Daar heeft Adriaan niet om gevraagd...
1992-08-14
Iedere dag was hij er. Waar zijn brommertje stond, daar was hij die ochtend begonnen met zijn werk. Even verderop was Adriaan bezig. Hij schoffelde de groenstrook langs de kant van de weg, maar je kunt niet zeggen dat hij de kantjes er vanaf liep. Het zweet stond vaak op zijn voorhoofd. Soms rustte hij even uit, leunend op het handvat van zijn schoffel. Verderop waren collega’s aan het werk, maar Adriaan werkte altijd alleen. Misschien had hij er moeite mee om samen met anderen te werken en lieten ze hem daarom alleen werken.- Jaargang 36
- nummer 17
Adriaan groette altijd vriendelijk terug als je je hand naar hem op stak. Hij leek wat verlegen, maar vond het - zo te zien - ook wel leuk om een bekende te zien. Met de scholieren op het fietspad had hij soms wel veel moeite.
Eigenlijk was hij heel kwetsbaar. Wat moet je, als je alleen aan het werk bent en er komt een groep opgeschoten jongeren langs? Adriaan zei maar niets terug als iemand hem uitschold, zijn gereedschap wegpakte en een eind verderop weer neerlegde, naar hem spuugde of zijn brommertje omgooide. Hij dook alleen maar verder weg in zijn overall, nog meer gebogen over zijn schottel. Op een dag was Adriaan er niet meer.
Zijn brommertie stond niet meer langs het fietspad. Ook de volgende dag, de weken erná: géén Adriaan. Ik miste hem een beetje, die vriendelijke en verlegen man langs dat fietspad. Hij was me zo vertrouwd geworden, ook al kende ik hem alleen van een groet en van een blik van herkenning. Zou hij ziek zijn geworden, zou hij ander werk hebben gekregen?
Een paar jaar later in een verpleeghuis ... Bij de zusterpost zit een man met grijze haren, een verlegen blik, de handen voor de ogen als je naar hem kijkt. Even later staat hij op, maakt een paar vreemde pasjes en loopt op een eigenaardige manier van ons vandaan. Het contact is hem teveel geworden, hij wil weg. Opeens weet ik het weer: het is Adriaan.
De zuster vertelt het verhaal van Adriaan. Het ging opeens niet meer.Hij kon zichzelf niet meer verzorgen. Het leek of niets hem meer interesseerde. Vroeger had hij een hond, die werd opeens aan zijn lot over gelaten.
Adriaan haalde ook zijn kamer leeg en zette zijn spulletjes bij de vuilnis. Zelfs de foto van zijn ouders verdween van zijn kamer. Het ging steeds slechter met hem. Uiteindelijk kwam hij in een psychiatrische inrichting terecht. Daar werd hij na een paar maanden weer uit ontslagen. Maar Adriaan kon niet meer voor zichzelf zorgen. Een verpleeghuis had nog een plekje voor hem.
"Hoe gaat het nu met hem?" vroeg ik aan de zuster. "Dat gaat", zei ze. "Het is maar wat je ervan verwacht. Op zijn goede dagen zit hij bij de zusterpost en kijkt wie er langs lopen. Net of hij verwacht een bekende tegen te komen.
Maar zijn wereldje is wel heel klein geworden, hij wil zelfs niet naar buiten. Soms blijft hij hele dagen in bed liggen. We krijgen hem er dan bijna niet uit. En het ontbreekt ons aan tijd om genoeg aandacht aan hem te besteden. Want het lukt je vaak wel als je een tijdje met hem praat, maar het is bij ons vaak hollen en vliegen. Eén keer in de week gaat hij onder de douche, dat vindt hij wel plezierig. Eén keer, als we er tenminste aan toe komen...
Eigenlijk heeft hij geen perspektief meer, want wat hebben we hem nou te bieden? En bezoek krijgt hij ook nooit. Iedere dag is dus hetzelfde voor hem. Het is geen wonder dat hij dan maar in bed blijft liggen.
Jammer, want het is toch zo'n lieve man!"
Ik moet opeens denken aan de man bij het badwater van Siloam. "Here, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen". Acht-en-dertig jaar verlamd, en er was niemand meer die naar hem omkeek.
Het schiet me ook door het hoofd wat een bekend nederlander zei nadat zijn moeder in een verpleeghuis was opgenomen.
Ze sliep met een paar dames op één kamer, had nauwelijks privacy en werd vaak pas na 10 uur uit bed gehaald. En dat terwijl ze haar leven lang om 6 uur opstond. "Maar hier heeft moeder toch helemaal niet om gevráágd?"
Die moeder had er niet om gevraagd. Adriaan had er ook niet om gevraagd.
Beiden hebben ze hun leven lang hard gewerkt. Nu ze niet meer voor zichzelf kunnen zorgen, komt de zorg voor hen op te weinig schouders terecht. De kwaliteit van de samenleving kan worden afgelezen aan de zorg die men heeft voor deze zwaksten in de samenleving.
"Wat gij voor deze minsten hebt gedaan, hebt gij voor Mij gedaan" zegt Jezus.