Gereformeerd kerkepad
1989-02-03
In het vorige nummer van 'Opbouw' werden de kerkgebouwen uit de periode na de Afscheiding beschreven. De afgescheidenen hadden nauwelijks eigen bezittingen; hun eerste kerken waren dan ook zeer sober en nauwelijks als zodanig herkenbaar. Dertig jaar later werden er al grote kerkgebouwen gebouwd, die soms zelfs het dorpsgezicht in belangrijke mate bepaalden. Dan vindt in 1886 de Doleantie plaats, waarbij opnieuw een groot aantal leden de Nederlands Hervormde kerk verlaat.- Jaargang 33
- nummer 3
Tijdelijk
De mensen die zich in 1886 van de Nederlands Hervormde kerk afscheidden spraken van een tijdelijke situatie. Dit weerhield de dolerenden niet van een enorme aktiviteit op het gebied van de kerkbouw. Het aantal kerkgebouwen dat in de 6 jaar tussen Doleantie en de vereniging met de afgescheidenen (1892) verrees was zelfs dusdanig dat het boek 'Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw' er een apart hoofdstuk aan wijdt. Het merendeel van de 300 nieuw ontstane gemeenten bouwde een eigen kerkgebouw.
Alleen al in Amsterdam verrezen in 6 jaar tijds 5 nieuwe kerkgebouwen, waarvan de Fünenkerk het meest indrukwekkend was. Deze kerk telde maar liefst 2000 zitplaatsen, hetgeen overigens in de praktijk nog onvoldoende bleek. Aan het uiterlijk viel niet af te zien dat deze kerk als 'noodgebouw' bedoeld was: de voorgevel deed weinig onder voor die van het Centraal Station in Amsterdam.
Toch sprak de voorman van de dolerenden, Dr. Abraham Kuyper, met het oog op de tijdelijke situatie niet van kerkgebouwen, maar van 'lokalen'.
Spanningen en kritiek
De geschiedenis van de Afscheidingskerken herhaalt zich na de Doleantie. Sommige kerkgebouwen werden ontworpen door een plaatselijke timmerman. Er werden echter ook kerken onder architektuur gebouwd, meestal door een architekt uit eigen kring. De kerkbouw leidde soms tot grote spanningen, zowel binnen de eigen gemeente als in de kring van architekten. Iemand schreef dat de kerkgebouwen van de dolerenden "vrijwel zonder uitzondering tot de bouwkunstige misgeboorten gerekend kunnen worden". Een aantal architekten buiten de dolerende kring waarschuwde tegen het indienen van ontwerpen voor de dolerenden, omdat zelden duidelijk was wat er uiteindelijk met het ontwerp zou gebeuren.
Die waarschuwing was niet ten onrechte, want er zijn situaties bekend waarbij het oorspronkelijke ontwerp in handen kwam van een plaatselijke aannemer of timmerman, waarbij deze met de eer ging strijken.
Typen kerkgebouw
Het type kerkgebouw dat werd gebouwd was sterk afhankelijk van de plaatselijke situatie. Het ging er doorgaans om dat er a) in korte tijd, b) op een klein grondoppervlak, c) een groot en d) voordelig kerkgebouw moest worden gebouwd. Zo werd de Keizersgrachtkerk in Amsterdam op de ruimte van 2 grachtenhuizen gebouwd; dat de architekt kans zag om hier 1600 zitplaatsen te creëren mag dan ook bewondering wekken.
Het eenvoudigste type kerkgebouw was de zaal kerk, bestaande uit een grote, funktionele, rechthoekige ruimte. Naast dit veel voorkomende type kerkgebouw was er de galerijkerk: driebeukig, en voorzien van een galerij; in de grote steden telden deze kerken meerdere galerijen boven elkaar. De kruiskerk werd ontleend aan een reeds langer bestaand type kerkgebouw (Maassluis, Emden, de Noorderkerk in Amsterdam).
De achtkantige centraalbouwkerk werd door Abraham Kuyper als het ideale gereformeerde kerktype beschouwd; toch werden er gedurende de Doleantieperiode slechts twee gebouwd.
Een uitvoerige beschrijving van de afzonderlijke typen kerkgebouw past niet binnen de ruimte van 'Opbouw'. Verwezen kan worden naar het uitstekend gedokumenteerde boek over 150 jaar gereformeerde kerkbouw (1).
Interieur
Wat het interieur van deze kerken betreft: het moest allemaal passen binnen de Gereformeerde traditie: de prediking centraal. Daarom waren de kerkgebouwen zeer sober.
"Vier witgekalkte muren, waarbij het orgel het belangrijkste sieraad van het interieur vormde, waar decoratie verder vrijwel ontbrak", zo wordt in het boek over 150 jaar gereformeerde kerkbouw opgemerkt. Een halve eeuw geleden lieten de auteurs van het beroemd geworden 'In de houten broek' zich over een kerkgebouw in Leiden in dezelfde wijze uit: "Een snertkerk. Men heeft hier eenvoudig een zaal gebouwd, een vierhoekige, omdat men dat de voordeligste ruimte vond, en van die zaal heeft men daarna een kerk gemaakt" (2). Toch konstateren .
deze auteurs dat er ook veel kerken te vinden waren die - misschien er wel dankzij hun soberheid - smaakvol waren ingericht.
Dat ten aanzien van het interieur ook spanningen konden ontstaan blijkt wel uit het feit dat de aanvankelijk rode bekleding van de preekstoel van de Amsterdamse Keizersgrachtkerk na protesten moest worden vervangen door stemmig bruin.
Van kunst in de kerk was in de tijd van de Doleantie nog geen sprake.
Raamschilderingen , wandversieringen, schilder- en beeldhouwkunst komen niet voor. Hoewel Abraham Kuyper probeerde het gereformeerde volksdeel in te laten zien dat kunst bij het gereformeerde leven behoort is ook hij zeer terughoudend wat betreft toepassing van kunst bij de kerkbouw.
Afgebroken en bewaard gebleven
Veel kerkgebouwen uit de periode van de Doleantie zijn inmiddels afgebroken. Dit is vooral in de grote steden het geval. In Amsterdam is van de 5 kerkgebouwen uit die korte periode alleen de Keizersgrachtkerk overgebleven. Toch zijn er in ons land nog een aantal kerken uit de tijd van de Doleantie bewaard gebleven.
Bekend is o.a. de Westerkerk, schuin tegenover het Utrechtse station. Dit gebouw is tegenwoordig eigendom van de Gereformeerde Gemeente.
Van de kerkgebouwen van de nederlands gereformeerden moet in dit verband het bij veel vakantiegangers bekende kerkgebouw in Voorthuizen genoemd worden. Men kerkt hier nog altijd in een eenvoudig kerkgebouw, zoals veel kleinere gemeenten dat na de Doleantie bouwden.
Ook de Nederlands Gereformeerde kerk van Leerdam bezit een kerkgebouw in een kenmerkende bouwstijl uit de periode van kort na de Doleantie.
Toch is dit gebouw nog door de Afgescheidenen gebouwd, omdat de oorspronkelijke kerk te bouwvallig was geworden. Later (in 1901) trok de dolerende gemeente in bij het nieuwe kerkgebouw van de Afgescheidenen.
In 1980 werd de kerk van de nederlands gereformeerden in Leerdam ingrijpend gerenoveerd, maar daarbij heeft men rekening gehouden met de architektonische geschiedenis van het kerkgebouw.
In een mooi uitgegeven en fraai geïllustreerd boekje is de geschiedenis van deze gemeente en van het kerkgebouw ook voor latere generaties vastgelegd (3).
Literatuur
(1) Dr. Regn. Steensma en dr. CA van Swigchem: Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw (Kok, Kampen, 1986).
(2) O. van der Stoep en H.H. Felderhof: In de houten broek ('s-Gravenhage, 1940).
(3) W. Bos en G.J. van Otterloo: Opdat zij niet vergeten (uitgegeven door de Nederlands Gereformeerde kerk van Leerdam, 1981).