Barmhartigheid in de Thora (1)

1990-05-25
  • Jaargang 34
  • nummer 11
Geloofd zij de Vader der Barmhartigheden

Barmhartig en genadig is de
HERE.
lankmoedig en groot van goedertierenheid;
Gelijk zich een vader ontfermt
over zijn kinderen.
ontfermt zich de HERE over wie
Hem vrezen.
Want Hij weet wat maaksel wij
zijn.
gedachtig dat wij stof zijn.

Dat leert de Schrift niet pas voor eerst in Psalm 103. maar zo openbaart de HERE zich al volop in de Thora. de vijf boeken van Mozes. het basisdeel van de Heilige Schrift. Het eerste woord. dat God na de zondeval tot ons sprak. getuigde al van zijn grote barmhartigheid. Want Hij verstootte het revolutionaire mensdom niet voor eeuwig. maar riep: "Adam. waar ben je?" en beloofde voor Iemand te zorgen die Satan zou overwinnen. Wij mogen nu weten.
dat Gods barmhartigheid zó groot was. dat Hij nog liever zijn eniggeboren Zoon in de dood overgaf dan ons daarin voor eeuwig verloren te zien gaan.
Zo lief had God ons mensenleven!
Hoe komt men er toch bij de Wet van Mozes hard te noemen?
Ze druipt om zo te zeggen van Gods barmhartigheid. Nu had Hij voor de zondvloed zóveel smart van ons mensen ondervonden. ja berouw gehad dat Hij ons geschapen had.
maar toch was Hij zelfs toen nog zo barmhartig dat Hij het menselijke leven niet geheel en al vernietigde.
De ark op de zondvloed-oceaan verkondigde niet alleen Gods toorn.
maar ook zijn mededogen. Het zondige mensdom werd niet geheel en al vernietigd.
En wat dacht u van Gods genadeverbond met Abraham. waarin ook wij met ons voor- en nageslacht geboren zijn? Is dàt vooral geen roerend bewijs van zijn barmhartigheid? Hij beloofde ons daarin niet alleen: "Ik ben uw God". maar legde dat bovendien bij verdrag met ons vast. zodat de gelovigen nu op zijn barmhartigheid mogen rekenen.
Toen Hij in de woestijn voor Mozes zijn naam uitriep. openbaarde Hij zich ook als "barmhartig en genadig.
lankmoedig. groot van goedertierenheid en trouw (-). die ongerechtigheid.
overtreding en zonde vergeeft.. .. Ex. 34:6v. Zo wilde Hij bij zijn volk bekend staan en zo werd zijn faam ook door de eeuwen heen.
Hij was barmhartig voor de slavin Hagar. toen ze het sterven van haar kind niet kon aanzien. Gen. 21: 8-21.
Hij zorgde voor Jozef in de gevangenis.
Toen de Israëlieten in Egypte het uitschreeuwden van ellende raakte Hem dat diep. want het waren Abrahams kinderen! En toen Hij hen verlost had en zij Hem in de woestijn telkens treiterden door hun ongeloof.
won zijn barmhartigheid het toch steeds weer van zijn toorn. Morden ze brutaal om vlees? Goed. Hij zou voor vlees zorgen. Ex. 16:22. Num. 11:31 v.
Ja, op welke bladzij spreekt de Thora eigenlijk niet over Gods barmhartigheid?
Wat verkondigde het zoenbloed op de altaren anders dan Gods diepe medelijden met zondige mensenkinderen. die de hoogste straf verdiend hadden? AI zijn geboden en inzettingen zijn mede ingegeven door zijn Goddelijke barmhartigheid.
zoals ik straks nader zal aanwijzen.
Dit eerst over Gods barmhartigheid.
Nu de onze!

Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is
De Here Jezus gebood ons immers in zijn Bergrede de barmhartigheid van de HERE God in ons leven na te volgen. "Weest barmhartig". sprak Hij, "gelijk uw Vader barmhartig is".
Luk. 6:36. Daarmee leerde Hij niets nieuws. want dat had de HERE zijn volk in de Thora van Mozes reeds op allerlei wijze op het hart gebonden: "Weest barmhartig. want Ik ben barmhartig!"
Dat geldt ook volop van de Tien Woorden.

AI Gods geboden zijn barmhartigheid
Wat zijn die tien grondregels van het Koninkrijk Gods doorgeurd van Gods barmhartigheid. juist omdat ze zo heilzaam voor ons zijn. Satan zaait eeuwig haat en verwijdering; hij is uit op onze dood. Maar God gunt ons het leven. dat blijkt ook de fundamentele eis die God stelt in de Tien Woorden: "Heb Mij lief boven alles en je naaste als jezelf. Daarmee kijken we God als het ware in zijn barmhartige Vaderhart.

Probeert u zich die eerste hoorders van de tien geboden eens voor te stellen: magere. afgebeulde vaders en jongens. die drie maanden tevoren nog in de hete steenbakkerijen werden afgeranseld. Om hen heen pyramiden van dode farao's. Op straat de grijnzende tronies van sfinxen en andere Egyptische afgodsbeelden.
En nooit een dag rust, almaar ploeteren. Hoeveel jaren nu al?
Wat zullen deze stakkerds dan hemelse muziek beluisterd hebben in de Tien Woorden! Daar klonk Gods liefde voor het gekneusde en gebroken mensenleven. 't Was ook uit barmhartigheid dat Hij hun de harde afgoden- en beeldendienst verbood.
En omdat Hij zo'n diepe afkeer had van slavernij, gebood Hij Israël niet alleen zijn zoon en dochter. maar ook zijn personeel. gastarbeiders. ja zelfs ossen en ezels wekelijks een volle dag vrij te geven. Zo beschermde Hij in het Se gebod het Israëlitische gezin. in het 6e zijn leven. in het 7e zijn huwelijken. in het 8e zijn bezittingen en in het ge zijn rechtspraak. En de barmhartige Wetgever was zó overtuigd van de heilzame werking van zijn geboden.
dat Hij er later meer dan eens van zei: "De mens die ze doet (gewoon.
gelovig in praktijk brengt). zal daardoor leven" (= een beter leven hebbel.
Lev.18:S. Ezech. 20:11. 13.21.
Dit eerst over de Tien Woorden in het algemeen.

Het verbondsboek, Ex. 20: 22-23:33
Om Israël nu te leren hoe het deze grondregels zou moeten toepassen.
gaf de HERE er meteen een korte verklaring bij. Deze eerste toelichting van de Tien Woorden vinden we in Exod. 20:22-23:33.We noemen dit Schriftgedeelte het Verbondsboek.
Ex. 24:7. De HERE heeft dat op de berg eerst aan Mozes bekend gemaakt en die heeft het later aan Israël doorgegeven.
Daarmee ontvingen zij geen puur godsdienstig boek. dat uitsluitend handelde over godsdienstige dingen zoals kerkgaan. offeren. bidden en dergelijke. Gods verbond omvatte heelisraëls leven en daarom gaf Hij niet alleen aanwijzingen over altaren.
maar ook voor het geval iemand zijn slaaf een tand had uitgeslagen.
Of vergeten had het deksel op zijn put te leggen. zodat het dier van een ander er in gevallen was. Of de ezel van zijn naaste in elkaar zag zakken.
Of verzocht werd wat geld te lenen.
Alles wat de HERE daarover leerde.
was doorgeurd van zijn liefde en barmhartigheid.
Twee voorbeelden daarvan uit het Verbondsboek: Stel u voor, een vrije Israëliet is in zware financiële moeilijkheden geraakt, zelfs zo erg dat hij zich voor lange tijd als 'dienstknecht' (ébéd, iets tussen dagloner en I.ijfeigene in) alleen tegen kost en inwoning heeft moeten verhuren. Hij kan zich dus nooit opwerken. Wat gebood de HERE nu in zijn barmhartigheid omtrent zo'n man? "Zul je hem na zes jaar als vrij man laten gaan?" En Mozes voegt daar in Deut. 15 nog aan toe: "En zul je hem dan vooral niet met lege handen wegsturen?
Geef hem een royaal afscheidsgeschenk mee: wat schapen en geiten en een hoeveelheid graan en wijn.
Want denk er om, hij mag evengoed delen in de welvaart die God u gaf als u. Vergeet in zo'n geval vooral niet dat jullie van huis uit zelf ook vrijgelaten slaven bent", Deut. 15:14v. Wij zouden zeggen: Welgestelde Nederlander, vergeet niet dat je eigen grootouders nog armoe hebben geleden! Laat jij dan nu armen delen in de welvaart die God jou schonk.

Het tweede voorbeeld. Iemand heeft zijn dochter als bijvrouw uitgehuwelijkt of verkocht, natuurlijk ook al niet uit weelde. Maar in tegenstelling met een man mocht je zo'n vrouw na zes jaar beslist niet op straat zetten.
Evenmin haar als slavin houden of buiten Israël verkopen. Een Israëliet, die mocht haar wél vrijkopen. En als haar man zo weinig voor haar voelde dat hij haar totaal verwaarloosde en ook niet meer met haar sliep, wat dan? De stakkerd .maar aan haar lot overlaten? Nee, in zo'n geval mocht ze hem als vrije vrouw verlaten. Zo barmhartig was de HERE voor zo'n arme bijvrouw. Hij verfoeide weliswaar de veelwijverij, maar het feit aanvaardend dat dit kwade instituut nu eenmaal bestond, eiste Hij dat ook daarin nog zoveel mogelijk barmhartigheid bewezen zou worden.

Dit over barmhartigheid in het Verbondsboek.

Deuteronomium over Gods barmhartige geboden
Ik stel u voor nu het boek Deuteronomium eens op te slaan. Daarin heeft God de HERE vlak voor de intocht in Kanaän nogmaals een verklaring gegeven van de Tien Woorden, nu nog veel breder dan die van het Verbondsboek. Ik wil u ook daaruit een aantal voorbeelden doorgeven waaraan u kunt zien hoe door en door barmhartig de Thora Israëls leven regelde. Ik zou daarvoor het liefst alle Tien Woorden met u nalopen, maar dat valt buiten mijn bestek.
Ik doe dus een keus. (Voor nadere studie over dit onderwerp verwijs ik naar C. Vonk, Voorz. Leer Ic, Numeri-Deuteronomium).

Het vierde gebod, Deut.15:1-16:17.
Laat ik beginnen met het vierde gebod. Daarover handelt Mozes in Deut. 15:1-16:17. En wat zegt hij daar wel over de onderhouding van de sabbatdàg? Niets! Helemaal niets.
Hij onderwijst daar de géést van dit gebod: "Weg met de slavernij! Vrijheid, blijheid!" Daarom plaatst Mozes in zijn verklaring van het vierde gebod onze-arme medemensen voorop. Wat betekent volgens hem die barmhartige vrijheid-blijheidgeest van het vierde gebod voor iemand die verarmd is?
Daarvoor ontleent hij drie voorbeelden aan het sabbatsjaar. U weet dat Israël dan een heel jaar vakantie mocht nemen. De HERE zou dan wel voor zo'n grote oogst zorgen dat het voor twee jaar te eten zou hebben.
Over vrijheid-blijheid gesproken!
Hoe zou men in zo'n jaar moeten optreden tegenover iemand die in de schulden was geraakt? Wel, dan zouden zijn schuldeisers hem heel zijn schuld kwijt moeten schelden.
Want God had die arme drommel niet uit Egypte verlost om in plaats van een Egyptische drijver nu een Israëlitische achter zich te krijgen.
Dat zou in faliekante strijd zijn met de barmhartige geest van het sabbatsgebod.

Natuurlijk had Israël daarmee nog geen hemel op aarde: die krijgen we pas als de Here Jezus wederkomt.
Er zou tussen twee sabbatsjaren nog genoeg zorg en verdriet overblijven in Israëlitische gezinnen. Ook materiële nood. Je moest maar als weduwe met een paar kinderen achtergebleven zijn of door langdurige ziekte je bedrijf achteruit zien gaan.
Stel u voor dat zo iemand dan aan een gegoede broeder moest gaan vragen hem wat geld te lenen. Zo'n welgestelde Israëliet zou dan eerst 's op de kalender kunnen kijken en bij zichzelf kunnen denken: "Over anderhalf jaar is het sabbatsjaar ...
Als ik dat geld nu uitleen, kan ik er tegen die tijd naar fluiten ..."
Zo'n geval brengt Mozes ter sprake naar aanleiding van het vierde gebod.
Vindt u 't niet treffend? Want dan kwam het er voor die beter gesitueerde Israëliet op aan zijn arme broeder te helpen in de geest van het sabbatsgebod: Vrijheid, blijheid!
"Geef dan royaal", zei Mozes, "en laat dat geld u vooral niet aan het hart gaan ... Want dat is volgens Mozes het vierde gebod: Als je een arme drommel wat kunt uitlenen, doe het dan gul! Ook al staat het zevende jaar voor de deur! De HERE zal je erom zegenen bij alles wat je onderneemt.
Dat was volgens Mozes de geest van het vierde gebod: Barmhartig zijn.
Helpen. Geven. Sociale hardheid en schrielheid bestrijden. Royaal zijn voor arme mensen. Doe ze 's een plezier als je kunt. Heeft je 'slaaf' zijn diensttijd er op zitten? Maak dan wat moois van het afscheid. Geef hem een flinke gratificatie mee. Laat die arme drommel ook 's een zak wijn in huis hebben. Helemaal in de geest van jullie eigen onvergetelijke ontslag uit de slavendienst in Egypte. Vergeet nooit dat jullie dat vroeger zelf ook waren: arme, afgebeulde, rechteloze en bezitloze slaven.
Continu-arbeiders zonder rust of loon. Of zoals onze Here Jezus de geest van het vierde gebod tegenover de harde, wetticistische Farizeeën eens onder woorden bracht: "Barmhartigheid wil Ik en geen offerande!", Matth. 9:13,12:7.
Dit over de evangelische geest van het vierde gebod.

Het zesde gebod, Deot. 20:1-22:12
Nu iets uit Mozes' bespreking van het zesde gebod: "Gij zult niet doodslaan".
Daarover spreekt hij in Deut. 20:1-22:12.
En wat brengt hij daar wel bij ter sprake? Alweer van die verrassende dingen! Dat je een krijgsgevangen vrouw als je haar zat was niet als slavin mocht verkopen. En dat als je twee vrouwen had je niet aan de later geboren zoon van je lievelingsvrouw het eerstgeboorterecht mocht toekennen. En dat als je de weggelopen koe of ezel van je buurman vond, je die beesten niet in je eigen stal mocht zetten. Alsof jij niet wist dat hij ze kwijt was. Opkomen voor de eigendommen van je buurman!
Denk er om, van het léven van je naaste moet je afblijven!
En dat leven vatte Mozes zo ruim op, dat hij bij zijn verklaring van het zesde gebod niet bleef staan bij letterlijk bloedvergieten, maar dat hij alle leven vergallen, leven onmogelijk maken, leven vernielen als zonde tegen het zesde gebod aanmerkte.
Je leven, dat is in de Bijbel een heel ruim woord. Daartoe behoort blijkens het boek Deuteronomium ook je kind.
Wanneer jij als Israëlitische vrouw je man zijn eerste kind schonk en hij neemt er later een vrouw bij, van wie hij meer gaat houden dan van jou, zelfs zo dat hij haar later geboren zoon het eerstgeboorterecht verleent, dan komt hij aan je leven als vrouwen moeder. Dan haalt hij daar ruw de kroon vanaf en zet hij daar een wel heel zware domper op.
Maar dan zondigt hij tegen het zesde gebod, het gebod van de levensbescherming.
Want dan 'vermoordt' hij z'n vrouw, ook al vloeide er geen druppel bloed.
Net als dat weggelopen rund of die zoekgeraakte ezel van uw buurman.
Een wat juridisch aangelegde Pietje Precies vindt natuurlijk dat zulke dingen onder het achtste gebod vallen ("Gij zult niet stelen"), maar Mozes snijdt dit allemaal bij het zesde gebod aan. Het zijn namelijk bestanddelen van het leven van uw broeder en dat leven moet u in alle opzichten beschermen, tot zijn ezeltje toe.
Proeft u Gods grote barmhartigheid?
"Buiten God is het nergens veilig, heilig is zijn hoog' gebod", dichtte Vondel. Hij had ook kunnen zeggen: Barmhartig is zijn hoog gebod. Daardoor wil God ons 'leven' beschermen, in de ruimste zin van het woord: ons huwelijksleven, ons gezinsleven, ons gemeentelijk leven, ons maatschappelijk leven. Wat Satan wil, dat weten we. Ons leven moet in alle sectoren kapot. Dood.
Vernietigd. Vergald. Verzuurd. Ondermijnd.
Onder een domper. Maar Mozes liet ons horen wat God wil: dat ons leven in alle opzichten groeit en bloeit. Daarvoor gaf Hij in zijn grote barmhartigheid zelfs zijn Zoon over in de dood.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief