Wraak? (1)

1992-08-14
  • Jaargang 36
  • nummer 17
Afgedaan?
Het slot van Psalm 137, en dan met name het hierboven afgedrukte, klinkt vreselijk hard, genadeloos. 't Is dan ook geen wonder, dat velen zich min of meer van deze Psalm afmaken door te beweren dat het nivo ver beneden dat van Christus en van een christen ligt. Men zegt dat deze Psalm een èchte Psalm is, een echte oudtestamentische Psalm, want hierin wordt nog om wraak geschreeuwd. Wie dit te gemakkelijk vindt, wie eigenlijk vindt dat je dat niet kunt zeggen, dat iets in de Bijbel voor ons heeft afgedaan, het is alsof zij niet weten wat dan wel te zeggen, en ze doen er het zwijgen toe...
En ik kan het begrijpen; ik kan het begrijpen dat mensen menen dat wij vandaag niets meer met deze Psalm kunnen en ik kan het nog veel meer begrijpen dat mensen niets weten uit te brengen, er geen raad mee weten, maar het bevredigt me niet. Bij het lezen van de Schrift, van de Psalmen, stuit je ook op deze Psalm. En we mogen er toch van uitgaan dat ook Psalm 137 voor ons vandaag een boodschap bevat. Vandaar een poging om de betekenis te ontdekken.
Over twee weken zullen we ingaan op het slot van de Psalm, de verzen 7 tlm 9; om dit derde gedeelte van de Psalm goed te kunnen verstaan, kijken we nu naar de eerste twee gedeeltes, de verzen 1 t/rn 6.

Bij God vandaan
De dichter van onze Psalm zit met zijn volk in Babel, in ballingschap. Dat is maar niet ver van huis, maar vooral ver van Gods huis, de tempel, Jeruzalem, zoals het in vers 1 heet: Sion. En vandaar de treurige stemming:
Aan Babels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij als wij Sion gedachten.
Ik denk dat de Psalm het hier heeft over wat vandaag vaak wordt aangeduid als 'Gods-verduistering'. Sion was de plaats waar God woonde; en in plaats van daar, dicht bij de HERE, leeft een deel van Israël ver bij God vandaan. De ballingschap is als het ware de wereld van de Godsverduistering: je merkt niet of nauwelijks dat God er is, laat staan dat Hij zich bemoeit met deze wereld.

De vraag naar Gods leiding
Met de modieuze en aanvechtbare term Gods-verduistering zeggen we dat er voor het besef van velen iets (gekomen) is, dat tussen God en ons in staat, waardoor het echte zicht op Hem verdwenen is. En dat is dan met name de autonomie van de mens, het God niet meer nodig denken te hebben, de menselijke zelfstandigheid. Denk aan vele vormen van wetenschap met ongeloofsvooronderstellingen. Velen worstelen met vragen over Gods leiding in de wereld van nu. En altijd zijn mensen met deze wezenlijke vraag aan het worstelen geweest. Wie dat alleen maar theoretisch wil doen, heeft grote kans met deze gigantische vraag min of meer klaar te komen. Theoretisch weet ik ook heel wat te zeggen over Gods leiding, zijn voorzienigheid. Maar dan de praktijk. Die botst vaak op een verschrikkelijke wijze daarmee. Mensen die altijd vlot zondag 10 konden nazeggen, daar oprecht hun geloof in verwoord vonden, worden door elkaar geschud, wanneer er grote zorgen komen bij henzelf. Wanneer iets je ineens heel direkt raakt, dan komen de dingen mbt. onze hemelse Vader er heel anders uit te zien. En dat heeft veel tijd en energie nodig, en worstelen, om daarmee op een goede manier om te gaan. Wie ondanks alles wil vasthouden aan God als een almachtige Vader, is apart komen te staan. Je wordt naïef gevonden, staande buiten de werkelijkheid. Voor velen speelt God geen enkele rol meer in het leven. En deze sfeer heeft op allerlei manieren heel wat invloed, ook op mij en u.

Verlangen naar vroeger
God, zelfs het woordje 'god' of 'God', zegt de mensen eigenlijk niets meer. Hoe gemakkelijk ben je dan niet geneigd er maar het zwijgen toe te doen. Begrijpelijk. En het gevolg daarvan kan al snel zijn dat ook voor je eigen idee God min of meer los staat van een groot deel van je leven. Is ook dat niet een vorm van Godsverduistering?
Wat kan het moeilijk zijn om vandaag te leven met de HERE God. Wat kun je verlangen naar vroegere tijden, omdat geloven toen veel meer vanzelf sprak, althans leek te doen. Het is alsof God toen meer te maken had met het dagelijks leven. Wij leven vandaag in een wereld waarin je je eenzaam kunt voelen, omdat er geen of nauwelijks christenen om je heen zijn. En dat verlangen naar vroeger proef je in de Psalm:
Aan de wilgen aldaar hingen wij onze citers; want daar begeerden zij die ons gevangen hielden van ons een lied, en zij die ons mishandelden vreugdebetoon: Zingt ons een van Sions liederen.
Laat eens wat horen! Maar dat kunnen ze daar in Babel niet opbrengen:
Hoe zouden wij een lied van de HERE zingen op vreemde grond?
En dan volgt de lof op Jeruzalem.

Jeruzalem
Volgens velen zal Jeruzalem als de heilige stad het centrum van de wereld worden, zo rond de terugkomst van de Here Jezus. En wanneer je mensen hoort spreken die menen dat er voor het land en het volk Israël nog bepaalde beloftes zijn overgebleven, dan klinkt het heel eerbiedig. Als ze bijv. zeggen: Israël is Israël - waarmee ze tegen de mening ingaan van uitleggers, die de profetieën over Israël laten slaan op de nieuwtestamentische gemeente -, dan kun je onder de indruk zijn van hun trouw aan de Schrift.
Toch is het slechts de schijn. Want wie echt trouw wil zijn aan de Schrift, die zal dat zijn aan de hele Schrift, van Genesis tlm de Openbaring aan Johannes. En met name dat laatste Bijbelboek toont ons dat we Jeruzalem niet moeten zien als een echte stad, zoals wij steden kennen, zoals wij het aardse Jeruzalem kennen. Met Jeruzalem wordt in de Bijbel de plaats bedoeld waar God woont. Ten tijde van het Oude Verbond was dat het aardse Jeruzalem, de tempel. Jeruzalem was een bijzondere stad, heilig, vanwege de tempel, de woonplaats van God. En vandaar de vrome zelfvervloekingen in onze Psalm: Indien ik u vergete, Jeruzalem, zo vergete (mij) mijn rechterhand; mijn tong kleve aan mijn verhemelte, als ik uwer niet gedenk, als ik Jeruzalem niet verhef boven mijn hoogste vreugde. Zelfvervloekingen, want wie Jeruzalem vergeet, vergeet niet slechts een aardse stad, zoals er zoveel steden zijn, maar die vergeet de HERE en zijn aanwezigheid.
Op grond waarvan zou Jeruzalem nu geen heilige stad meer zijn, vragen velen zich af. Omdat Christus gekomen is, die bijv. gezegd heeft: Meer dan de tempel is hier. Denk maar aan de brief aan de Hebreeën. Uitgebreid gaat die in op de tempeldienst en alles wat daarmee te maken had. En steeds maar weer laat de schrijver zien dat die dienst sinds Christus heeft afgedaan. Hij, Christus, blijkt de werkelijkheid te zijn van wat onder het Oude Verbond van tevoren werd afgebeeld.
Jeruzalem: de plaats waar God woont.
En waar woont Hij nu? Daarvoor moeten we naar het Nieuwe Testament. De apostel Paulus schrijft aan de Korinthiërs: Weten jullie niet, dat jullie Gods tempel zijn en dat de Geest van God in jullie woont? En aan Timotheüs: Mocht ik nog uitblijven, dan weet u, hoe men zich behoort te gedragen in het huis van God, en dan: dat is de gemeente van de levende God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief