Ex libris
1989-01-20
Er zijn dichtbundels die direct doen denken: Hier hebben we iets bijzonders.- Jaargang 33
- nummer 2
Dat is ook zo bij: Winterlicht, geschreven door Frank Daen. Je hoeft er maar even in te bladeren en je merkt dat je te maken hebt met werk van niveau. Bovendien, het oog wil ook wat. En de bundel ziet er mooi uit: een fraaie omslag, goede typografie, een lust voor het oog van de bibliofiel. Maar ... goede poëzie vraagt inspanning van de lezer. Wie alleen houdt van licht te verteren stof, moet hier niet zijn.
Goede poëzie bevat gedachten die de aandacht waard zijn en die gegoten zijn in een vorm die getuigt van vakmanschap en persoonlijkheid.
En in deze bundel staat veel van die goede poëzie. De inhoud bestaat uit drie hoofdgedeelten. Allereerst het lange gedicht Winterlicht, dan een aantal kwatrijnen en daarna twee balladen. De winter, het laatste jaargetijde, is het beeld van de menselijke ouderdom. In de natuur volgt op de winter weer een lente, bij de mens is de winter onherroepelijk de laatste levensfase. Dit besef, dit weten slechts tijdelijk te zijn, vergankelijk, het kan de mens drukken.
'Elegische poëzie', staat er onder de titel. De dichter kláágt. Hij uit zich niet in cliché taal vol onaantastbare zekerheden, hij spreekt zijn moeiten uit en (Ook zijn vragen. Niet dat er geen zekerheden zijn.
Ik citeer:
‘Heer, die mij kent in mijn zorg om dit gedicht, zie hoe ik gebouwd heb wenteltrappen van gedachten zonder de obstakels te omgaan, die in Uw scheppinq mij struikelen deden, zonder dat overbleven ten laatste: U en ik.’
En ook:
‘al wat is, is in God - en wij zijn pelgrims daarheen.’
Verderop lezen we: ‘De Heer van de schepping heeft het reisplan uitqezet, Maar toch ...
Die aarde, dat leven achter te laten! De schrijnende breuk met zo vele beminden. En hoe zal het zijn daarna? O, dat dit lichaam, dat eens toch de aardbol verlaat, niet over beelden beschikt waarin het de toekomst beleven kan."
Dat is de worsteling van de dichter.
Hij weet wel: "De eeuwige rust kent een andere tijdsformule" maar toch: "willen wij niet dat het lieve leven langer duurt?"
Soms is het alsof de woorden van de psalmist doorklinken: Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt?
Als tekenen in de tijd betekenden wij niets.
Wij, die het leven ontvingen en doen alsof wij het hadden uitgevonden, verwijtend waar we niet konden begrijpen.
Majestueus, 0 God, is Uw schepping.
Heb eindeloos dank 'voor die magnetron van Uw majesteit die het credo in ons wekt, zodat wij U kennen en in woorden verstaan.
Maar toch ... dit weggaan voorgoed!
En de worsteling om het onzegbare onder woorden te brengen:
Oog in oog met dit afscheid valt het verlossende woord mij niet in, blijft het onzegbare open, terwijl mijn onwillige woorden 'kopstoten als bronstige bokken om hun plaats in de eeuwige weiden.
Is hij, die tot aan de dood uitleeft in poëzie pas werkelijk dichter: geweest?
Blijft, uitgerust, zijn schedel langer bestaan? Te vinden mijn rest?
Met die laatste strofe ben ik niet gelukkig. Ik heb moeite de bedoeling van de dichter uit deze strofe te voorschijn te halen. De vraag is dan natuurlijk: Ben ik er te dom voor of is de vorm een belemmering? Maar juist in een gedicht als Winterlicht dat zo veel goede poëtische trekken vertoont, zou een meer overtuigend slot de kwaliteit van het geheel ten goede komen. Het komt me voor dat Frank Daen vertrouwd is met het werk van onze grote dichters. Ik meen ook allerlei invloeden te herkennen. Bij Winterlicht dacht ik aan Cheops van Leopold en Thebe van Achterberg. En een woord als magnetron zou zo bij Achterberg kunnen passen. Andere namen die zich aan mij opdrongen waren Nijhoff en Hoornik. Frank Daens 'Ballade in grijs en blauw' roept gedachten op aan 'Het Veer' van Nijhoff. En er zijn ook versregels die herinneren aan 'Het uur U'.
Wie daar plezier aan heeft, kan beeldspraak, ritme en rijm in beide gedichten met elkaar vergelijken.
De dichter is zo vriendelijk geweest mij enkele inlichtingen te verstrekken.
Eén daarvan geef ik door: Op bladzijde 47 hoort achter zoek hen niet meer een punt te staan in plaats van een komma. Dan wordt het gebruik van het volgende meervoud in bemint elkander, beter verklaarbaar.
Tenslotte neem ik met toestemming van de dichter het laatste gedicht uit de bundel over.
Winterlicht, een dichtbundel ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de dichter Frank Daen. Omvang 54 bladzijden. Uitgever De Schans, Werkendam. Prijs f 17,50.
Praxis pietatis
Het was het uur dat ieder sliep.
Ik stopte aan het Hollands Diep.
Het water rolde schuins naar land en kletste nijdig op de kant.
De lucht was oliezoet tot brak, waar nog een snufje teer in stak en daar doorheen de geur van gras.
Het rook of ik hier eerder was.
Hier - dacht ik - voer mijn voorgeslacht, naast de Van Oords de Van der Jagts.
(Eens drie bij Noorwegen vergaan.)
Nu sta ik hier, ik stadse Haan.
Wat zijn voor mij die beelden ver:
De Digo en de Morgenster,
de Klaasje en de 't Kan Verkeren,
de Trijntje en De Tijd Zal 't Leren.
Wie kent de namen en de jaren
van ouders die weer kinderen waren?
Hoe uit hun dodelijk bestaan
roepen zij nu een landrot aan?
Ik heb het handelsvak begeerd,
en dáar het schipperen geleerd.
Men moet er praaien en laveren
en ten gerief van grote heren
gaat men onwillig overstag
tot men aan lij meelopen mag.
Maar ook zonder de oceaan
ben ik tweemaal bijna vergaan.
AI zijn nu gunstig tij en wind,
te lang bleef ik problemenkind.
Later, wat deed mij reizen goed,
genas mijn.oorlogszieke bloed.
Mijn zee, het was de wolkenlucht.
Mijn vliegen werd dikwijls een vlucht
naar ruimte waar ik aarden kon,
de vrije liefde van de zon,
de liefdesroep der Helicon.
De jongen uit de havenstad
Heeft sterk dit leven lief gehad.
Ben ik anders dan zij geweest?
Hoe is het, leven uit de Geest?
Betaalde ik een hoge prijs'
voor een onvindbaar paradijs?
Ik vroeg vergeefs die sterrennacht
een antwoord voor mijn nageslacht.
De nacht verliep. Ver kraaide een haan.
Ik huilde niet, maar ben gegaan.