van elkaar gescheiden. Zij werden beide afzonderlijk en op zichzelf beschouwd.
Het schepsel in de levenspraktijk en in de wetenschap, God in de theologie. De wetenschap bemoeide zich met het natuurlijke, de (filosofische) theologie met het bovennatuurlijke.
Theologie werd zodoende een schuilplaats voor denkers. Speciaal voor die denkers of filosofen die niet geheel wilden of konden breken met hun godsdienstige achtergrond. Of ook niet durfden, want "goddeloosheid" gold als staatsgevaarlijk! En sociaal als onfatsoenlijk. Verrationalisering en modernisering van hun geloof tot theo-Iogie, eigenlijk tot theo-ontologie (leer over het wezen van god). was hun alternatief.
16. Oecumenische reactie
Maar in de eeuwen rondom het begin van onze jaartelling was er een gedeeltelijke reactie. Het was een tijd die in dit opzicht vergelijkbaar was met de onze. Vroomheid werd weer tot op zekere hoogte geaccepteerd. Het was weer "in" om zeer tolerant en zelfs oecumenisch over de diverse godsdiensten in het éne grote Romeinse rijk te praten. De geest van de tijd was godsdienstvriendelijk, zij het met enkele beperkingen. De wrede vervolgingsperioden onder sommige keizers, stonden in verband met de religieus getinte keizerverering waaraan veel christenen niet wilden meedoen en ook in verband met hun uit de toon vallen ten aanzien van enige volksgewoonten op het gebied van de publieke recreatie.
De Stoïsche filosofen bouwden deze vernieuwde religieuze en publieke geestesgesteldheid geheel in in hun wijsbegeerte. Voor zichzelf, als geestelijke elite, moderniseerden zij het volksgeloof op wetenschappelijke (theologische en filosofische) wijze. Precies zoals vijf eeuwen tevoren ook al, en toen voor het eerst, gedaan was door Xenophanes, de uitvinder van de theologische wetenschap. Hij beoefende theologie als kritiek op het geloof.
Zo behoefden de stoïcijnse filosofen de grote massa met al haar soorten van traditioneel mythisch geloof, met
tal van verschillende regionale- en stamgoden, niet grofweg voor het hoofd te stoten. Zij bestreden zelfs op
hun manier de binnenheidense secularisatie, met behulp van de wijsbegeerte en van de destijds daarin besloten
theologie. Het goddelijke of de goden werden weer erkend als "aanwezig"! De goddelijke rede, de zgn. "logos", was in alle dingen present en men benoemde die (filosofische) goddelijke logos met traditioneelreligieuze namen: Zeus bv., maar ook
als de "vaderlijke voorzienigheid", of: "de god der goden".
17. Pendelen in de filosofie
In onze Westerse cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis zien we nu deze wetenschapsontwikkeling en de reactie daarop, verschillende keren terugkeren. Na elke periode van overheersing door een rationalistische mentaliteit volgen er reacties in de vorm van correcties, aanvullingen of alternatieven.
Zo kent onze eeuw allerlei alternatieve reacties op het (overigens ook zelf al pluriforme) rationalisme, dat in een moderne vorm herleefde in de tijd der Verlichting ("Aufklärung"): romantiek, levensfilosofie, existentialisme, personalisme, mystiek, New Age, enz. Steeds weer ook met (meest onbewuste) afspiegelingen en invloeden in de diverse wetenschappen, waarbij de theologie (ook de orthodoxe!) niet uitgezonderd is. In dit raam is ook het verschijnsel van de scholastiek te plaatsen.
18. Onbewuste voorbereiding van de secularisatie in het christendom
In dat oecumenische en godsdienstvriendelijke klimaat van het "Hellenisme" in de eerste eeuwen van onze jaartelling, en in aansluiting bij vergelijkbare problemen binnen het heidendom zelf, ontwikkelde zich toen ook binnen het christendom een bepaalde visie op het leven, en op de werkelijkheid van de wereld. Een "Ievens- en wereldbeschouwing" dus, door sommigen ook uitgewerkt in een filosofie. De grote geestelijke strijd die de christenen en hun leiders te strijden hadden tegen de geest van de tijd, in verdediging tegen de filosofische aanvallen en in de doordenking van het eigen geloof, was een goede strijd, maar zoals alle goede werken, ontsierd door zwakheden en gebreken.
19. Schepping als etiket
Zo'n zwak punt was bijv. de onbevredigende bestrijding van de heidense ontmythologisering en de te naieve opvatting dat men in de Stoïcijnse filosofie daarbij een gedeeltelijke bondgenoot kon zien. De christenen meenden het met de Stoïcijnen eens te kunnen zijn voorzover die weer rekening hielden met "het goddelijke" in de werkelijkheid, maar zij moesten natuurlijk niets hebben van hun gemoderniseerd pantheïsme. Daartegenover stelden zij met grote nadruk hun bijbels geloof dat God alle dingen geschapen had en dat Hij niet zelf ook tot de geschapen werkelijkheid behoorde.
In zoverre erkenden zij op echt bijbelse wijze de band tussen God en de kosmos: het was de band der geschapenheid. Alleen, de tijd was blijkbaar nog niet rijp om dit ook op een filosofisch juiste wijze te benaderen.
In wetenschappelijk opzicht had men niet veel aan het geloof dat God alles geschapen had. Die geschapenheid werd eigenlijk een soort etiket, een fabrieksmerk dat men aan de werkelijkheid vast hechtte, maar dat in de wetenschap geen rol speelde. Het kon er als een label afgeknipt worden, zonder dat het die werkelijkheid als zodanig anders maakte. Althans in de theoretische blik. In het voetspoor van het heidense, maar terechte afdanken van de erenetsche en oudere (voor-Stoïsche) pantheïstische mythologie, werd de werkelijkheid als zodanig door de christenen nu ook min of meer "deïstisch" bezien, ontmythologiseerd, dat is ook ontgoddelijkt. D.W.Z. men erkende van harte de geschapenheid, maar dat veranderde nauwelijks iets aan hun theoretische visie op de werkelijkheid als zodanig. Die werkelijkheid was, na het afscheid van het heidense pantheïsme, in zichzelf godloos geworden. Zij was nog slechts uitwendig, nl. in een versmald scheppingsgeloof, met God verbonden gezien door haar geschapenheid. Dat geschapen zijn werd echter voor de theoretische blik op de werkelijkheid tot een gepasseerd station. Dat alle dingen, naar het woord der Schrift, "in Christus" hun bestand hebben, en krachtens de blijvende werkzaamheid van Gods schepperswil voortbestaan, werd ongetwijfeld wel geloofd, maar dat geloof kon blijkbaar nog niet doorwerken in de wetenschappelijke visie op de werkelijkheid.
20. Nog geen christelijkfilosofische werkelijkheidsbeschouwing
De Stoïsche idee van een kosmische goddelijke wereldorde wisten de vroeg-christelijke theologen, ongetwijfeld mede tengevolge van hun afkeer van het heidense pantheïsme, nog niet om te zetten in een bijbels verantwoorde filosofische theorie omtrent "scheppingsordeningen". AI te naief meende men ten aanzien van de normen en structuurwetten die in de werkelijkheid waren "ingeschapen", de gangbare filosofische beschouwingen, die voornamelijk aan Plato en het platonisme waren ontleend (in mindere mate ook aan Aristoteles), te kunnen meemaken. Zoals de joodse filosoof Philo enkele eeuwen vóór hen, ook al gedaan had. Alleen nu, in hun tijd, leefde het platonisme in gewijzigde vormen voort in het stoïcisme en het neo-platonisme. En vooral door de grote theoloog en filosoof Augustinus bleef de wijsgerige werkelijkheidsvisie bevangen in allerlei trekken van dit neoplatonisme. Uit de aard der zaak werkte dit aantoonbaar door in zijn theologie. In zijn dogmatiek, maar ook, en niet het minst, in zijn theologische ethiek. Anders gezegd: de theoretische (wijsgerige) werkelijkheidsbeschouwing bleef onbedoeld "wereldgelijkvormig". Zij werkte dan ook als een gevaarlijke ziektekiem in het lichaam der theologie.
21. Wereldgelijkvormigheid in de scholastiek
Hier naderen we nu het essentiële, het meest kenmerkende van wat scholastiek genoemd wordt. Niet slechts een bepaalde technische denk- en discussiemethode is daarvan het belangrijkste punt, zelfs niet de overheersende problematiek inzake de harmonisering van geloven en denken, van geloof en wetenschap. Nee, het hierboven in zijn ontstaan geschetste pogen, om (ongewtijfeld geamendeerde) heidense filosofische werkelijkheidsvisies te harmonieren met het christelijk geloof, dat was het eigenlijke karakter van de scholastiek. Terwijl velen, met name r.kath. denkers, in hun begrijpelijke bewondering voor Thomas van Aquino, die zgn. synthese, die verbinding van christelijk geloof met een gangbare, niet-christelijhke theoretische werkelijkheidsbeschouwing prijzen en bewonderen, zien wij daarin juist de grote invalspoort voor de secularisatie van het christendom op het gebied van de wetenschapsbeoefening.
Dit nu heeft tot op de huidige dag doorgewerkt in alle wetenschap. Allereerst in de theologie, de orthodoxe niet uitgezonderd. Vrijzinnige theologie is geen wettig, maar wel een natuurlijk kind van orthodoxe theologie.
Want in elke wetenschap, ook in de theologie, is men structureel genoodzaakt, gebruik te maken van theoretische visies op de geschapen werkelijkheid.
Dat kan ik in deze paar artikeltjes niet nader aantonen, maar voorzover ik dit al niet eerder deed in dit blad, hoop ik dat binnenkort alsnog wat uitvoeriger te preciseren en te illustreren.
22. Verabsolutering van het verstand in de scholastiek
Het woord "scholastiek" heeft in ons kerkelijk spraakgebruik behalve een historische betekenis ook nog de bijbetekenis van rationalisme (dat met "mystiek" gecompenseerd pleegt te worden) en van allerlei splinterige en hoog abstracte theologische onderscheidingen.
Dat is begrijpelijk, en ten dele ook wel waar. Maar zoals gezegd: dat is niet het belangrijkste. Dat belangrijkste zit in de meestal onbewuste gewoonte om christelijk geloof te verbinden met wereldgelijkvormig wetenschappelijk denken.
Intussen is het van groot belang dat alom bekende en gehanteerde verwijt van rationalisme in de scholastiek eens nader te bezien. In ons eerste artikel over scholastiek kwam het al ter sprake, maar dat moeten we nu nader preciseren en afmaken, Dat volgt dan in het echte slotartikel, want mijn voornemen om in twee artikelen klaar te komen met de scholastiek, is mislukt.