En God noemde de vrouw adam

1989-01-06
  • Jaargang 33
  • nummer 1
Vertalen

Wie de eerste hoofdstukken van Genesis in de Statenvertaling vergelijkt met de overeenkomstige hoofdstukken in de vertaling van het NBG, ziet al gauw dat de Statenvertaling de naam Adam veel vaker gebruikt dan de vertaling van het NBG. In de Statenvertaling komen we die naam vanaf Gen.
2:19 doorlopend tegen. In de vertaling van het NBG stuiten we pas in Gen. 4:25 op de naam Adam. In alle teksten daarvóór, waarin de Statenvertaling de naam Adam gebruikt, vertaalt het NBG met: de mens.
Dit verschil in vertalen hangt samen met het feit, dat het hebreeuwse woord adam mens betekent. Bijna overal waar dit woord na Gen. 2:19 voorkomt, gebruikt de Statenvertaling de eigennaam Adam (behalve eenmaal in 2:20 en in 3:22), terwijl de vertaling van het NBG het dan weergeeft met: de mens.
Waarom gebruikt de vertaling van het NBG in die gevallen de eigennaam niet? Het antwoord op die vraag luidt: omdat er in de hebreeuwse tekst dan een lidwoord staat. Ter illustratie geef ik het volgend voorbeeld. Gen. 2:23 luidt: Toen zei de adam: dit is nu eindelijk been van mijn gebeente. Het is duidelijk dat de vertaling 'de mens' hier beter past dan de eigennaam Adam.
Maar er is met het hebreeuwse woord adam nog iets bijzonders aan de hand. Er bestaat geen meervoudsvorm van. Dat betekent dat telkens uit het verband afgeleid moet worden of er in de Nederlandse vertaling geen enkelvoud of een meervoud moet komen te staan. In Gen. 1:26 staat letterlijk: Laat Ons adam maken. Dat kan dus op drie manieren vertaald worden: 1. laat Ons Adam maken; 2. laat Ons mens maken; 3. laat =Ons mensen maken. In dat verband waarin deze tekst staat, is de derde mogelijkheid de beste, want het gaat blijkens het slot van vs. 27 en het begin van vs. 28 niet over één enkel mens. Omdat een meervoud bedoeld is, ligt het voor de hand ook het begin van vs. 27 in het meervoud te vertalen. Daar staat: En God schiep de adam naar zijn beeld. Dat kan dus het beste worden weergegeven met God schiep de mens naar zijn beeld.
Vanzelfsprekend heeft deze vertaling ook consequenties voor de vertaling van het op adam betrekking hebbende persoonlijk voornaamwoord.
Uiteraard staat dat in het Hebreeuws in het enkelvoud (naar Gods beeld schiep Hij hem), omdat er immers van adam geen meervoudsvorm bestaat. Maar in die gevallen waarin adam als een meervoud vertaald moet worden, moet dat ook gebeuren met een eventueel persoonlijk voornaamwoord dat erop terugslaat. De vertaling wordt zo: En God zeide: laat Ons mensen maken ... En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hen; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.

In haar man begrepen?

In zijn boekje 'Adam eerst ...' knoopt ds. A.J. Moggré op p. 34,35 een aantal beschouwingen vast aan het feit, dat in Gen. 1:27 eerst een enkelvoud staat en aan het slot een meervoud. Hij concludeert daaruit, dat bij dat enkelvoud Eva als in haar man gerekend en begrepen is en dat er dan ook geen nevenschikking van man en vrouw aan dit bijbelgedeelte te ontlenen valt. Dat laatste baseert hij mede op het feit dat er niet van man en vrouw maar van mannelijk en vrouwelijk gesproken wordt. Dat wijst er volgens hem op, dat er meer aan tweeë rlei geslacht dan aan twee individuen gedacht wordt.
Ik ben geneigd hem wat dat laatste betreft bij te vallen. Maar voor mij is dat eerder een argument ten gunste van een nevenschikking dan ertegen. M.i. wordt Moggré 's uitleg vertroebeld door de praemisse, dat in Gen. 1 de huwelijksverhouding, waarin de man het hoofd is van zijn vrouw, al een rol speelt. Hoewel hij er zelf terecht op wijst, dat deze verhouding in Gen. 1 nog buiten het gezichtsveld ligt (p. 36), heeft hij daar toch niet de volle consequentie uit getrokken. Zijn terminologie ("diens vrouw"), "in haar man begrepen") bij de bespreking van Gen. 1:27 verraadt dat.
Wanneer we Gen. 1:27 vertalen zoals door mij hierboven voorgesteld, vervalt elk aanknopingspunt voor beschouwingen als van Moggré over een afwisselend enkelvoud en meervoud.

Verrassend

Bovendien komt er ook iets heel verrassends uit de bus. In Gen. 5:1,2 wordt ook gesproken over de schepping van de mens naar Gods gelijkenis. We lezen daar: Ten dage dat God adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods: mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen en Hij zegende hen en noemde hen: adam.
De parallellie met Gen. 1 is zonder meer duidelijk. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de vertaling van het NBG hier vertaalt: Ten dage dat God Adam schiep. Wanneer we voor de vertaling op dezelfde manier te werk gaan als bij Gen. 1:27, krijgen we: Ten dage dat God mensen schiep, maakte Hij hen naar de gelijkenis Gods. Ook hier wordt dan vermeld dat God tweeërlei geslacht schiep. En dan volgt het verrassende: God noemde hen (d.w.z. zowel man als vrouw) adam, mens(en).
Gen. 2:23 vertelt dat de mens zijn vrouw 'mannin' noemt. In Gen. 3:20 noemt hij haar Eva. Van hem krijgt ze dus andere namen dan hijzelf draagt. Daar was natuurlijk niets op tegen. Maar Gód geeft man en vrouw beiden dezelfde naam: adam, mens. Man en vrouw zijn voor Hem blijkbaar volkomen gelijkwaardig. Er is wel een biologisch verschil (mannelijk en vrouwelijk), maar dat leidt in Gods ogen niet tot ongelijkwaardigheid.
Adam eerst? Het kan moeilijk anders. Want ook de vrouw heet adam. Is dat niet aardig? Het is m.i. ook van vérstrekkende betekenis.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief