Welke waarde heeft Henoch?

1989-01-06
  • Jaargang 33
  • nummer 1
Ds. J. Waagmeester van Lisse gaf zijn kanttekeningen bij onze artikelenreeks over het boek Henoch. Zijn ingezonden stuk was al zes weken in ons bezit en we hebben onze vriend Waagmeester gevraagd even te willen wachten. Waarom wachten? Niet alleen omdat het een goed gebruik is, een mens te laten uitspreken alvorens hem aan te pakken. Ook omdat zijn bezwaren wellicht in volgende artikelen zouden kunnen verdwijnen.
Niettemin handhaafde hij zijn ietwat bekorte opstel en dus gaan we hem antwoorden. En dat met genoegen, want de zaken die hij aanroert hebben zijn aandacht gekregen en zijn dat waard.

Vooraf
Ds. Waagmeester heeft zijn aanhalingstekens slordig geplaatst. Mag het even gezegd worden? Ook een schrijver mag toch de bescherming van het negende gebod inroepen?
Ik herken mezelf soms niet in de citaten.

Is Henoch canoniek?
Van mij moet niemand een goedkeuring, een oordeel over het boek Henoch eisen. Ik ben geen theoloog.
Het geven van informatie over een der oudste joods-christelijke boeken - en wel een totaal onbekend boek onder ons - houdt geen beoordeling in. Mijn 'indruk' is . dat er in Henoch (en dan speciaal in I Henoch - dat zijn de hoofdstukken 12 tot 36, hs 93 en hs 91:12-17) veel staat, waaruit bijbelschrijvers met een gerust hart hebben geciteerd; terwijl mijn 'indruk' bovendien is: dat er veel uitwassen en aanhangsels in de loop der tijden zijn bijgekomen; waarom het mes erin zou moeten, net zoals ook gebeurd is met de boeken Daniël, Ezra en Esther.
Maar die indruk kent de lezer al lang.

Canoniek - of?
De keus gaat rn.i, niet om canoniek, apocrief of heidense leuterverhalen; de laatste nader aangeduid als 'onware, ongerijmde, fabuleuze en tegenstrijdige zaken'. Er blijft gelukkig meer keus dan zwart en wit. En zelfs van apocriefe boeken zegt onze belijdenis (art. 6) dat "de kerk deze boeken wel kan lezen en daaruit ook onderwijzing nemen", (voorzover ze overeenkomen met de canonieke boeken) "maar ze hebben niet zulk een kracht en vermogen", zouden zelfs de autoriteit van de Schrift kunnen verminderen.
Wanneer diverse volkeren hun ontstaan baseren op het oude zondvloedverhaal - een algehele vernietiging door overstroming, waaruit alleen hun voorvaderen in een schip gered zijn - vernemen christenen dat met voldoening.
Maar wanneer de overlevering in de pas loopt met de boeken van Mozes - en van een gruwelijke vermenging van engelen en mensen spreekt - moeten we dan ineens aan heidense leuterverhalen denken? Dat had Judas moeten weten - hij zou nooit uit Henoch hebben durven citeren. Om van Jesaja, de psalmdichters en de evangelisten maar te zwijgen.

Pseudepigrafen
Ds. Waagmeester stelt dat het boek Henoch niet op de lijst van canonieke boeken (art. 4 NGB) voorkomt, zelfs niet op de lijst van apocriefen (art. 6 NGB) en nu tot de pseudepigrafen gerekend moet worden. Pseudepigrafen zijn geschriften, die onder een pseudoniem of onder een onjuiste naam zijn geschreven; zoals het boek Prediker, dat zich aandient als van Salomo afkomstig te zijn; zoals de meeste psalmen Davids, die niet van David afkomstig zijn; zoals het Hooglied van Salomo, dat volgens dr. G. Ch. Aalders niet van Salomo is.
Laten we nu even vaststellen, dat art. 4 NGB de canonieke boeken uitputtend beschrijft - maar dat art. 6 van de apocriefe boeken slechts enige voorbeelden noemt, ingeleid met 'als daar zijn'. De lijst der apocriefen is dus geen gesloten canon. De conclusie dat Henoch tot de derde groep gerekend moet worden (waarbij dan meteen alle waarschuwingen en rode lichtjes geplaatst worden) is op zijn minst voorbarig. Sterker. Het was uitgerekend dr. R.H. Charles, die het boek Henoch vertaalde en tegelijk het woord pseudepigrafen introduceerde!
Zonder rode lichtjes, maar met wetenschappelijke nuchterheid.
We laten in het midden dat de Ethiopische kerk (en dan zijn we bij het oudste christendom) I Henoch wel als canoniek aanvaardt. Maar we blijven dichter bij huis, als we de hervormde theoloog dr. W.C. van Unnik noemen, die ook door ds. Waagmeester met instemming werd aangehaald. Deze schrijft: "I Henoch heeft blijkens Judas en oudchristelijke schrijvers een tijd lang groot aanzien genoten". Dr. v. Unnik zegt nog meer. "Voor de kennis van het jodendom en de NT tijd en daarmee voor de verklaring van het nieuwe testament zijn deze boeken '(pseudopiqrafen) van uitzonderlijk belang". En dr. v.
Unnik rekent Henoch tot de voornaamste pseudepigrafen. (Zie Chr. Enc.) Wel - was dit niet net precies wat ook Charles zei?

Wanneer kwamen de reuzen op aarde?
"De Schrift ontneemt ons alle grond voor de gedachte, dat de reuzen een bastaardproduct van .mensen en engelen zijn geweest", zegt ds. Waagmeester. De SV en NBG vertaling schijnen hem bij te vallen. Die plaatsen de woordjes Hen ook daarna" zodanig, dat het schijnt alsof er al reuzen op aarde waren, voor de bastaardering van het mensengeslacht begon.
Toch - latere vertalingen nemen die illusie weg. De Willibrordvertaling luidt: "In die dagen, en ook nog daarna, leefden er reuzen op aarde, doordat de zonen Gods..." enz. - De Good News Bible zegt: "In those days and even later there were giants on earth"; "giants, who were descendants of human women and heavenly beings". En Groot Nieuws vertaalt: "het waren de kinderen, die de godenzonen bij. de dochters van mensen gekregen hadden". "Er leefden toen en ook later nog..."
enz. Dit alles de theologen Sikkel en Aalders ten spijt.
Hier is geen misverstand meer mogelijk. Bij "later ook nog"
kunnen we denken aan een tweede generatie van reuzen; ook aan Goliath en de andere bijbelse reuzen. En bij 'godenzonen' denken we aan wat de Romeinse officier in Matt. 27:54 zei. (Overigens: de mensenetende reuzen zijn nu al duizenden jaren in onuitroeibare sprookjes in alle talen blijven bestaan. Een sprookje wordt niet uit de duim gezogen ...)

Zondeval
Door mij werd gezegd dat de geschiedenis uit Gen. 3 (Eva) en Gen. 6 (engelen) twee tekeningen van dezelfde zaak zijn, zij het verschillend gedateerd. En na de dubbele punt volgde: "gevallen engelen veroorzaken een gevallen mensheid" .
Welnu, dat was de waarde die dr.
Charles aan 'Henoch' toekende: dat Henoch een serieuze poging bevat, de verantwoordelijkheid voor de zonde op te sporen; en deze poging is onze aandacht waard, zei hij, omdat dit nu net het uitgangspunt van de evangelië n is. Mij ontgaat dan ook het bezwaar in ds.
Waagmeester's tweede punt.
Alleen dit: toen Henoch voor de engelen tussenbeide trad - na de aankondiging van hun vreselijke straf - werd hij afgewezen. Niet omdat Henoch zondigde - maar omdat de engelen onvergeeflijk hadden gezondigd. Maar heeft zelfs de gemeenste misdadiger niet recht op een pleiter?

Grapjes over duizend
Ik nam afstand van Henoch's verklaring dat de reuzen duizend ellen groot waren. Vergelijkingen met Utrecht's domtoren en Goliath zijn dus niet meer ter zake. Moet ik die 'duizend' toch toelichten?
Volgens wijlen prof. B. Holwerda telde het grensdorpje Beth Semes (zie 1 Sam. 6:19) slechts Levieten, die in de ark hebben gekeken, toen de Filistijnen die terugbrachten.
Niettemin zegt de SV dat van de inwoners van het dorpje vijftigduizend mannen en zeventig mannen door de Heere gedood zijn. Holwerda vermoedde dat het om 70 gezinshoofden ging. Good News zegt: 70 mannen. NBG vertaalt: zeventig man, 50 op de duizend.
Groot Nieuws luidt: ,,70 van de 50.000 inwoners". Vier vertalingen, vier mogelijkheden. Allen zitten met het woordeke duizend. Kunnen we nu de statenvertaling letterlijk als Gods Woord aannemen, eind van alle tegenspraak? Of moeten we voorzichtig zijn?

Veeg uit de pan
Waarschijnlijk heb ik wel een Seitenhieb in de richting van theologen gemaakt. Dat overkomt me wel eens, ongewild. Persoonlijk heb ik niets tegen theologen, er zijn zelfs erg aardige bij. Maar ze moeten niet met hulp van hun wetenschap ons, simpele bijbellezers voor de voeten komen lopen.
Dat is niet opbouwend voor het gereformeerde leven, dacht ik. Ds.
Waagmeester brengt me ertoe, twee voorbeelden te noemen, die duidelijk maken, waarom ik theologen niet meer allemaal en bodemloos vertrouw.
Destijds heb ik het boek der Psalmen bestudeerd. De psalmen vrijwel stuk voor stuk. Daarbij gebruikte ik de beschikbare commentaren, voor zover die voor niet-klassiek gevormde lezers toegankelijk zijn. Dat waren dan Calvijn, Delitzsch, Valeton, Noordtzij, en de heren Ridderbos; wellicht ook andere. De ontstellende conclusie, die zich bij mij opdrong, was deze: dat theologische specialisten elkaar veelal naspreken en slechts eigentijds interpreteren.
En wanneer Calvijn als de bron van alle commentaren mocht worden beschouwd - nu, die heeft me ook wel eens bitter teleurgesteld. Het was toen ik bij de woorden van de Heiland (in Matt. 10:5,6) Calvijns commentaar aantrof, op pag. 497 van zijn Institutie dl. I, luidende dat de Heiland zijn discipelen niet naar de heidenen zond, maar naar de verloren schapen van het huis Israëls; terwijl dezelfde Calvijn op de volgende pagina (498) concludeerde: dat de discipelen dus naar de heidenen zijn gegaan. Heeft de vooringenomenheid tegen de zoekgeraakte schapen van Israël hem dan parten gespeeld? Geen theoloog die me attakeerde, toen ik deze blunder in 'Opbouw' van 8-6-84 publiceerde.

Hier kon een punt staan
We zijn aan het slot van ons antwoord aan ds. Waagmeester, onze goede vriend. Maar de lengte van dit artikel rijst nog niet de pot uit en het papier is nog niet vol.
Dan kan er misschien nog een afsluitende opmerking bij?
Meermalen word ik, ook tijdens de Henoch-reeks, door 'nuchtere en verstandige theologen' gemaand, me niet met hun zaken te bemoeien.
Dat theologen zich wel met politiek bemoeien, met sociale zaken, met. financiën, met discriminatie, met kunst en met 1001 andere zaken, zij hun gaarne vergeven. Maar dat bijbellezende publicisten moedwillig zouden worden beknot lijkt mij persoonlijk minder gelukkig.
In de loop der jaren heb ik alleen al in "Opbouw" tussen de 600 en 800 artikelen gepubliceerd, over de meest uiteenlopende onderwerpen.
Uitsluitend over onderwerpen, waarvan ik niet voldoende afweet.
En wanneer ik daarbij wel eens mocht uitglijden tot binnen de theologische sector, dan vraag ook ik eens vergeving. Maar een bijbellezende schrijver, die zich inspant het totale gereformeerde leven te helpen opbouwen, kan de bijbelse gegevens moeilijk ontlopen. Die bijbelse gegevens moeten maar niet het monopolie van theologen worden.
Tenslotte: we hebben ds. Waagmeester de volle maat gegeven. Hij is dat waard, want hij greep naar de pen vanwege zijn verwondering.
En verwondering is het begin van wijsheid. Komt, verwondert u hier mensen.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief