Christus in het kerklied (3)
1992-07-31
"Mijn Heer en mijn God!" Dat roept de apostel Thomas uit, wanneer de opgestane Heer hem uitnodigt dichterbij te komen en met zijn vingers de wonden in zijn handen en zijn zijde te betasten.- Jaargang 36
- nummer 16
Jezus is Heer
'Mijn Heer en mijn God!' In een van de oudste hymnen, waarvan men vermoedt dat ze in de eerste christelijke gemeenten gezongen is, Filippenzen 2:6-11, wordt Jezus' zelfvernedering, zijn gehoorzaamheid aan God en zijn kruisdood bezongen. De hymne blijft daar niet bij stáán, maar vervolgt: "Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus alle knie zich zou buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden: JEZUS CHRISTUSIS HEER,tot eer van God, de Vader."
Slaven van de zonde en de duivel die we waren, heeft Hij ons losgekocht, opdat we tot eer van zijn Vader zouden belijden dat Hij onze Heer is. Jezus ging heel vertrouwelijk, intiem, met zijn discipelen om, en op een gegeven moment noemt Hij hen, en daarmee ook ons, zijn vrienden. Maar Hij wordt nooit ons vriendje. De discipelen blijven Hem ook daarna Meester noemen.
Johannes, die het meest vertrouwelijk met Jezus omging, het meest van zijn woorden heeft opgevangen en bij de Paasmaaltijd aan zijn borst lag, valt, wanneer hij Jezus bij zijn verschijning op Patmos in al zijn heerlijkheid ziet, als dood aan zijn voeten. Christus láát dat niet zo: Hij legt zijn rechterhand op Johannes en zegt: "Wees niet bang, want Ik ben dood geweest maar Ik leef en Ik heb de sleutels van dood en dodenrijk". Met andere woorden: ook in jouw leven heeft niet de dood, maar heb Ik het laatste woord. De persoonlijke relatie wordt hersteld, maar het is een vertrouwelijke relatie met een verhéérlijkte Heer.
Oudheid
De oude Kerk heeft er sterke nadruk op gelegd, tegen allerlei ketterijen in, dat Christus God is. Zozeer zelfs dat men Christus en zijn Vader geheel met elkaar ging vereenzelvigen. Zo kwam men er toe Maria 'theotokos', d.i. moeder, voortbrengster van God, te noemen, alsof een mens God kan voortbrengen. Ook is men gaan spreken over God die mens geworden is i.p.v. naar bijbels spraakgebruik over Gods Zoon die in het vlees is verschenen, Gods Woord dat vlees geworden is. En over God die aan het kruis hing, terwijl het de mens, de dienstknecht Jezus was die daar hing. Toch valt het nooit hoog genoeg te waarderen dat de oude Kerk de belijdenis van Thomas, 'mijn Heer en mijn God', heeft vastgehouden en in tal van liederen uitgezongen.
Middeleeuwen
In de Middeleeuwen vindt met de opkomst van de mystiek een vreemde verschuiving plaats. In veel liederen wordt Jezus dan mijn geliefde, de bruidegom van mijn ziel. Het objectieve, zakelijke, kerklied gaat plaatsmaken voor het subjectieve lied. Objectief en zakelijk: het zijn afgrijselijke termen, maar in de kerkliedgeschiedenis wordt er iets positiefs mee bedoeld, nl. liederen die uitgaan van de heilsfeiten zoals de Bijbel ons die vertelt: dat God zijn Zoon voor ons heeft gegeven, dat Christus voor ons geleden heeft en gestorven is, dat Hij onze opgestane Heer is die in de hemel plaats voor ons bereidt en dat Hij op een dag zal terugkomen om de wereld te oordelen en voor altijd onder ons te wonen. Men kan daar op een persoonlijke manier van zingen, zolang wat de Schrift ons meedeelt maar de voedingsbodem van het geestelijke lied blijft. In de mystiek echter gaan de persoonlijke gevoelens die de dichter voor 'zijn' Jezus heeft, de boventoon voeren. Het gaat niet meer om het heil der wereld, maar "verzonken in een mystieke beleving verengt zich de horizon en cirkelen de gedachten nog slechts om twee polen: God en mijn ziel" (C.P. van Andel: Tussen de regels, blz. 43). De mysticus wil dat iedere afstand tussen God en zijn ziel verdwijnt: hij wil volledig één worden met God, een in wezen heidense gedachte.
Wie is de bruid?
Christus als Bruidegom: ook in de Schrift komen we Hem zo tegen. Paulus vergelijkt in Efeze 5:25 de verhouding tussen man en vrouw met die tussen Christus en zijn gemeente. Christus, die met zijn dood de bruidsprijs voor haar betaald heeft, haar gereinigd heeft en zonder vlek of rimpel vóór zich stelt. In Openbaring 19 wordt gezongen van de bruid van het Lam, de gemeente, die zich voor haar grote Bruidegom mag tooien met het fijne linnen van de rechtvaardige daden der heiligen. Maar niet zozeer uit deze Schriftgedeelten putten de bruidsliederen van de mystiek en het latere piëtisme hun stof. Die halen ze liever uit het Hooglied, waar het naar mijn bescheiden mening over de natuurlijke liefde tussen een jongen en een meisje gaat. Maar de mysticus past deze erotische poëzie toe op Christus en zijn ziel. Ook in het liedboek komen we een aantal van deze verzen tegen.Een ervan is lied 157, van de hand van Philipp Nicolai:
(1) Kom tot mij, Zoon van David, kom, mijn Koning en mijn Bruidegom, mijn hart wil ik U geven. Lieflijk, vriendlijk, schoon en heerlijk, zo begeerlijk.
(2)O lelie die mijn hart bekoort.
(4) Hoe lieflijk is uw gelaat; als gij uw ogen op mij slaat, dan doet de vreugd mij beven.
(5) Uw Zoon komt tot mij, kiest mij uit, Hij is mijn liefste, ik zijn bruid, ik treed Hem zingend nader. Hij, de mijne ...
(6) Hij staat voor altijd aan mijn zij. Mijn schone liefste is van mij, in Hem wil ik verzinken.
(7) Hoe is Hij mij zo innig na, de Alfa en de Omega, mijn hart doet Hij ontbranden.
Kom mij troosten, allerschoonste, mijn begeren, toef niet langer, komOHere.
Lijdensmystiek
Maar de mystiek ging verder: ze wierp zich op Jezus' lijden aan het kruis en op zijn wonden om daar als het ware in te zwelgen. Van de eerbied waarmee b.v. Openbaring 5 over het geslachte Lam zingt is weinig meer terug te vinden. De vrome ziel wil er met de neus bovenop staan wanneer Jezus aan het kruis gespijkerd wordt en wanneer de speer in zijn zijde wordt gestoken, wil er net als Thomas met de vingers aanzitten (soms wordt zelfs gesproken van 'drinken' uit Jezus' wonden). Maar terwijl het Thomas te doen was om een bewijs dat Christus ècht was opgestaan, en hij al direct na Jezus' woorden met zijn belijdenis komt (waarschijnlijk heeft hij helemaal niet getast in de wonden van zijn Heer), gaat het de mysticus om de beléving van Jezus' lijden: hij wil die zelf voelen en doormaken - in plaats van eenvoudig en dankbaar uit Christus' volbrachte werk te leven.
Toen Maria Magdalena in de hof van Jozef van Arimathea haar opgestane Heer vastgreep, zei Jezus: "Houd Mij niet vast, Maria, want Ik vaar op naar mijn Vader en mijn God." En heel bemoedigend zegt Hij er bij: "naar uw Vader en uw God". Want daarvoor was Hij op aarde gekomen, om ons bij zijn Vader te brengen. Ik heb bij een aantal kerst- en lijdensliederen wel eens de indruk dat de dichter Jezus wil vasthouden in de kribbe en aan het kruis, om Hem zo dichter bij zich te brengen, te houden. Maar Jezus heeft óns dichter bij Gód gebracht. In kringen waar men Jezus vooral in zijn gemoed wil beleven, doet zich ook het merkwaardige verschijnsel voor dat er niet meer, nooit meer, tot de Vader, maar alleen tot Jezus gebeden wordt. Dat was b.v. het geval bij de HerrnhuUers van Von Zinzendorf. Zeker, het nieuwe testament leert ons Christus aan te roepen (ik noemde in het begin al een viertal teksten), maar het kan nooit Jezus' bedoeling zijn geweest ons van het bidden tot zijn Vader af te houden.
"Leer ons bidden," vroegen zijn discipelen Hem, en Hij begon met: "Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd." Als het 'mijnen' van Jezus niet zozeer leidt tot de belijdenis 'mijn Heer en mijn God', maar meer tot 'mijn zoete, schone Jezus', komt ook God de Vader niet aan zijn eer. In die hymne van daarnet, Filippenzen 2:6-11, worden de belijdenis 'Jezus Christus is Heer' en de eer van God, de Vader, met elkaar verbondenwant om de eer van zijn Vader was het Christus te doen toen Hij voor ons op aarde kwam. Ik ben er van overtuigd dat het niet aan ons is Christus te beklagen in zijn lijden en zijn wonden (0 hoofd vol bloed en wonden, Mijn Verlosser hangt aan 't kruis) - we bereiden Hem geen groter vreugde dan wanneer wij vrijmoedig gaan naar de troon der genade, waarvan Hij de toegang voor ons heeft ontsloten aan het kruis (Mattheüs 27:51).