Genade en vrede - voor het Israel Gods
1990-07-06
Onze titel geeft het antwoord op de vraag, die dit boek stelt. Voor de schrijvers geen verrassing - misschien wel voor u. Een goede reden om verder te lezen. We beginnen met het maken van vier opmerkingen.- Jaargang 34
- nummer 14
Vier opmerkingen
1. In 1942 kregen we contact met een jong Joods advocaat uit Berlijn, in onze omgeving ondergedoken. Bij het overwegen van het tragische lot van hem en zijn stamgenoten zochten we aarzelend naar oorzaken en gevolgen, naar het hoe en waarom.
Hij voorkwam echter ons antwoord door Mozes te citeren: "maar indien ge naar Mij niet luistert - en mijn inzettingen versmaadt - mijn verbond verbreekt - dan zal Ik u met verschrikking bezoeken: - Ik zal mijn aangezicht tegen u keren - ge zult vluchten zonder dat men u vervolgt - Ik zal u blijven tuchtigenuw trotse macht breken - u van uw kinderen beroven - het zwaard over u brengen - u aan uw vijand overleveren - uw heiligdommen verwoesten - u onder de volken verstrooien", Lev. 26:14-31.
2. Kort na de oorlog hield prof.dr. M.A. Beek een lezing over het volk Israel, toegespitst op de Joden en hun afschuwelijk lot. Hij gaf ons alle details, behalve een reden voor dit lijden. De vraag werd hem daarom gesteld: ziet u ook verband tussen dit lijden en het proces, waarin Joden zeiden: "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen"? - Prof. Beek verloor zijn zelfbeheersing. "U bedoelt dat God dit volk stráft, om welke reden dan ook? Nee dank u! Ik wens niet te geloven in een God, die zulke ongenadige straften uitdeelt aan het nageslacht van mensen, die toevallig éen onschuldige Jood de dood hebben ingejaagd".
3. Wanneer we over Israel spreken, moeten we goed onderscheiden:
a de historische persoon Jacob, die (in Gen. 35:10) door God de Heere 'Israel' werd genaamd;
b het land, voorheen Kanaän geheten, dat door de Heere aan de zonen van Israel is beloofd (Gen. 35:12) en geschonken (Num. 32:7 en 34:13-29), welk land de naam Israel droeg, totdat keizer Hadrianus het hatelijk omdoopte in 'Palestina'.
c het land dat, sedert de stichting van de gelijknamige staat in 1948, de naam Israel terugkreeg;
d de staat Israel, gesticht in overleg met en onder volkomen goedkeuring van speciaal de Verenigde Staten, Rusland en Engeland;
e de bewoners van het land Israel, die zich Israeli noemen, en die in hoofdzaak nakomelingen zijn van die 2 delen van het vroegere volk Israel, welke in de Bijbel sedert de Babylonische ballingschap met 'Joden' zijn aangeduid;
f het Israel Gods, zo genoemd in Gal. 6:16; waaronder sedert A. Kuyper ten onrechte de ganse christenheid wordt verstaan - maar welke naam in de Bijbel gereserveerd wordt voor alle nakomelingen van Jacob of Israel; waarvan 2 stammen (Juda en Benjamin) Joden worden genoemd en waarvan 10 stammen vooralsnog niet geheel aanwijsbaar zijn, hoewel ze terdege bestaan, gezien Gods vele en absolute beloften.
4. We moeten de Joden niet verwarren met Israel, zoals zelfs door insiders gedaan wordt. De Joden beslaan met hun 2 stammen slechts 2/12 van het totale Israel Gods.
Verwarring door vooroordeel
In zijn afwijzing stond prof. Beek niet alleen. Talloze mensen, die de naam van God met liefde verbinden, weigeren Hem als een wreker te zien.
Zeer waarschijnlijk is dit uit afschuw voor een 'christendom', dat eeuwen lang het lijden van de wandelende Jood als loon zag voor de vloek van enkele Joodse leiders, Matt. 27:25.
