Eén God en één Middelaar

1989-02-17
  • Jaargang 33
  • nummer 4
Wat ons nog het meest verbazen kan is het tijdstip waarop deze dingen voor het eerst gezegd zijn. De apostel Paulus heeft dit woord aan zijn leerling en medewerker Timotheus geschreven in het begin van onze jaartelling, toen er nog maar een handjevol christelijke kerkjes bestonden, die alles bijeen een verdwijnend kleine minderheid vormden in het grote romeinse rijk van die dagen.

Als je je dat probeert in te denken, schieten de kleuren je uit en ben je geneigd een exkuus te stamelen om zoveel kapsones. Eén God? Nou ja... Maar één middelaar? Dat wil zeggen: één heilsweg? Maar één? Voor iedereen?

Ook de kerk van vandaag immers is niet langer een meerderheid en op religieus gebied moeten we tegenwoordig het erf delen met andere godsdiensten die in een fier zelfbewustzijn onder ons verkeren.
Daarop gelet zouden we Paulus' woorden maar het liefst inslikken en zitten we er eigenlijk mee dat zulke dingen in de bijbel staan. Ze zijn immers weinig verdraagzaam en bepaald niet geschikt om het gesprek tussen de verschillende godsdiensten op gang te brengen.

Nu, wacht eens, hoor ik iemand zeggen, dat zou toch nog best eens mee kunnen vallen. Want Paulus heeft het hier over de mèns Christus Jezus. Het aanstootgevende Godzijn van de Here Jezus is hier tenminste niet beleden. Dat schept toch een opening voor diskussie. De mens Christus Jezus kan toch met de mens Mozes en de mens Mohammed rondom één tafel gaan zitten om samen te kijken hoever men komt. ' Maar ik ben bang dat Paulus van deze redenering vréemd opgekeken zou hebben. Hij heeft het immers net nog, vlak vóór dit woord over de ene God en de ene middelaar, gehad over God onze Heiland die wil dat alle mensen behouden worden (vss. 3 en 4). 'God onze Heiland'.
Hij geeft daar aan de Here God de naam die in de regel de Here Jezus in de bijbel draagt: De naam Heiland. En ik zou zeggen: je mag in dit geval de stelling omdraaien: als God onze Heiland is, dan is onze Heiland ook God. In ieder geval staat in deze hele samenhang de Here Jezus helemaal op de kant van God. Je kunt de aanduiding 'mens' die hier aan Christus gegeven wordt, niet gebruiken om daarop af te dingen.

Nee, die aanduiding 'mens' wijst in andere richting. Als God wil dat alle mensen behouden worden,dan heeft Hij voor al die mensen een middelaar aangesteld die zo algemeen mogelijk is en voor ieder toegankelijk: de mens Christus Jezus.
Het zou dan ook in dit verband niet passen als er stond: de Jood Christus Jezus, hoe waar dat op zichzelf ook is want dat zou alle niet-Joden uitsluiten (althans die schijn wekken).
En het zou in dit verband ook niet passen als Paulus geschreven had: de man Christus Jezus, hoe ' waar ook dat is, dat zou alle vrouwen buiten sluiten. Nee, als Jezus Christus voor alle mensen de middelaar is, dan komt Hij met de titel 'mens' ons allen het meest nabij.
Het is zijn meest oekumenische naam.

We komen dus met behulp van dat woord 'mens' voor Christus niet onder de scherpte van Paulus' woord vandaan. Het is juist in tegendeel zo dat het spreken over de mens Christus Jezus de uitspraak van de apostel nog puntiger maakt.
Alle mensen moeten voor hun behoud nu bij die mens Christus Jezus zijn.

En daar is dus onze verlegenheid weer terug. Toch verraadt die verlegenheid hoezeer wij ten opzichte van het christelijk geloof buitenstaanders geworden zijn. De apostel Jakobus heeft het in zijn brief ergens over de wet van God en hij zegt dan: je moet geen rechter der wet zijn, maar dader der wet (hfst. 4:11). Dat wil zeggen: je moet de wet niet van buitenaf benaderen, om erover te oordelen, maar van binnenuit, om ernaar te doen. Zo is het ook met het geloof. Als je het van buitenaf benadert, ga je het als een buitenstaander beoordelen, en dan blijft er natuurlijk van Paulus' uitspraak over de ene God en de ene middelaar niets heel.

Een voorbeeld. Misschien hebt u wel eens een kritische, niet-gelovige vriend weten mee te krijgen naar de kerk. En hebt u toen gemerkt dat u met zijn oren, met de oren van het niet-geloof dus, zat te luisteren naar de preek? En toen ook erg kritisch werd en uit de preek geen zegen meenam? Hiermee zeg ik natuurlijk niet dat u voortaan uw kennissen maar thuis moet laten.' Maar wel, dat u zich op zo iets geestelijk en biddend moet voorbereiden. Word zelf geen buitenstaander. Een beoordelaar van het geloof in plaats van de gelovige.
En precies hetzelfde moeten we bij deze tekst tegen elkaar en tegen onszelf zeggen. Wij moeten hem niet van buitenaf, maar van binnenuit benaderen.

Wat wil dat zeggen? Wel, stel uzelf voor God. De ene God. Dat God één is wil ook zeggen dat wij Hem niet kunnen ontlopen. Het veelgodendom speelt de verschillende goden tegen elkaar uit. Voor wie de ene God belijdt, is dat onmogelijk.
Die ontmoet de ene God overal en overal als dezelfde. Als de heilige God voor wie wij alleen eens rekenschap moeten afleggen. En kunnen wij dat?

Als ons dat tot een - nee, ik zeg niet: tot een probleem geworden is, want een probleem, dat is zo afstandelijk.
Maar als ons dat tot een nood geworden is, dan begint het woord 'middelaar' te stralen. Dat er nu toch van Godswege een mens tot ons neergekomen is om de weg tot Gods hart voor ons te openen - dat is het ontzettend mooie van het evangelie dat onze harten in vlam zet.

Het is vanuit deze schitterende ervaring dat Paulus gesproken en geschreven heeft. De ene God had hij via die ene middelaar als zijn lieve 'Vader in de hemel leren kennen. En nu weet hij nog maar één ding: die Jezus Christus en die gekruisigd. Voor mij, voor ons.
Paulus poneert dus geen stelling waarmee hij een debat wil uitlokken.
Een debat, waar wij ons dan buiten kunnen houden, omdat we onszelf in de jury benoemd hebben. Nee, Paulus getuigt. En een christen die Jezus Christus als zijn middelaar kent, kàn niet anders dan daarover getuigen, in een mèerderheidssituatie of vanuit een minderheidspositie; gelegen of ongelegen.

Het is eigenaardig: in de godsdienstgesprekken zoals we die allemaal vandaag nog wel eens kunnen meemaken, zag ik wel de belijders van andere religies getuigen van binnenuit hun geloof, maar de christendeelnemers waren meer rechters van hun geloof dan gelovigen.
Rechters, fair en onkreukbaar, dat wel, maar toch meer buitenstaanders dan insiders. En op anderen heb ik zelf misschien die indruk ook wel eens gewekt.

Hier is maar één remedie tegen: stel uzelf voor God. En als u dan overloopt van geluk om uw middelaar, dan stelt u ook de wereld voor God.

Want dat heeft Paulus, de grote zendeling, toch gedaan. Vanuit die minderheidspositie heeft hij de wereld voor God gesteld en toen Christus verkondigd. En zo Europa veroverd.
Van deze tekst moet je dan ook zeggen dat hij de kracht achter de zending is. ' Eén God en één middelaar - als dat geluksgevoel uitslijt, dan is het met alle zending en evangelisatie snel gedaan.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief