Over kerkorde en zending (2)
1992-08-14
Ging het de vorige keer over kerkorde, zending en traditie, ditmaal wil ik het hebben over bijbel, kerkorde en zending.- Jaargang 36
- nummer 17
Want wat voor goeds we ook over de traditie naar voren kunnen halen, ze weegt niet op tegen de bijbel.
Het spoor dat de Geest door de eeuwen getrokken heeft, is het spoor van het Woord, dat in de Schrift gezaghebbend op ons toekomt. Wat uit de traditie de moeite van het bewaren en doorgeven waard is, zal men toch door de zeef van het Woord heen moeten halen. Deze gangbare visie op de relatie tussen bijbel en traditie is echter minder eenvoudig dan het zo lijkt.
Daarover gaat het in deze bijdrage.
Bijbel en Traditie
Dus de bijbel! Maar bijbellezen is minder eenvoudig dan we soms denken. Het is wel makkelijk gezegd: laten we de bijbel er maar op naslaan, maar hoe werkt dat in de praktijk? Hoe komt het dat bij een open bijbel er toch zo veel verschillende kerkrechtelijke systemen ontworpen zijn met de daarbij passende kerkenordeningen? We geloven toch niet dat wij, gereformeerden, als enigen de bijbel goed gelezen en uitgelegd hebben? Ook onder gereformeerden trouwens is er meer dan genoeg verschil van mening in kerkrechtelijke zaken om het ideaal van onbevangen bijbellezen als romantiek aan de kaak te kunnen stellen.
De bijbel kan niet onbevangen gelezen worden! We moeten gewoon eerlijk onder ogen zien dat de bijbel altijd vanuit een bepaalde leestraditie, door een bepaalde confessionele bril gelezen en uitgelegd wordt. Dat te betreuren of af te keuren is bewijs dat men niet door heeft dat we als gelovigen deel uitmaken van een bijbellezende gemeenschap die de eeuwen omspant. Ons bijbellezen doen we staande op de schouders van ons voorgeslacht. Er is geen andere manier om de bijbel te lezen. In de lijn der geslachten wordt ons de bijbel overhandigd. Maar ook een bepaalde uitleg van de bijbel wordt zo ons eigen gemaakt. Deze verbondsmatige toegang tot en omgang met de bijbel is vrucht van het werk van de Geest in de geschiedenis. Aan ons bijbellezen zit dus altijd een historisch bepaalde kant. Het staat te allen tijde open voor korrektie. Ons verstaan van de bijbel is nog niet de bijbel zelf. Laten we ons hoeden voor verabsolutering van eigen standpunten en meningen door die te vereenzelvigen met de bijbel zelf. Maar we aanvaarden wel dat zo in deze verbondsmatig bepaalde geschiedenis de Geest door het Woord tot de gemeente spreekt en dat het werkelijk mogelijk is de wil van God te leren kennen, zij het niet volkomen en uitputtend en altijd onder het voorteken van de voorlopigheid. Zo zou ik een pleidooi willen voeren niet voor een onbevangen maar voor een historisch, dat is een confessioneel verstaan van de bijbel.
Bijbel en Confessie
Staande in een bepaalde leestraditie die kerkelijk geijkt zijn neerslag heeft gevonden in belijdenisgeschriften, lezen we de bijbel. Ook al belijden we het reformatorische principe van de Schrift alleen, het lezen van de Schrift gebeurt in de gemeenschap der heiligen, binnen de confessionele ruimte der kerk - welke kerk of groep of beweging dan ook. Wie bij voorbeeld de bijbel naleest op wat ze zegt over de ambten in de kerk zal als gereformeerde lezer toch, bewust of niet, de Artt. 27-32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in rekening brengen. Wie in de bijbel op zoek gaat naar gegevens voor een ordelijke regeling van het kerkelijk samenleven, zal door deze belijdenis, bewust of niet, worden beïnvloed. Vandaar dat roomsen en gereformeerden tot heel verschillende leesresultaten komen: hun confessionele leestradities zijn nu eenmaal totaal verschillend.
We moeten hier natuurlijk wel bij aantekenen dat het ons overgeleverde bijbelverstaan niet onfeilbaar is. Belijdenissen zijn niet feilloos, en blijven toetsbaar aan de bijbel zelf - zeggen ze zelf. We krijgen hier een cirkelredenering: we lezen de bijbel staande in de confessioneel bepaalde ruimte van de kerk van alle eeuwen; en vanuit de bijbel lezen en zo nodig kritiseren we de kerkelijk geijkte leestraditie die die ruimte confessioneel omgrenst. Dat toch de bijbel het laatste woord krijgt, en niet ons lezen en verstaan van de bijbel, is toe te schrijven aan het werken van de Geest in het lezen en verstaan van de bijbel. Steeds opnieuw kunnen we het zien gebeuren, hoe de Geest met, in en door het bijbelwoord nieuwe inzichten schenkt, misverstaan afbreekt en heen breekt door verstard verstaan, zodat het perspectief van werkelijk verstaan altijd binnen het bereik blijft.
Natuurlijk moet hier onmiddellijk aan toegevoegd worden dat de Geest niet alleen onder gereformeerden werkzaam was en is. Dat verplicht ons in onze bijbellezing en -uitleg voluit rekening te houden met wat andere leestradities hebben opgeleverd aan inzicht in en kennis van de bijbel. In gesprek met de heiligen van alle eeuwen en plaatsen lezen we bijbel. Geïsoleerd bijbel lezen leidt uiteindelijk tot ketterij. Hoe breder onze leeshorizont is, hoe dieper ons Schriftverstaan kan worden!
Bijbel en Kerkorde
Dit heeft direkte betekenis voor het ontwerpen van kerkordes. Natuurlijk is het niet zo dat elk artikel van een kerkorde rechtstreeks uit de bijbel afkomstig is. Biblicisme is van huis uit geen gereformeerde leesmethode.
Veel gaat terug op gezond verstand en kerkelijke wijsheid die door omgang met de bijbel zijn geheiligd.
Toch heeft de bijbel haar invloed uitgeoefend op ons kerkrechtelijk denken en onze kerkordelijke ontwerpen. Alleen al het bijbelse gegeven dat Christus het hoofd van zijn kerk is, heeft ver reikende gevolgen gehad voor gereformeerde kerkordeningen. Wie de bijbel leest binnen de confessionele ruimte der kerk, zal ook willen aanvaarden dat het kerkrechtelijke grondpatroon van kerken van gere10rmeerde signatuur bijbels te verantwoorden is. Daarom is het ook gezaghebbend.
Een bisschoppelijke kerkinrichting zou in een zendingssituatie wel eens beter kunnen werken dan een presbyteriaal stelsel. De vrijheid om die dan maar in te voeren hebben we echter niet; de bijbel zoals wij die in onze leestraditie verstaan, laat dat niet toe.
Maar tegelijk moet aanvaard worden dat correctie op ons bijbelverstaan ook hier mogelijk blijft. Want bedacht moet worden dat in een konkrete, historische situatie de kerk tot een bepaald inzicht is gekomen, maar in een veranderde situatie zouden nieuwe inzichten wel eens kunnen doorbreken. Zo lijkt het vandaag nog maar de vraag of ons diakenambt inderdaad uit de bijbel kan worden afgeleid. In de dagen van de Reformatie leek dat vanzelfsprekend.
Vandaag de dag zou de relatie tussen kerk en staat anders worden geformuleerd op basis van nieuwer Schriftonderzoek dan thans te lezen staat in Art. 36 NGB, die duidelijk de sporen draagt van het Corpus Christianum denken van de 17e eeuw. Terwijl de eenzijdige behandeling die het Oude Testament in de belijdenissen ontvangt - uitsluitend vanuit het Nieuwe Testament gelezen - in hun ontstaanstijd helemaal te begrijpen en te accepteren is, maar wij vandaag zouden toch een genuanceerder benadering voorstaan, waarin het Oude Testament zelf meer tot haar recht kan komen. En er zou meer te noemen zijn.
Kerkorde en zending
Gezien de discussie tot dusver is er niets op tegen dat een zendeling de kerkrechtelijke inzichten en kerkordelijke patronen van zijn thuiskerk overdraagt op de jonge kerken die uit het zendingswerk ontstaan zijn. Hij kan ook niet anders; en zelfs mag hij niet anders. De jonge kerken nemen over wat zij zo ontvangen, niet in slaafse gehoorzaamheid maar in het besef dat de Geest in deze weg tot hen gekomen is, Ze gaan deel uitmaken van die eeuwen omspannende geloofsgemeenschap, die nu eenmaal niet in Afrika of Azië ontstaan is. Ze worden, bewust of niet, deel van een wereldwijde bijbellezende traditie van een bepaalde confessionele kleur met gevolgen ook voor kerkrecht en kerkorde in hun midden.
Maar we hebben tegelijk het historisch karakter van alle bijbellezen en -verstaan benadrukt. Dat houdt de weg nadrukkelijk open voor nieuw licht in nieuwe situaties, waarin de jonge kerken toch eigen wegen inslaan in kerkrechtelijk opzicht zonder de gemeenschap met hun bijbellees-familie op te willen geven. Dat zal wel eens spanningen op kunnen leveren; maar dat doet het al in ons eigen land binnen de familie van gereformeerde kerken. Verbondenheid en zelfstandigheid zullen de relatie tussen oude en jonge kerken binnen de ene leesfamilie moeten kenmerken. De verbondenheid is fundamenteel, want verworteld in de ene door het Woord gestempelde en de Geest beademde traditie van de kerk van alle eeuwen. Daarmee vergeleken is de zelfstandigheid, hoe belangrijk ook, relatief.
In het laatste artikel wil ik deze theoretische inzet concretiseren door een tweetal met elkaar samenhangende voorbeelden te geven: wat is de relatie tussen de lokale kerk en het kerkverband in een zendingssituatie; en welke rol speelt het ondertekeningsformulier voor predikanten in de jonge kerken uit ons natalse zendingswerk voortgekomen?