Die vloek van zijn bloed en onze kinderen was natuurlijk verschrikkelijk.
Maar door het niet-herkennen van de werkelijke Zoon Gods, en uitgaande van het Goddelijk gebod om elke godslasteraar te doden (Lev. 24:16), was die vloek begrijpelijk.
Jezus heeft dan ook gebeden om vergeving, daar "ze niet wisten wat ze deden". Petrus herhaalde later dit milde oordeel: ..ge hebt het uit onwetendheid gedaan, ook uw oversten", Hand. 3:17.
Des te erger dat de christenheid vele eeuwen lang deze milde woorden negeerde en de Joden aansprakelijk bleef stellen voor de vloek. En nog erger dat de christenheid de beloften en bedreigingen uit Lev. 26 vergat als de eigenlijke achtergrond - beloften en bedreigingen, die alle eeuwen door ook voor de Kerk gelden!
Het allerergste is waarschijnlijk, dat christenen zichzelf in de plaats van het uitverkoren Israel stelden, zich figuurlijk Israel noemden, en zo mede-oorzaak werden van het lijden der Joden. Wilde olijftakken, door genade geënt op Gods olijfboom, hebben zich tegen de weggebroken takken beroemd, Rom. 11:17. En dat waar de Schrift zegt, dat die natuurlijke takken (Israel) slechts tijdelijk zijn weggenomen, maar na bekering weer geënt zullen worden (:23) en daar meer dan andere op hun plaats zullen zijn (:24). Wij, niet-Israelieten, zijn uit de heidenen genomen en worden "geteld als in Israel ingelijfd", Ps. 87:4. Er was wel enig theologisch geknutsel nodig om ons tot "Sions kinderen" te bevorderenmaar de onbevangen Bijbellezer kan aan dit vooroordeel ontkomen. Die weet zijn plaats.
Want met het .Jarael Gods" (Gal. 6:16) worden de kinderen van Jacob aangewezen, naast en los en tegenover bekeerde heidenen. Er zijn theologen, die dit bestrijden; er zijn ook theologen, die het bevestigen; zo de kanttekenaars op 1 Thess. 2:16. Maar zonder enig theologisch vooroordeel zal de onbevangen Bijbellezer hier toe moeten besluiten; hij leest namelijk wat er staat.
Ook het visioen van de dorre doodsbeenderen (Ez. 37) die tot leven gewekt worden, slaat op het voltallige Israel, de 12 stammen.
De Schrift zegt dat niet alles Israel is, wat uit Israel voorkomt. Het zal waar zijn. Hetzelfde geldt immers voor kinderen van christelijke ouders.
Maar daarmee wordt geduid op heden en verleden; zonder dat de ruime beloften voor de toekomst worden aangetast.
Een volk van zo veel beloften
De moeder van Augustinus zei over haar losbandige zoon: "een kind van zo veel gebed kan niet verloren gaan". Nu was Monica geen heilige.
Maar wij zouden bij deze geloofsuitspraak willen aansluiten met: "een volk van zoveel beloften kan niet verloren gaan". En dan letten we op de beloften van de heilige God Israels.
Want die beloften zijn vele en genadig en goeddeels nog niet vervuld!
Vele ervan worden opgesomd in het boekje van ds Blokhuis en drs van Veelen. Te beginnen met de belofte aan Abraham: dat in zijn zaad alle volkeren der aarde gezegend zullen worden. Te eindigen met de belofte van een komende hereniging van de 10 en de 2 Stammen en een algehele bekering van het 'Israel Gods', kinderen van Abraham. In diverse kleine Schriftstudies - en in een vriendelijke weerlegging van iemand, die de traditionele opvattingen verdedigde - werpen zij Schriftuurlijk licht op een aantal onvervulde profetieën. Men denke aan een nieuw verbond, te sluiten met de 12 stammen Israels, Jer. 31 :31 en Hebr. 8:9. Aan Amos 9:11-15; Micha 4; Zach. 14; Hosea 3:5; 11:8-11; Rom. 11:1,2,15; Jer. 31:20.
