Wij in Gods Wereld (1)

1990-06-08
  • Jaargang 34
  • nummer 12
Hoe het was
Leven in Gods wereld! Wanneer we dat in 1990 zeggen, dan kijken we terug en blikken we vooruit. We maken dan een soort balans op. Wat zijn we in vergelijking met het verleden er op vooruit gegaan. Wat staat ons nog allemaal te wachten?

Vergelijken we onze tijd met een paar eeuwen terug, dan kunnen we constateren, dat in de 17de eeuw een kind meestal maar één van zijn grootouders kende. Een kind uit de 17de eeuw maakte tijdens zijn leven gemiddeld drie ernstige hongersnoden en vijf zware epidemieën mee.
Meer dan de helft van zijn broertjes en zusjes stierf, en later de helft van zijn eigen kinderen. De gemiddelde leeftijd was 52 jaar. En om nog iets te noemen: Voor tand- en kiespijn was er nog geen tandarts.

Nu is dat heel anders. Sinds het midden van de twintigste eeuw zijn we met wetenschappelijke en technische middelen er in grote mate in geslaagd honger, lijden, ziekte en armoede terug te dringen. De meesten van ons hebben hun grootouders gekend of die zijn nog in ons midden.
Kindersterfte komt veel minder voor. De gemiddelde leeftijd is 76 jaar.

Voegen we daarbij de ongekend hoge levensstandaard, dan hebben wij aan het eind van de twintigste eeuw in materieel opzicht niet te klagen. De wetenschap heeft enorme vorderingen gemaakt. Van atomen, moleculen, genen en cellen weten we even veel als van de grote kosmos. Technisch hebben we ongekende prestaties verricht. Denk maar eens aan TV en computers. Vorige generaties konden er alleen maar van dromen.

Crisis in de cultuur
Misschien bent u nu al geneigd om te zeggen: "hou maar op met die lofzang". Er is immers ook een keerzijde.
Onze tijd mag dan in materieel opzicht rijk zijn, tegelijk zijn er veel dreigingen. Wie denkt daarbij vooral niet aan de milieucrisis en de natuurverwoesting, aan de inzet van alles vernietigende kernwapens bij gewapende conflicten, aan het mogelijk uit de hand lopen van nieuwe technieken, zoals kernenergie en biotechnologie en genetische manipulatie.
Veelbelovende technieken, maar ze kunnen ons ook boven het hoofd groeien, zodat we er het slachtoffer van worden. We zijn allesbehalve verzekerd van blijvend succes. We zijn eerder 6nzeker.
Veel van de aangedragen oplossingen voor onze problemen lopen zo zeer uiteen, dat we van een crisis in de cultuur kunnen spreken. Waar gaat het heen met onze groeiende rijkdom en de toenemende armoede van de derde wereld landen? Hoe valt die kloof te dichten? En om wat dichter bij huis te blijven: Kunnen we de technologische landbouw in .zodanig goede banen leiden, dat ook de dreigingen ervan teruggedrongen worden? En rijzen de problemen van de gezondheidszorg'niet de pan uit?
Waarom kunnen zovelen niet meer meekomen in het razendsnelle, moderne arbeidsproces? En maken we daarbij niet z6veel gebruik van grondstoffen, dat we aan toekomstige generaties niets overlaten?
Veel indringende en moeilijk op te lossen vragen.
Kortom, we leven in een intens technische tijd. In materieel opzicht is er grote rijkdom, maar er zijn ook vele, bijna onoplosbare problemen. Zou het gevoel van crisis, onzekerheid en richtingloosheid ook te maken kunnen hebben met de keerzijde van de materiele welvaart: namelijk de geestelijke armoede? Zou de onderlinge samenhang tussen de dreigingen van de enorme menselijke macht op terreinen als wetenschap, techniek, landbouw, gezondheidszorg, economie en politiek én de ontkerstening, de secularisatie van de samenleving, niet meer aandacht moeten krijgen? Zonder inzicht in wat er in de sfeer van de geesten in onze cultuur plaatsvindt, zullen we als christenen onze plaats in de cultuur niet goed kunnen bepalen.

Geestelijk-historische achtergrond
Laten we met dat doel voor ogen eens een onderzoek instellen. Iets wat direct ópvalt is, dat onze cultuur zich kenmerkt door grootspraak. Als de mens de eerste voet op de maan zet, zegt de Amerikaanse president, dat dit de grootste gebeurtenis is sinds de schepping. Wanneer er aan de Technische Universiteit van Eindhoven een studiedag gewijd wordt aan de biotechnologie, gebeurt dat onder de titel: "De achtste dag van de schepping". De nieuwste mogelijkheden van de genetische manipulatie worden via de tv aangekondigd onder titels als: "Beter dan God" en "Zie, Hij (met een hoofdletter: de mens als genetische manipulator) maakt alle dingen nieuw". Met de nieuwste technischwetenschappelijke mogelijkheden voert de mens blijkbaar de pretentie zélf schepper en zélf verlosser te zijn. In onze cultuur wil de mens met wetenschap en techniek heel de werkelijkheid naar zijn hand kunnen zetten, alle problemen kunnen oplossen en zodoende de materiële welvaart bevorderen. Deze overmoedige menselijke geest is er debet aan, dat onze technische cultuur tegelijk een godloze cultuur is. Alle aandacht wordt aan de uitbreiding en versterking van menselijke macht gegeven.

Deze geestelijke achtergrond vindt haar oorsprong in de zondeval, maar heeft in onze cultuur via de geestesbeweging van de Renaissance - Wedergeboorte: let op de bijbelse terminologie! - aan het eind van de Middeleeuwen en door de Verlichting van twee eeuwen terugopnieuw een religieuze term! - een enorme stimulans gekregen. De geest van de eigenmachtige mens hecht zich aan wetenschap en techniek.
Deze overmoedige geest is in het midden van onze eeuw doorgebroken naar de praktijk van alle dag.
De verering van het menselijk verstand en het technisch kunnen is de kracht geworden achter de enorme ontwikkeling van de cultuur. De geseculariseerde mens heeft een ongekend en onbeqrensd vertrouwen in eigen cultuurmogelijkheden gekregen.
Hij schept, verlost, vernieuwt zijn eigen wereld en 'plant' zijn toekomst. Wetenschap en techniek krijgen een afgodische functie en worden de gidsen naar een ongekende, veelbelovende toekomst. Alle bijbelse beloften van een nieuwe hemel en aarde wil en zal de mens met zijn wetenschap en techniek gaan realiseren. Dit humanistische volmaaktheidsideaal gaat gepaard met het verlies van het eeuwigheidsperspectief.

Fundamentele tegenstelling
Wanneer wij als christenen aan de geschetste geestelijk-historische achtergrond van onze cultuur weinig aandacht geven en in onze visie op de cultuur ook aan het eeuwigheidsperspectief, dat God ons in Zijn Woord geeft, voorbij gaan, zal de kritiek op de samenleving of de cultuur oppervlakkig blijven en ons eigenlijk niet helpen.

Vóór alles is daarom nodig dat we inzien, dat de richting van onze cultuur beheerst wordt door een fundamentele tegenstelling. Dat is de tegenstelling tussen het Rijk van God en het rijk van de satan. De tegenstelling tussen het Licht en de duisternis. De erkenning te leven in Gods wereld staat tegenover de pretentie van de mens zijn eigen wereld te bouwen. De satan. verleidt, in de gedaante van een engel van het licht, de mens om met zijn eigen cultuurinstrumenten een louter aardse en door en door gelukkige toekomst te bouwen. Daarom wordt onze cultuur gekenmerkt door een volmaaktheidsideaal en door een [acht op de toekomst om dat ideaal te bereiken.

Volmaaktheidsideaal en jacht op de toekomst
Het is de geest van de menselijke eigenmachtigheid en de jacht op een voluit materiële toekomst, die een stempel zet op allerlei onderdelen van de cultuur. In de wetenschap, in de techniek, in de economie, in de politiek, in de landbouw, in de gezondheidszorg, overal tracht de mens alles naar zijn hand te zetten, en de materiële welvaart te garanderen.
In de wetenschap gaat het om kennismacht, die ten koste van alles moet toenemen. Het resultaat is dat de wetenschapper als specialist van heel weinig steeds meer weet, maar van heel de werkelijkheid steeds minder. Daardoor neemt wijsheid als een groeiend omvattend inzicht af. In de techniek heerst het streven om God naar de kroon te steken, de mens wordt met zijn techniek hemelbestormer.
Hij roept in dat streven technieken op die hij uiteindelijk niet meer kan beheersen en die een spoor van vernieling in natuur en milieu achterlaten. In de landbouw draait alles om oogsten en nog eens oogsten. Het oogsten laten we ontsporen in roofbouw. Voor hoeden en verzorgen van Gods schepping is nauwelijks ruimte. In de gezondheidszorg wordt het ideaal van het gezonde leven nagejaagd. Tot het uiterste. Faalt dat streven uiteindelijk, dan zal diezelfde mens in eigenmachtigheid - of zelfbeschikkingde dood - de goede dood! - over zich uitroepen. In de economie draait alles om geld en nog eens geld. Deze verengde vorm van economie - waarin van rentmeesterschap geen sprake meer is - kent een enorme versnelling, die voor velen niet meer is bij te benen. Tegelijk wordt de grondslag ervan, mee door een eenzijdig ontwikkelde techniek, ondergraven. De materialistische politiek bevordert al. deze tendensen. Welvaartspolitiek zet de eigenlijke taak van de politiek onder druk: het dienen en bevorderen van recht en gerechtigheid.

Afbraak en opbouw
Om ons inzicht te verdiepen, is het nodig na te gaan van welke methode de mens in zijn hoogmoedig streven in de verschillende sectoren van de cultuur gebruik maakt. Dat is de methode van afbraak en opbouw. De hoogmoedige mens is met de rug naar God toe gaan staan. Hij erkent niet langer dat God Zijn wet voor de werkelijkheid heeft gegeven. Ook de samenhang in de werkelijkheid wordt verbroken. Dat de werkelijkheid Gods wereld is, dat alles uit, door en tot God is, dat God alles heeft geschapen, doet bestaan en een bestemming geeft, wordt ontkend.
De mens geeft zin aan alles, op zijn wijze. Dat wil zeggen, hij breekt in wetenschap en techniek de gegeven werkelijkheid als schepping van God tot op de kleinste onderdelen af en tracht vervolgens naar eigen inzicht de wereld weer in elkaar te zetten. Deze geestesgesteldheid is de achtergrond van de milieuvervuiling en natuurverwoestlnq.
Dezelfde geestesgesteldheid zorgt ook voor het uiteen breken van de samenleving in het proces van de individualisering. In dat proces wordt er geen rekening mee gehouden, dat de mens door God altijd in gemeenschappen is geplaatst. De individuele mens, de mens van de zelfbeschikking en zelfredzaamheid, kan in eigenzinnigheid allerlei relaties aangaan, alternatieve levensvormen stichten, en daarmee de goddelijke orde voor een gezonde samenleving tarten.

Laat ik nog één sprekend voorbeeld noemen van het afbreken, het stuk maken van Gods schepping. In het Amerikaanse tijdschrift News Week stond kort geleden een artikel over de nieuwste mogelijkheden van voortplantingstechnieken en genetische manipulatie. Het schetste de mogelijkheid, dat door middel van de in-vitro-fertilisatie - de reageerbuisbabytechniek - verkregen menselijke embryo's in een vroeg stadium in het laboratorium kunnen worden gekliefd - gesplitst. In het geval van een vrouwelijk embryo zou het mogelijk kunnen worden, de ene helft nu al via implantatie geboren te laten worden; de andere helft zou twintig jaar ingevroren kunnen worden en vervolgens in haar tweelingzus kunnen worden geïmplanteerd, zodat die van haar twintig jaar jongere tweelingzus kan bevallen. Of nog anders: menselijke embryo's kunnen via het proces van kloneren worden vermenigvuldigd in embryo's met dezelfde genetische structuur. In dat geval zou een jonge vrouw ook haar eigen evenbeeld ter wereld kunnen brengen.
Ik noem dit voorbeeld omdat eruit duidelijk wordt, wàt er zo allemaal technisch-wetenschappelijk mogelijk is. Tegelijk wordt overduidelijk, hoezeer daarin de ontbinding of de wetteloosheid zich manifesteert. Het is niet voor niets dat een Duits filosoof (Schirmacher) uit de school van Nietzsche - de eerste God-is-doodfilosoof - zegt, dat het zonde zou zijn, indien de genetisChe manipulatietechniek niet zal worden aangewend om nu en voor altijd de mens te verbeteren: dat is de Übermensch.
(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief