Een christelijke gedragsregel
1989-01-06
Voor het overige, broeders, - Jaargang 33
- nummer 1
A. 1
a} al wat betrouwbaar,
b} al wat waardig is,
c} al wat eerlijk,
d} al wat eerbaar is,
A. 2
a} al wat (de mensen) aanstaat,
b} al wat u een goede naam bezorgt,
c} als er iets is dat men hoogschat,
d} als er iets is dat u lof oplevert, bedenkt dát;
B.
a} wat u van mij heb geleerd
b} en overgenomen,
c} te horen
d} en te zien hebt gekregen, legt u dáárop toe;
dan zal de God van de vrede met u zijn.
Filipp. 4, 8.9
De apostel Paulus is een bekwaam stilist. En wij doen er goed aan ook aan de wijze waarop hij zijn boodschap formuleert en ordent, de nodige aandacht te besteden. Dat komt het verstaan van de inhoud ten goede.
Tegen het eind van zijn brief aan de gemeente te Filippi, vóórdat hij besluit met een woord van dank voor haar zorg voor zijn levensonderhoud (w. 10-20), met een groet (w. 21.22) èn met een zegen (v. 23), heeft hij nog eens kort willen aangeven, welke gedragslijn wij, christenen, in dit leven moeten volgen. En hij doet dat in een wel geordende vorm. Door een bepaalde lay-out en door en nummering van de verschillende elementen heb
ik hierboven gepoogd de structuur van deze verzen duidelijk in beeld te brengen.
De structuur in grote trekken
Paulus begint (A) met onze overleggingen: "bedenkt dat" (v. 8 slot). Dáárop moeten wij ons richten bij het overwegen van wat we gaan doen, bij het maken van onze plannen, bij het uitstippelen van ons beleid.
Daarop aansluitend (B) spreekt hij van de concretisering, de practische uitvoering van onze intenties: "legt u daarop toe" (v. 9) ofzoals de Willibrord-vertaling geeft - "brengt dat in practijk".
Onder B bedient de apostel zich achtereenvolgens van vier werkwoorden (a, b, c, d). Hier ziet men a met enige variatie herhaald in c : beide spreken van Paulus' onderwijs; en evenzo b in d : beide gaan over Paulus' voorbeeld in zijn levenswandel.
Onder A echter zien we een verdubbeling optreden : daar verschijnen tweemaal vier vereisten (I a, b, c, d en 11 a, b, c, dl.
Onder A I noemt de apostel om zo te zeggen absolute, objectieve, vereisten voor het christelijk gedrag; kwaliteiten die God van ons optreden verlangt, hoedanigheden die beantwoorden aan Zijn verlossing van ons leven.
Onder A 11volgen relatieve, subjectieve, vereisten; kwaliteiten die gewenst zijn met het oog op de mensen met wie wij omgaan.
Zowel onder A I als onder A 11zien we hetzelfde verschijnsel als onder B : er is beide malen sprake van twee paren die onderling synoniem zijn, d.W.Z. c herhaalt a, d herhaalt b.
Onder A I betreffen - ruw gezegd - a en c meer het sociaaleconomisch gedrag, b en d meer het persoonlijk-ethisch optreden.
Onder A 11gaat het in a en c om wat de mensen van onze handel en wandel vinden, in b en d om hoe ze erover praten.
Paulus heeft onder 11bovendien voor en stilistische variatie gezorgd: in plaats van het onder I steeds gebruikte "al wat", dat hij in 11a, b bleef hanteren, kiest hij bij 11c, d de gelijkwaardige omschrijving "als er iets is' dat" .
Na deze globale schets willen we de door Paulus gehanteerde termen wat nader analyseren.
A I a 'alèthès'
In de onder ons gangbare vertalingen lezen we hier doorgaans "al wat waar is". Maar vanwege de correspondentie op c 'dikaios' = eerlijk' heb ik gekozen voor de opvatting 'betrouwbaar'. Ik noem een paar voorbeelden van dit gebruik van 'alèthès'.
Allereerst Joh. 7, 18. Daar heeft men te maken met dezelfde paraIlelie als hier: "die is 'alèthés', in hem is geen 'adikia' (= oneerlijkheid}".
Bedoeld is hier kennelijk: "op dien kun je aan, hij bedriegt je niet".
De Willibrord vertaalt hier dan ook: "hij is geloofwaardig en er is geen bedrog in hem".
2 Cor. 6, 8. In een reeks van tegenstellingen, van met elkaar strijdige kwalificaties die op hem en zijn medewerkers van toepassing zijn, zegt Paulus daar o.a.: "Men beschouwt ons als misleiders, en toch zijn we 'alètheis'''.
De tegenstelling met 'misleiders' wijst uit, dat 'alètheis' hier moet betekenen 'betrouwbaar'.