Met name Paulus heeft het geheim ontsloten, dat geheel Israel zich zal bekeren en behouden worden (Rom. 11:25,26), zodra de heidenen dit hebben gedaan. Begrijpelijk dat deze belofte miskend wordt: wij christenen van het eerste uur zouden straks het afvallige Israel ons zien voorgaan? Dit werd en wordt voor onmogelijk gehouden. De dogma's van verkiezing en verwerping worden aangevoerd; op een eeuwige vervloeking van Israel wordt gezinspeeld; en veel materiaal wordt aangedragen om... Gods beloften als misverstand te ontkrachten. Maar in alle nederigheid wijzen de schrijvers er op, dat zelfs Calvijn op dit punt is gestruikeld, p. 35.
Grootse terugkeer?
Gods beloften luiden, dat de kinderen van Israel eens terug zullen keren naar hun vaderland (Jer. 16:14,15). Bij de "wederoprichting aller dingen" behoort ook het herstel van Israel's koningschap, de theocratie (Hand. 3:21).
AI in de jaren dertig droomden de religieus-bewogenen onder de zionisten van dit wonder. Na de tweede wereldoorlog werkten veel landen samen, om overgebleven en 'ontheemde Joden troost en een nieuwe toekomst te bieden in het land van hun vaderen. Sinds 1948 zijn er tal van momenten in de heroïsche strijd van het volk Israel geweest, welke het christenvolk de profeten opnieuw deden lezen. De oorlogen van 1967 en 1978 (aan Israel door zijn erfvijand opgedrongen) gaven meer dan gewoonlijk aanleiding om de hand Gods op te merken. Ze gaven Israel gebiedsuitbreiding, want daar geldt het oude oorlogsrecht: wat in defensieve strijd aan de vijand wordt ontrukt behoeft niet te worden teruggegeven; het is de tol voor Zijn vermetelheid.
Nadien zijn vele tienduizenden Israelieten - meest Joden - naar Israel gekomen, ondanks een aantal teleurgestelde weigeraars en ondanks de sterk anti-Israelische wereldpers.
Nu Rusland eindelijk vrijheid geeft, trekken van daar dagelijks 500 Israelieten naar het Zuiden: worden letterlijk verzameld uit het Noorderland, waarheen ze verdreven waren.
De grote trek beperkt zich vooralsnog tot de 2 Stammen. En van een massale bekering, voorafgaand aan een beloofde hereniging, is nog weinig te merken; al spreekt het feit dat er een christelijke Jodengemeenschap in .Jérusatern leeft ons .zeer aan. Wij moeten dus niet al te haastig van een grootse terugkeer spreken en ook andere nuchtere feiten onder het oog zien. Bijvoerbeeld dit. Indien alle Joden (10 miljoen?) plus alle andere Israelieten tegelijk in Israel zouden wonen, gaat het om 60 - 80 miljoen mensen in een klein land. Moeilijk ons in te denken, tenzij onze begrenzingen van tijd en ruimte zouden wegvallen.
Conclusie
Beide schrijvers hebben veel Bijbels licht aangedragen, dat de toekomst van Gods oogappel in helderheid zet. Wij christenen zijn bij die toekomst ten nauwste betrokken: die toekomst is mede de onze en van allen, die de Heiland in onverderfe-
Iijkheid liefhebben. Ondanks enkele kleine bezwaren tegen dit boekje (Arabieren stammen van Abraham, niet via Israel maar via Ismael, p. 21; Israel Op p. 49 moet nu eens door Joden worden vervangen; en dat de kerk in de plaats van de gemeente zou zijn gekomen, p. 82, moet luiden: in de plaats van Israel) zij dit studiewerkje zeer aanbevolen voor Bijbelclubs, winterlezingen en vooral voor persoonlijke studie. Verkrijgbaar door overboeking van f 13,90 op postbank 311 505 van W. v. Veel en te Heerjansdam.