Weer gesjacher met Gods zegen
1990-06-08
Zou Jacob onze eerste keus ziJn geweest bij een sollicitatieprocedure met het oog op de toekomst van de wereld (Deut. 7:7, 8; Am. 9:7; vgl. Jes. 55:8,9)7 Het is maar goed dat we van bijv. een Paulus kunnen leren hoe we de Schriften en de helIsgeschiedenis goed moeten lezen (Rom. 9:11,12).- Jaargang 34
- nummer 12
Positiebepaling
Jacobs diensttijd (Hos. 12:13) bij Laban zit erop. Nu wil hij zich ogenschijnlijk losmaken om terug te keren naar Kanaän. Ogenschijnlijk, want hij kan Labans reactie wel voorzien. Wie wil zijn beste personeel nu zien vertrekken van de ene dag op de andere?
Even doet Laban beleefd of hij de mindere is: "zo ik genade gevonden heb in uw ogen"; zoiets als: als het u belieft ...
De onderhandelingen zijn geopendJacob doet de eerste zet: ,;...ge weet welke diensten ik voor u verricht heb" - waarmee hij subtiel zijn waarde voor Laban aangeeft. Laban repliceert even subtiel: "Ik heb waargenomen dat de HERE (!) mij om uwentwi I gezegend heeft."
Pauze. Dat laat hij even betijen. En daarna komt dan pas: "Bepaal wat uw loon bij mij zal zijn; en ik zal het geven." En zo is Jacob weer aan zet.
Maar dat wordt - echt Oostersgeen rechtstreeks antwoord: de onderhandelingen zijn nog maar- net begonnen. Heel diplomatiek worden nog wat relevante zaken voor het voetlicht gehaald en fijntjes wordt Laban herinnerd aan zijn vroegere (precaire) en huidige financiële positie.
Tevens neemt Jacob Labans verwijzing naar de zegen des HEREN over maar dan wel door zelf te verwijzen naar de financiële consequenties en voordelen voor Laban.
Met als klapstuk: wanneer zal ik ook eens voor mijn eigen huis (voor mijzelf) kunnen werken?
Inzet: Gods zegen
Het lijkt een gewone onderhandeling, maar ziet u wat Jacob aanvoert om in handen te krijgen wat hem voor ogen staat? Denk maar eens aan wat God hem in' Bethel beloofde: " ...met u en uw nageslacht zullen alle geslachten des aard bodems gezegend worden" (Gen. 28:14) en leg daar ook Gods belofte aan Abraham naast: "Ik zal zegenen wie u zegenen ..." (12:3).
Dàt wil Jacob nu uitbuiten. Het gesjacher gaat deze keer niet om het eerstgeboorterecht als bij Ezau, maar om het feit dat hij, Jacob, kennelijk de zegendrager is: wie biedt?
Wie doet een bod op de zegen van de God van Jacob? Tegen betaling te verkrijgen ...
Kennelijk is Laban geïrriteerd geraakt door Jacobs suggestieve vermelding van zijn vroegere (précaire) financiële positie. Hij doet geen bod maar vraagt (on-oosters) kort en goed: wat moet ik je geven? Laban mag geïrriteerd zijn - Jacob valt niet uit zijn rol. Zijn verrassende antwoord is in eerste instantie:
- niets (gij behoeft mij niets te geven) niemendal!
- indien gij mij slechts dit wilt toestaan (volgorde MT, zo ook St. Vert.) - de spanning houdt hij erin (naar A. v. Selms a.I.).
- ik zal opnieuw (nóg eens) uw vee weiden en hoeden.
- ik zal heden door al uw kleinvee gaan en daaruit elk gespikkeld en gevlekt stuk kleinvee afzonderen;
- elk zwart stuk onder de schapen en wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten, dat zal mijn loon zijn.
- En mijn eerlijkheid (oprechtheid) zal morgen voor mij spreken, wanneer gij mijn loon (eindelijk antwoord) zult komen bezichtigen:
- alles wat niet gespikkeld of gevlekt is onder de geiten of zwart onder de schapen, dat zal als door mij gestolen gelden. Fair play (maar vgl. t.z.t. bij 31:19,20 t.z.t.>- over diefstal gesproken ...).
Terechte argwaan
Dit voorstel, met betuiging van oprechtheid, lijkt zo'n belachelijk koopje, dat Laban er enerzijds grif op in gaat: "Zie, het geschiede naar uw woord" ofwel: accoord!') Tegelijk voelt hij denkelijk dat er een addertje onder het gras schuilt. Want nu gaat hij zélf de dierenmet een afwijkend kleurpatroon afzonderen, stelt ze onder de hoede van zijn eigen (31:1) zonen, dus broers van Lea en Rachel, en zorgt dat ze drie dagreizen (zo'n 60 km) ver weg zijn.
Labans wantrouwen blijkt gerechtvaardigd, al zijn z'n maatregelen onvoldoende m.b.t. zijn schoonzoon. Jacob is (nog steeds) een 'cunning man' en hij heeft enkele kunstgrepen achter de hand (c.q. ellebogen):
- de met witte ringen geschilde takken in de drinkbakken van het vee en
- de opstelling van de kudden (aanvankelijk alleen witte schapen en zwarte geiten).
"Door de tactiek van Jacob worden er echter in die kudde ook weer gespikkelde etc. dieren geboren; Jacob zet die dieren apart, laat dan Labans kudde z6 grazen, dat de gespikkelde groep vooraan gaat en de egale rest dus altijd het gezicht op die kleurlingen houdt'?"
De kunstgreep van de geschilde takken past hij alleen toe bij het sterkste kleinvee (dat "in goede conditie" verkeert").
Hosea' s oordeel
Allemaal trucs, berustend op het wijdverbreide bijgeloof van het (zich) verzien?
B. Holwerda noteert: "Blijkbaar is dit een methode om de aanfok van jonge dieren te beïnvloeden in voor hem voordelige zin (Dalman A.u.S. VI S 194). Er zijn meer voorbeelden van bekend ... Jacob maakt hier gebruik van het physiologische verschijnsel van het zgn. 'verzien' ..."4).
Bijgeloof of werkelijkheid - dat doet in feite hier niet ter zake. Zijn bezit vermeerdert (30:43 vgl. vs 27 en 30), al roept dit straks wel een vraag op.
"Men houde in het oog hoe Jacob hier optreedt: eerst dreigt hij met vertrek, dan herinnert hij Laban eraan, hoeveel een langer verblijf Laban waard moet zijn; vervolgens komt hij met minimale verlangens en spreekt hij van zijn oprechtheid, zodat Laban opgelucht erin vliegt; want onmiddellijk past hij zijn oneerlijke praktijken toe; het geraffineerde is, dat hij Laban suggereert dat zijn loon door God bepaald zal worden, die de geboorten ook van het vee bestuurt, terwijl hij echter zelf het heft in handen neemt..."5).
Leg.hier nu eens naast wat de profeet Hosea Jacobs nakomelingen voor de voeten werpt in dat hoofdstuk (12) waarin steeds ook Jacob zelf ter sprake wordt gebracht: "Kanaän (een Kanaäniet is in het Hebreeuws 66k een koopman, handelaar!) - Kanaän - in zijn hand is een bedriegelijke (!) weegschaal, afpersen is zijn lust. Maar Efraïm zegt: waarlijk, ik ben rijk geworden, ik heb mij rijkdom verworven, in al mijn vermogen vindt men bij mij geen ongerechtigheid die zonde zou zijn" (Hos. 12:8,9).
Een goede herder?
Formeel valt er niets aan te merken.
Toch doet Hosea in dit hoofdstuk niet anders dan op Efraïms onbetrouwbaarheid en bedrog wijzen. Formeel viel er op Jacobs handelwijze niets aan te merken: het contract, de afspraak was (leek!) waterdicht, duidelijk en voor enerlei uitleg vatbaar. En toch is er (weer) sprake van 'bedrog' (mirmah) - het oude liedje - Izaäk klaagde er al over (27:35). Naar de letter klopt alles, maar (zoals zo vaak) er klopt iets niet. En dat terwijl Jacob tegenover Laban zijn volkomen oprecht zijn heeft betuigd. Zijn handelwijze is een wirwar (mirmah) van waarheid en leugen, (schijnbare) oprechtheid en bedrog. En God luistert scherper dan Laban of wie ook: hij leest wat in het hart van een mens is en let niet alleen op zijn tong.
Samenvattend:
- Jacob de man van Gods keuze, drager van de zegen
- Jacob de sjacheraar, die zichzelf duur verkoopt door te marchanderen met Gods zegen
- Jacob 'the cunning man', de ongelooflijk handige en listige man die zich aan Laban verhuurt als een goedkope en goede herder, maar die via kunstgrepen zich verrijkt ten koste van Laban. Een caricatuur van de goede herder (vgl. Ez. 34; Jer. 23 e.a.), die zijn 'eerlijkheid' aanvoert terwijl hij 'bedriegelijke streken' gaat uithalen. En dat onder herinnering aan zijn door God gezegend zijn: een 'gezegende des HEREN'!
Gezegend bedrog?
Ja - en toch lezen we (met de St. Vert.): "en die man brak gansch zeer uit (in menigte) en hij had vele kudden (kleinvee, P.) en dienstmaagden en dienstknechten, en kamelen en ezelen." En dat in zes jaar. .. (vgl. 31 :38).
"In menigte uitbreken" - dat was Jacob beloofd (28:14), dat was in diens voetspoor Laban overkomen (30:30). Het was een deel van de door God beloofde zeqen. In plaats van het kleurloze opschrift van de N.
Vertaling ("Jacob verwerft zijn kudde) zet B. Holwerda boven deze pericoop (30:25-43): "Jacob, in Paddan-Aram, ontvangend de beloofde rijkdom". Zoals hij boven 29:1-30 'zette: "Jacob in Paddan-Aram vindend de moeder van het beloofde zaad" en boven 29:31-30:24 "Jacob in Paddan-Aram ontvangend het beloofde zaad'?". Daarmee zijn plaats en tijd in de heilshistorie bepaald en in rekening gebracht.
Maar dan rijst onontkoombaar de pijnlijke en penibele vraag: zegent God het bedrog (van Jacob)? We laten weer B. Holwerda aan het woord: "Hier ligt de ergernis, dat God de zijde van de bedrieger kiest. "
Nee - God zegent niet het bedrog.
Het verwerven van (beloofde) rijkdom is op zichzelf genomen nog geen zegen. Zeker niet als het om onrechtvaardig verworven rijkdom gaat. Wat God wil, is niet wat Jacob doet maar wat Hosea tegen Efraïm zegt: " ...bewaar liefde en recht en wacht bestendig op uw God" (Hos. 12:7), d.i. zie gespannen uit naar wat G6d zal doen.
Jacob wachtte niet op wat God ging doen. Let wel: hij was door Laban op een smerige manier bedrogen inzake Rachel en uitgebuit door Laban - veertien lange jaren. En terwijl Laban om zijnentwil overvloedig werd gezegend (30:27,30), was Jacob daar koud van gebleven. Alleen Laban was er beter van gewordenhij, Jacob, eigenlijk de heer, was niet meer dan een knecht (Hos. 12:13). Maar net zoals hij het eerstgeboorterecht eigenhandig probeerde te bemachtigen, zo doet hij dat nu ook met de beloofde rijkdom.
Echter: evenmin als het eerstgeboorterecht hem hielp, evenmin hielp hem deze rijkdom. Vanwege dat eerste moest hij vluchten voor zijn broer Ezau, vanwege dat tweede zal hij straks vluchten voor zijn schoonvader Laban. God liet hem zijn vader Izaäk en zijn schoonvader Laban bedriegen. Maar in beide gevallen loopt Jacob muurvast.
Gerechtvaardigde goddelozen
Steeds beter valt zo te begrijpen wat Paulus zegt: de maatstaf bij Gods keus is bepaald niet: iemands 'werken'.
God koos Jacob niet omdat hij de betere of veruit de beste was. Het is niet op grond van-werken, maar op grond daarvan dat Hij riep ... (Rom. 9:11). Om aartsvader (en kerkvader) te kunnen zijn, heeft Jacob veel moeten leren. Maar God liet hem niet vallen: " ...er is bij Jacob geen enkel lichtpunt.
Maar dat is juist de achtergrond der verkiezing: zo wordt van meetaf het absolute genadekarakter gehandhaafd. Dat God dus Jacob ook welvaart verleent, is alleen omdat zijn voornemen naar de maatstaf der verkiezing vast blijft ..."7) Wie roemt (zeg de kerk) roeme in de HERE. Die HERE, trouwe verbonds- God - die op de poorten van het nieuwe Jeruzalem doet prijken de namen van Jacobs twaalf zonen; die merendeels uit onmin en in afgunst verwekte rabauwen van jongens.
Sterker nog: die onder de mensen bekend wil staan als de God van Abraham, Izaäk én Jacob (Luc. 20:37). Een deel van de les is dus: een mens gaat niet verloren vanwege zijn slechte aard - nee, hij gaat verloren als hij Gods genade verwerpt. Het moet niet alleen voor de betrokkene maar met name ook voor de anderen, de toeschouwers, moeilijk zijn niet te struikelen over dit skandalon (struikelblok): God rechtvaardigt goddelozen, spreekt hen (om Christus' wil) vrij (Rom. 4:5).
Dát heet in de bijbel genade!
Noten
1) cf. Irene Lande, Formelhafte Wendungen der Umgangssprache im Alten Testament, Leiden 1949, p. 66 2) B. Holwerda, Historia Revelationis Veteris Testamenti, deel 1, 1e aflev. p. 133
3) A.A. v. Selms, serie Prediking V.h. O.T., Genesis deel 1, p. 113: ..Volgens Onkelos, Pesjitta en Vulgata waren de robuste ooien die, welke vroeg in de tijd, dat wil zeggen van eind november tot begin januari, geboren waren (vgl. Dalman A.u.S. I p. 268-270). Ten gevolge van het koele weer ontwikkelden deze zich gunstiger dan andere. Na een half jaar kunnen zij reeds paren en werpen dan in de vroege tijd."
4) a.w. p, 131
5) B. Holwerda, a.w. p. 131/2
6) a.w. resp. p. 124, 103, 110
7) B. Holwerda, a.w., p, 139, 140