Hetzelfde is het geval in 1 Joh. 2, 26, 27: "Dit schrijf ik u met het oog op hen die u willen misleiden. Ook van u geldt overigens, dat de Zalving die u van Hem hebt ontvangen (d.w.z. de Heilige Geest) in u woont, en u er een behoefte aan hebt, dat iemand u onderwijst. Nee, want zijn Zalving onderwijst u; en die is 'alèthes', en is een leugen".
D.W.Z.de Heilige Geest is betrouwbaar; Hij bedriegt ons niet'.
In overeenkomstige zin vinden we ook het op dit bijvoeglijk naamwoord corresponderende zelfstandig naamwoord 'alètheia'. Zo. b.v, in Rom. 15, 8: Christus is een dienaar van de besnijdenis geworden "terwille van de 'alètheia' Gods, om nl. de beloften aan de vaderen gedaan te bevestigen".
Doordat God in het werk van Christus zijn belofte aan de vaderen gestand deed, bleek Hij betrouwbaar, kwam Hij niet als leugenaar aan de kaak te staan.
Ik wijs ook op het verwante 'alèthinos' in Opb. 3, 14 "de geloofwaardige en 'alèthinos' getuige".
Het samengaan met 'geloofwaardig', en het feit dat het hier een kwaliteit van een getuige betreft, wijzen uit, dat 'alèthinos' hier 'betrouwbaar' betekent", In Opb. 15, 4 gaat dit woord samen met 'dikaios' als kwalificatie van Gods wegen, d.W.Z. van Gods handelend optreden in deze wereld.
Het betreft hier een wat vrij citaat uit Dt. 32, 4, waar we lezen, dat "al zijn wegen recht zijn", dat Hij is "een God van trouw, zonder onrecht". God bewandelt niet de kromme, slinkse wegen van een bedrieger. Je kunt op Hem aan, je betrapt Hem nooit op oneerlijkheid.
A I b'semuos'
Het woord 'semnos' betekent 'waardig'. Het tekent den man wiens optreden respect afdwingt, tegen wien men daarom hoog opziet. Men zou het ook heel goed kunnen weergeven met 'hoogstaand' .
Dit bijvoeglijk naamwoord komt in het NT behalve hier alleen nog voor in de pastorale brieven. Uitsluitend daar vinden we ook het correspon derende zelfstandig naamwoord.
De parallellie met 'hagnos' (A I d) wijst op een nauwe verwantschap van beide begrippen. ('hagnos' = kuis, eerbaar.) Treffend is in dit verband Spr. 15, 26 in de Griekse vertaling (die hier enigszins afwijkt van de Hebreeuwse tekst): "een gruwel is voor Jahweh een gemeen ('adikos') plan ('Iogismos' , het zelfstandig naamwoord dat correspondeert op het werkwoord 'Iogizomai', dat Paulus in Ef. 4, 8 bezigt, en dat wij vertaalden met 'bedenkt'), maar de uitlatingen van eerbare ('hagnos') mensen zijn waardig ('semnos')".
Verder valt te letten op Tit. 2, waar naast het begrip 'soophroon' (= ingetogen, beheerst), dat van oude (v. 2) en jonge (v. 6) mannen en van jonge vrouwen (v. 5) wordt gebezigd, de kwalificatie 'semnos' voor oude (v. 2) en jonge (v. 7) mannen gebruikt wordt, voor jonge vrouwen daarentegen 'hagnos' (v.
5). (Men vergelijke ook 2 Cor. 11, 2.) Dat betekent overigens niet, dat 'hagnos' uitsluitend van vrouwen, en 'semnos' uitsluitend van mannen wordt gebruikt; men vergelijke b.v. 1 Tim. 3,8.11; 4, 12).
Ook wordt 'hagnos' niet louter op het sexuele gedrag betrokken. Het woord kent een veel ruimer gebruik.
In Spr. 20, 9 (LXX) staat het parallel met 'katharos' (= rein, zuiver). De corresponderende werkwoorden ('katharizoo' en 'hagnizoo') vindt men in parallel ie in Jac. 4, 8. Die betekenis 'zuiver' komt ook duidelijk uit in Ps. 12, 7 (LXX), doordat het daar parallel staat met 'gelouterd'. Met name wordt het zo in ethische in gebezigd : rein van zonde. Dat bleek al in Spr. 20, 9; dat zien we ook in 1 Tim. 5,22.
(Wordt vervolgd.)
Noten 1) Ik wijs verder op Rom. 3, 3.4 : "Kan hun ontrouw Gods trouw tenietdoen?Dat nooit!
Nee,God moet uitkomen als betrouwbaar (‘alèthès') maar elke mens als leugenaar".
En dan volgt in v. 5: "Als nu onze oneerlijkheid Gods eerlijkheid bevestigt...".
2) Zo denk ik, dat men in 1 Tim.2, 7 de slotwoorden niet moet vertalen:"een leraar der heidenen in geloof en waarheid",maar:"een geloof waardig en betrouw baar leraar der heidenen vgl. wat vooraf gaat:”ik spreek de waarheid, ik lieg niet".