Schapen uit een andere stal

1992-08-14
  • Jaargang 36
  • nummer 17
In mijn vorig artikel heb ik getracht duidelijk te maken, dat in Op. 5 het geslachte Lam Herder werd. Het boek des levens, dat Hem ter hand werd gesteld (v, 7) bleek te maken te hebben met zijn herderschap over Gods kudde, het nieuwe Israël. En zijn recht op dat boek ontleende Hij aan het feit, dat Hij zich als een lam had laten slachten: "U bent gekwalificeerd het boek te nemen en er de zegels van te openen, want U hebt zich laten slachten" (v. 9).

De Openbaring aan Johannes en zijn evangelie
Nu vinden we diezelfde gedachte ook verwoord in het tiende hoofdstuk van Johannes' evangelie. "Ik geef mijn leven prijs voor de schapen", zegt Jezus (v. 15). En juist "daarom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven prijs geef" (v. 17). Juist daarom "ben Ik de rechte herder" (v. 11). En daarmee zijn we een treffende overeenkomst op het spoor tussen de Openbaring aan Johannes en diens evangelie. Een overeenkomst in thema, die zich ook elders manifesteert.
Zo wordt in dit vierde evangelie - in afwijking van de andere drie- Jezus ons al meteen bij het begin van zijn openbare optreden door Johannes den Doper aangediend als "het Lam Gods" (1, 29 en 36).' En als Johannes Jezus' kruisdood verhaalt, laat hij niet na te getuigen, dat de soldaten "zijn benen niet braken" (19,33). "opdat het Schriftwoord zou vervuld worden" dat t.a.v. het paaslam de eis stelt (Ex. 12, 46; Num. 9,12): "geen been zult gij ervan breken" (v. 36).
Niet alleen boven de Openbaring aan Johannes, maar ook boven zijn evangelie zouden we als opschrift kunnen zetten: het Lam dat Herder wordt." In verband daarmee zou ik op één punt van Christus' herderschap nog nader willen ingaan.
Daareven haalde ik woorden aan uit de verzen 15 en 17 van Joh. 10. Ingeklemd nu tussen die woorden ("Ik geef mijn leven prijs voor de schapen" en "Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven prijsgeef, om het dan terug te nemen") vinden we deze uitspraak van Jezus: "Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder". Wie zijn die andere schapen? En wat is die andere stal die hen blijkbaar herbergt?

Dood, opstanding, oordeel
We zullen er goed aan doen bij de verklaring van deze woorden rekening te houden met de plaats waar ze staan. Nu spreekt de naaste context ervan, dat Christus zijn leven prijsgeeft voor zijn schapen om het daarna terug te nemen.
Let men louter op Christus' sterven, dan krijgt vooral het verzoenend karakter van zijn dood de aandacht Maar zodra men aan zijn dood zijn opstanding verbindt - en dat gebeurt hier! - komt nog een ander aspect van zijn de-dood-ingaan naar voren, nl.
zijn overwinning op de dood, die tot gevolg heeft: zijn macht 1) ook andere doden te doen opstaan en 2) alsdan over hen gericht te houden. Op deze laatste beide facetten vestigt b.V. de apostel Paulus de aandacht, resp. in Rom. 14, 9 "Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij én over doden én over levenden heerschappij voeren zou" en in Hand. 17,31 "omdat God een dag heeft bepaald waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, dien Hij aangewezen heeft, waarvan (d.i. van welke aanstelling) Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken". (Vgl. ook Petrus in Hand. 10, 40-42.)3 En wat het Johannes-evangelie betreft: al in hoofdstuk 5, na de genezing van een man die al achtendertig jaar ziek is geweest, kondigt Jezus aan, dat ze nog sterkere staaltjes van zijn macht, Hem door God verleend, te zien zullen krijgen, zodat ze perplex staan (v. 20): "Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven wie Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan den Zoon gegeven".
(vv. 21.22)

"Vooraf hun hoop op Christus gevestigd"
Als Jezus hier in Joh. 10, 16 dan ook in verband met zijn opstanding, d.i. in verband met zijn overwinning op de dood en met zijn macht over de dood en de doden, spreekt van "schapen uit een andere stal", dan denk ik, dat Hij hier de gestorven gelovigen bedoelt, "schapen die de Dood weidt" (Ps. 49, 15); dat Hij de oudtestamentische vrÓ"
men op het oog heeft, die "vroeger reeds hun hoop op Christus hadden gevestigd" (Ef. 1, 12), maar die "de dag van Christus" (Joh. 8, 56) "slechts van verre hebben aanschouwd; die in het geloof zijn gestorven zonder het beloofde te hebben gekregen" (Hebr. 11,13). Pas samen met ons die lééfden, toen Christus kwam, zullen deze doden tot de volmaaktheid komen; nièt al eerder zónder ons (Hebr. 11, 40). Want levend of dood, de gelovigen hebben één Herder. En daarom zal deze hen samenbrengen in één kudde. Ik denk dan ook, dat niet toevallig op dit tiende hoofdstuk van het Johannesevangelie de opwekking van Lazarus volgt, (hfdst. 11). waarin Jezus een voorproefje geeft van zijn macht 'schapen' terug te halen uit de 'stal van de Dood'.

Het levensboek opnieuw geopend
Deze uitleg, waartoe ik al heel lang geleden was gekomen, leek mij nu een bevestiging te vinden in wat in mijn vorige artikel aan het licht kwam over 'het boek des levens'. In dit boek, dat in Op. 6 door het Lam geopend wordt, stonden nl., zo bleek ons, de schapen geregistreerd die het Lam, in zijn functie van herder, naar de hun toegewezen weidegrond moest leiden. In hoofdstuk 7 nu haalde deze Herder zijn dan levende schapen weg uit de zone van het gericht (uit het 'Egypte' waar hun Heer - en Herder!- was gekruisigd) om hen te weiden en te voeren naar bronnen van levende wateren.
Maar wat zien we nu gebeuren? In hoofdstuk 20 wordt dat 'boek des levens' nog eens weer geopend, en wel als Christus de doden weer levend laat worden en over hen gericht houdt (vv. 11-15). En ons wordt nu duidelijk, waarom. De Herder had nl. in hoofdstuk 7 nog maar de halve kudde gekregen. De andere helft bevindt zich nog in de stal van de Dood. Die gaat Hij nû ophalen en met de eerste helft samenvoegen.
Maar juist omdat Hij nu de poort van de dood met zijn sleutel (zie 1, 18!) heeft geopend 4, moet de Herder uit zijn 'levensboek' aflezen, welke schapen uit deze ándere stal, de stal van de Dood, tot zijn kudde behoren.

Noten
1 Er is hier weliswaar een ander woord ('amnos') gebruikt, dat we - behalve in Hand. 8, 32 in een citaat uit Jes. 53, 7 - ook nog tegenkomen in 1 Petr. 1, 19. Het in Openbaring gebezigde woord ('arnion') - het komt er meer dan vijfentwintig maal in voor! - vinden we verder in het NT alleen nog in het aangehechte 21ste hoofdstuk van het Johannesevangelie (v. 15). In de Griekse vertaling van het OT, de z.g. Septuaginta, daarentegen komt 'am nos' veel vaker voor dan 'arnion'. Het laatste o.a, in Jer. 11, 19.

2 Ook in het in de vorige noot genoemde slothoofdstuk van het evangelie treedt Christus op als Herder, en wel als een Opperherder, die zijn taken delegeert (vv. 15-17).

3 Zie verder mijn artikel 'Opstanding en gericht (Joh. 12,31)' in Opbouw, 7de jrg., blz. 84.

4 Terloops maak ik even attent op een minder correcte weergave van v. 13. Aan het slot van v, 12 is gezegd: "en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken". Aan het slot van v. 13 wordt dit herhaald: "en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken". Die herhaling wijst erop, dat aan het begin van v. 13 de vermelding is ingevoegd van een gebeurtenis die al eerder had plaats gevonden. (We hebben hier dan te maken met een z.g. 'flash-back', zoals b.v. ook in MI. 14, 3-12.) In zo'n geval doen we er goed aan een voltooid verleden tijd te gebruiken. We krijgen dan: " ... en de doden werden berecht op grond van wat in de boeken stond opgetekend, naar wat ze gedaan hadden (12). De zee had nl. de doden die ze borg, uitgeleverd; ook de dood en de onderwereld hadden de doden die zij borgen, uitgeleverd. Nu, dié doden werden berecht naar wat ze gedaan hadden (13)".
De doden blijken hier verspreid te zijn over drie 'plaatsen'. Wat we ons bij 'zee' en 'onderwereld' moeten denken, is duidelijk. Maar wat moet naast die twee de 'Dood' als aparte figuur die doden herbergt? Ik vermoed, dat we hier moeten denken aan mensen die wel gestorven zijn, maar niet - hetzij op de zeebodem, hetzij in de aardbodem - een graf hebben gevonden. Aan mensen die - zoals de bijbel dit oneervolle einde noemt - "als mest op het veld" zijn blijven liggen (2 Kon. 9, 37; vgl. Jer. 8, 2; 9, 22; 16,4; 25, 33). Of ook aan mensen die zijn verbrand (2 Kon. 23, 16.20).
Deze 'spreiding' van de doden maakt het begrijpelijk, dat Joh. 11, 52 - een tekst die over dezelfde zaak handelt als 10, 16- spreekt van "de verstrooide kinderen Gods".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief