Rhetorische reeksen in Paulus' brieven (2)

1989-02-17
  • Jaargang 33
  • nummer 4
2 Cor. 6, 7b-10

Het loont de moeite onze analyse van de structuur van 2 Cor. 6 ook na v. 7a nog even voort te zetten. Paulus heeft in dit hoofdstuk heel wat registers van zijn rhetorica opengetrokken.
Ik schrijf de tien elementen die nu volgen eerst maar uit en nummer ze door : 19) met de wapenen der gerechtigheid in -de rechterhand en in de linkerhand, 20) onder eer en smaad, 21) in kwaad gerucht en goed gerucht, 22) als verleiders en toch betrouwbaar, 23) als niet bekend en toch wél bekend, 24) als stervende en zie, wij leven, 25) als getuchtigd, maar niet ten dode, 26) als bedroefd, maar altijd blijde, 27) als arm, maar velen rijk makend, 28) als niets hebbend en toch alles bezittend.

Voorlopige oriëntatie

Een globale analyse van dit gedeelte brengt het volgende aan het licht: a) Vanaf 20 hebben we steeds met twee onderling tegengestelde begrippen te maken."
b) 21 geeft een synoniem te zien van 20; en deze twee begrippenparen zijn chiastisch aan elkaar verbonden: 'eer', dat voorop gaat in 20, correspondeert op 'goed gerucht', dat achteraan staat in 21; 'oneer' ('smaad' NBG), dat tweede term is in 20, correspondeert op 'kwaad gerucht', dat als eerste term in 21 verschijnt.
c) Binnen het zevental 22-28 beginnen alle termen met 'als', wat aangeeft, hoe iets lijkt; welke schijn vervolgens blijkt te bedriegen.
d) Ook tussen 24 en 25 is er overeenstemming, wat de inhoud betreft.
En evenzo tussen 27 en 28.
De overige termen (19, 22, 23 en 26) moeten nader worden bekeken.

19 : een overgangsterm

Wat 19 betreft: 2 Cor. 10,4 "want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God" (geeft aanleiding deze term te beschouwen als uitbreiding van 18.
(Vgl. ook Rom. 6, 13.) Formeel functioneert deze term in dubbel opzicht als overgang: a) na de reeks 'in ...'-verbindingen komt hier nu het voorzetsel 'dia' in het spel, en wel in de betekenis 'door middel van'. Dit voorzetsel houdt Paulus aan in 20 en 21, zij het in een ietwat afwijkende betekenis" nl. 'midden tussen ... door'. Althans op die letterlijke betekenis valt het te herleiden. Maar dan wordt het ook overdrachtelijk gebruikt, b.v. om de kaders aan te geven waarbinnen iets zich afspeelt - zo b.v. in Rom.
2,27, waar de apostel het heeft tegen iemand "die 'dia' letter en besnijdenis een wetsovertreder is", d.w.z. "ofschoon levend binnen de kaders van een op schrift gestelde wet en van een besnijdenis" - of ook om te tekenen, 'wat je om je heen voelt', rn.a.w. de sfeer waarin je ademt. In die laatste zin is het hier gebruikt. Men kan dan vertalen: "onder eer en smaad, onder kwaad en goed gerucht".
b) Door de toevoeging "in de rechter- en in dé linkerhand" bij "wapenen" creëert Paulus een contrast. En met dat stijlmiddel opereert hij nu in 20-28 verder.

22 en 23

Bekijkt men 22 en 23 nader, dan blijken die onderling verwant. Dat komt in de NBG-vertaling niet uit.
Daar heeft men nl. vertaald: "als niet bekend en toch wél bekend".
Maar de bedoeling is: "naar het schijnt miskend en toch erkend".
(Voor 'agnoeoo' in de zin van 'niet willen kennen, negéren, miskennen' zie men b.v. Hd. 13,27 ('niet erkend' NBG); Rom. 2, 4 ('beseft niet' NBG; hier is de bedoeling al heel duidelijk door het samengaan met 'verachten'); 10, 3 ('onbekend' ten onrechte NBG; Paulus bedoelt: "omdat ze van Góds gerechtigheid niet wilden weten"); 1 Cor. 14, 38 ("dan wordt met hem niet gerekend" terecht NBG; men zou ook kunnen vertalen: "dan wordt hij genegeerd" of "dan laat men hem links liggen"). Een heel duidelijk voorbeeld van 'epiginooskoo' in de zin van 'erkennen' vindt men in Mt. 17, 12.
Zo gelezen, blijken nu - in breder verband gezien - de termen 22/23 te corresponderen op de termen 20/21; en opnieuw maakt Paulus daarbij gebruik van een chiasme, d.w.z. de buitenste termen (20 en 23) corresponderen op elkaar, en zo ook de binnenste termen' (21 en 22).
De bedoeling zouden we zo kunnen weergeven: we worden verguisd (21a) als misleiders (22a) en toch staan we goed bekend (21b) als betrouwbare lieden (22b); ofschoon we de oneer (20b) moeten dragen van miskenning (23a), genieten we toch de eer (20a) van erkenning (23b). 3)

26: een los element?

Rest nog de moeilijkste vraag: wat te doen met 26? Nu van het zevental met 'als' beginnende termen de eerste twee op elkaar bleken te corresponderen, en ook de laatste twee, lijkt het formeel niet onwaarschijnlijk, dat we de binnenste drie (24.25.26) samen moeten nemen.
Paulus heeft dan de zeven symmetrisch opgedeeld in 2-3-2.
lnhoudelijk blijkt daarvoor veel te zeggen. Als ik me niet vergis, hebben we hier te maken met wat wel genoemd is 'a descending climax', dus 'een afdalende trap'. Dat is een figuur waarbij men trapsgewijze naar beneden gaat. Iemand doet in eerster instantie een krasse bewering, die hij in tweede instantie niet volledig kan staande houden. Hij doet dan een stapje terug, maar poogt toch zijn stelling goeddeels intact te houden. Eventueel moet hij daarna nóg eens inbinden, gaat nog een trapje omlaag, maar probeert toch altijd nog zovéél mogelijk van zijn eerste bewering te redden.
Wel, Paulus heeft in dit zevental uitspraken zich even voorgesteld, hoe de mensen -' en vooral zijn tegenstanders - over hem denken en tegen hem aankijken. Ze moeten hem niet, maar worden gedwongen voor de feiten te zwichten. In dit drietal nu, de termen 24.25.26, leeft hij zich helemaal in in de reacties van zijn tegenstanders op wat hij te verduren heeft: 1) eerst denken ze: "t is zó met hem gebeurd'; maar warempel, hij leeft weer op!
'2) dan denken' ze: 'nou, maar hij heeft dan toch wèl zulke opstoppers gehad, dat hij er vroeg of laat aan bezwijken zal'; maar dat gebeurt niét! ' 3) tenslotte denken ze: 'nou, maar op z'n minst ligt hij te krimpen van de pijn, en kan hij z'n plezier wel op'; maar nee, hij blijft blij!

De kunst van het variëren

Als we nu het geheel van deze 28 termen overzien, blijkt ons, hoezeer Paulus de kunst verstaat variatie aan te brengen. In zulke lange opsommingen kiest hij niet steeds hetzelfde patroon, maar brengt hij met allerlei middelen de nodige afwisseling aan. Op die manier voor vervelen.
Hij weet zijn lezers vast te houden, o.a. door - zoals speciaal in 24.25.26 - een levendige schrijftrant.

Lezers en hoorders
Ik liet hier het woord 'lezers' vallen.
In Col. 4, 16 lezen we, dat Paulus' bedoeling was, dat zijn brief in de gemeente-bijeenkomst werd voorgelezen.
Hij heeft zich dus, zo moeten wij aannemen, bij het schrijven op hoorders ingesteld.

Dat geldt trouwens voor de schrijvers in de oude wereld meer in het algemeen. ‘Stil’- voor zichzelf – lezen, kende men nauwelijks. Wanneer men las, las men overluid, ook al was men alleen, vgl. Hand. 8, 30.
Zulke lange opsommingen als Paulus af en toe maakt, heeft men dus bij het vóórlezen (hetzij aan anderen hetzij aan zichzelf) op gepaste wijze kunnen declameren, d.w.z. men heeft de nodige 'rusten' kunnen aanbrengen, stemverheffing en accentuatie kunnen toepassen, om zo het gehoorde gelezene goed tot de hoorders' te laten doordringen.
Zeker nu wij in een 'lees' -cultuur leven, zou het goed zijn in passages als deze het nodige reliëf aan te brengen door een betere lay-out te kiezen. Dat vergemakkelijkt het verstaan voor den 'stillen' lezer. Dat stelt overigens ook den vóórlezer (in de kerk, aan tafel, bij het ziekbed) in staat de pericoop duidelijk en levendig voor te dragen.
Als wij er van uitgaan - en ik doe dat met overtuiging - dat het bij Paulus niet geweest is l’art pour I'art', dat hij dus niet heeft willen pronken met stilistische hoogstandjes, maar dat hij zijn oratorisch talent dienstbaar heeft gemaakt aan het inprenten en aandringen van zijn boodschap, dan doen wij er goed aan te zinnen op middelen die in onze gewijzigde situatie van vandaag zijn woorden toch met de oorspronkelijke kracht doen doorkomen.

Noten
2. Een goede parallel vindt men in 2 Cor. 4, 8-12.
3. Men ziet, dat de hier te onderkennen chiastische structuur de zojuist van 23 voorgedragen opvatting bevestigt. Veel vaker blijkt deze stijlfiguur een interpretatief hulpmiddel: men denke aan Rom. 11, 25.26, waar de chiastische structuur "a) verharding b) voor een deel over Israël c) totdat... c') alsdan b') heel Israël a') zal behouden worden"
bevestigt, dat men de term c' - gezien de correspondentie op c) totdat...moet opvatten in temporele zin ('alsdan').


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief