De voorrang van het geloof op de rechtvaardigheid

1992-08-28
  • Jaargang 36
  • nummer 18
Onlangs kwam ik in het kader van mijn werk voor deze vraag te staan: Met welk woord zijn de ware kinderen van God in deze wereld nu het best getypeerd? Met het woord 'rechtvaardigen' of met het woord 'gelovigen '? Met beide woorden evengoed, zult u misschien zeggen, en ik zou dat zeker geen fout antwoord durven te noemen, zeker niet voor wat het gewone, argeloze spraakgebruik betreft. Maar dan blijf ik toch vragen of er nog een verschil in deze woorden zit of dat we ze zonder meer door elkaar heen kunnen gebruiken. Is er tussen de twee toch niet misschien een rangorde die hun volgorde bepaalt? De kwestie is minder theoretisch dan ze lijkt. Het in onze dagen zo onvermijdelijke gesprek tussen de religies heeft ermee te maken. Het jodendom, de islam, de hindoe-religie, ze zijn immers allemaal onder ons. Het aangesneden vraagstuk raakt met name het contact tussen joden en christenen, tussen welke godsdiensten het gesprek nog het drukst gevoerd wordt. Ik denk nu dat de synagoge de voorkeur geeft aan de typering 'rechtvaardige', terwijl de kerk eerder kiest voor 'gelovige'. Maar ik zie verder ook nog een verband met de secularisatie of de ontkerkelijking van onze tijd. In deze zin dat degene die vandaag de kerk verlaat geneigd is het woord 'rechtvaardige' mee te nemen en het woord 'gelovige' achter te laten.
Rechtvaardig zijn, zo hoor je zeggen, dat zet tenminste zoden aan de dijk. Gelovig zijn, nu ja, dat wil zeggen dat je er opinies op na houdt. En dat is zo vrijblijvend. Als het erom gaat de wereld te verbeteren dan heb je veel meer aan rechtvaardigheid dan aan geloof. Gerechtigheid wijst op daden, geloof heeft met woorden en gedachten te maken. Zo voorgesteld lijkt de keus inderdaad niet moeilijk. Onze tijd immers heeft woorden genoeg gehoord en gedachten genoeg te verwerken gekregen. Laat het nu eindelijk eens tot daden komen.

Noach
Onze tijd. Wij leven in een tijd van geweldige krisis. Echt wel een eindtijd (want daar zijn er meer van dan één).
Ook de Here Jezus heeft zijn tijd als een eindtijd beleefd en Hij associeerde zijn dagen met die welke aan de zondvloed voorafgingen. Vooruit kijkend zei Hij: ..Het zal zijn als in de dagen van Noach..... (Lukas 17: 22 e.v.) en Hij dacht daarbij voor wat de toekomst betreft aan wat met het joodse bestel waarin Hij zich bewoog ging gebeuren en tegelijk aan het naderende einde van de wereld. Want in de verschillende eindtijden van de geschiedenis kondigt het definitieve einde zich aan. Dat geldt ook voor nu. Na de eindtijd van onze Europese kultuur (die we nabij kunnen vermoeden) kan het ergens elders in de wereld nog wel weer verder gaan. Wie zal het zeggen? ..Het zal zijn als in de dagen van Noach", zei Jezus dus.
Maar over Noach gesproken. die wordt nu juist in de Schrift heel duidelijk als een 'rechtvaardige' afgeschilderd.
..Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispetijk man", staat er geschreven (Genesis 6 : 9). En dat is niet het enige getuigenis. Ook Petrus noemt Noach 'een prediker der gerechtigheid' (11 Petrus 2 : 5). En de profeet Ezechiël, die ook al in een eindtijd leefde, die van de Babylonische ballingschap, komt eveneens bij Noach terecht en noemt hem samen met Job en Daniël (waarschijnlijk niet de Daniël van de bijbel, maar een oudvader uit de Kanaänitische kultuur) een rechtvaardige (Ezechiël 14 : 12-23). Tenslotte noem ik nog de apokriefe spreuken van Jezus Sirach waarin we lezen: ..Noach de rechtvaardige werd onberispelijk bevonden" (44:17).

Crisis
Zijn dit geen voldoende aanwijzingen om de Schrift in deze spreekwijze te volgen? En het dus maar op de rechtvaardigheid te houden als het enige dat er toe doet? Blijkt hier niet dat de rechtvaardigheid de door de bijbel zelf aanbevolen houding is om de krisis waarin wij vandaag verkeren het hoofd te bieden en die zelfs te doorstaan?
Heeft daarom het jodendom met zijn voorkeur voor de rechtvaardigheid boven het geloof geen gelijk? Zoals ook de kerkverlaters, die het woord rechtvaardigheid zo hartstochtelijk kunnen koesteren en zich tegen het woord geloof zo gemelijk kunnen afzetten? (Is er daarom onder veel geseculariseerden niet meer waardering voor de synagoge dan voor de kerk?) We komen dus juist door op onze tijd te letten met de opgeworpen vraag van het begin in de krisis. Het is uit het voorgaande al wel duidelijk geworden in welke richting ik mijn vraag ga beantwoorden, maar kan ik in het licht van het bovenstaande mijn weg naar dat antwoord wel vervolgen? Laten we eens zien.

Geloof als rechtvaardigheid?
Wat mij in de joodse uitleg van de Schriften vaak opvalt is dat alle geloof als rechtvaardigheid, als gehoorzaamheid aan de geboden wordt geduid.
Het bekendste voorbeeld is de tekst van Genesis 15 : 6: ..En hij (Abraham) geloofde in de HERE en Hij rekende het hem tot gerechtigheid". In de joodse verklaring wordt Abrahams geloof ondergebracht onder de rechtvaardigheid.
Abrahams geloof is een samenvatting van zijn gehoorzaamheid aan Gods geboden. Terwijl het in de Schrift zelf het passend reageren is op Gods heilswoord en heilsplan: Abraham geeft zich vol vertrouwen daaraan over. Hetzelfde valt op bij de behandeling door het rabbijnse jodendom van het bekende woord in Habakuk 2 : 4: ..De rechtvaardige zal door zijn geloof leven". Ook hier wordt in de joodse uitleg het geloof door de gerechtigheid bepaald en vanuit de rechtvaardigheid ingevuld. Terwijl het bij de profeet zelf alles te maken heeft met de houding die wij mensen dienen aan te nemen tegenover het heilshandelen van God, ook als dat handelen een oordeelskant heeft: gaan we daar gehoorzaam in mee of verzetten we ons daar opstandig tegen? Nu geen misverstanden, ook ik ben van mening dat geloof alles met rechtvaardigheid te maken heeft. Maar, zo wil ik beweren, het is daar geen ander woord voor. Ik ben dan van mening dat in die joodse verklaringen aan het eigen karakter van het geloof geen recht wordt gedaan.
Het eigene Wat is dan dat eigene van het geloof?
Wel, het typische van geloven is dat het meer bezig is met Gods daden dan met het eigen handelen. De gelovige kijkt van zichzelf af naar HEM. En het geloof geeft ons aansluiting op het heilshandelen van God in deze wereld.
AI gelovend wordt de gelovige een meedenker met wat God bezig is te doen. Dat komt nog het sterkst tot uitdrukking in het gebed: Uw koninkrijk kome! Dit nu brengt mee dat een heel sterk besef van de tijd waarin hij leeft voor de gelovige kenmerkend is, een uiterste gevoeligheid voor het gebeuren in deze wereld. De gelovige zoekt in het gedruis daarvan naar het geluid van de naderende voetstappen van zijn Heer. En het is nu in het kader van dat tijdsbesef dat voor hem de gehoorzaamheid aan de geboden, dus zeg maar de rechtvaardigheid, komt te staan. Geloof is zo het hoofdbegrip en rechtvaardigheid is daarvan een afgeleide. Gerechtigheid wordt tot een vis in het water van het geloof.



Jezus en Paulus
In zijn afscheidsgesprekken zegt Jezus tegen zijn volgelingen: ..Gij zijt mijn vrienden indien gij doet wat Ik u gebied. Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet. Maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik alles wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt" (Johannes 15 : 14 en 15). Dit lijkt mij een zeer relevant woord in het verband van ons onderwerp. Hier wordt immers de rechtvaardigheid (doen wat Hij ons gebiedt) ingekaderd in de geloofsverhouding waarvoor het ingewijd zijn in het heilsplan van God zo kenmerkend is. Haal je de rechtvaardigheid uit dat kader weg dan leidt dat tot slavernij, tot een onpersoonlijke gehoorzaamheid, meer aan een iets (het gebod) dan aan een Iemand (God). Bij de apostel Paulus vind je hetzelfde. Nadat hij de gemeente de geboden van God aan het hart gelegd heeft, een korte versie van de bekende 'Tien', schrijft hij: "Gij verstaat immers de tijd wel dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij dan toen wij tot het geloof gekomen zijn. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij.
Laten we dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts" (Romeinen 13: 8-14).
Hier worden aan de vorderingen van het heilsplan argumenten ontleend om rechtvaardig te zijn. Dat is een typisch evangelisch of geloofsmatig hanteren van de wet.

Tijdloosheid
Daartegenover krijg ik bij de joodse uitleg van de bijbel vaak de indruk dat er een waas van tijdloosheid over de teksten komt te liggen. Het beeld rijst voor mij op van een aandachtig heengebogen staan over de geboden met weinig besef van hoe laat het op de wereldklok is. De hele gedachte trouwens van een heilsplan dat God in deze wereld volvoert lijkt aan het jodendom vreemd. Niet hetzelfde maar toch vergelijkbaar hiermee is de houding van velen in onze tijd die in godsdienstig opzicht het driftige beweeg van de geschiedenis beu zijn, zich daarom van het gebeuren afkeren en zich beperken tot ieder het zijne te geven. Ze komen daarom niet meer naar de kerk om uit het Woord te horen hoe ver het met Gods heilsplan staat. Daarvoor bestaat geen belangstelling meer. Wel, voor mijn gevoel zit daar iets slaafs in, naar de typering van Jezus zelf: niet weten wat je heer doet. Terwijl we van zijnentwege toch ingewijden zijn. Meedenkers met God, medearbeiders, vooral in het gebed.
De tijdloosheid die ik in het joodsreligieuze meen op te merken valt trouwens niet alleen bij de synagoge op. Ze manifesteert zich ook heel markant in de Oosterse liturgieën van de Grieks Katholieken, die misschien daarom ook wel zo'n aantrekkingskracht beginnen te krijgen op veel kerkjeugd.

Nog eens Noach
Voor mij is geloof toch het eerste en de rechtvaardigheid is daaraan ondergeschikt.
Maar de rechtvaardige Noach dan die ik als kroongetuige voor het andere standpunt opriep? Ik denk dat voor hem hetzelfde geldt. Want wat vindt u? Als iemand in Noachs dagen rond gegaan was en de mensen gevraagd had of ze wel eens van Noach gehoord hadden, wat zou hij ten antwoord gekregen hebben? ,,0, die man die ieder zo voorbeeldig het zijne geeft"? Of: "U bedoelt toch niet die halve gare die bezig is dat schip op het droge te bouwen"? Ik houd het op het laatste. Noach is door het bouwen van de ark het meest opgevallen bij zijn tijdgenoten. Dat typeerde hem nog het duidelijkst. Maar precies dat bouwen was een uitvloeisel van zijn geloof. Zoals de Schrift zegt: "Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin ..." (Hebreeën 11 : 7). Daarmee stelt de Brief aan de Hebreeën het geloof van Noach voorop. Is hij dan die zo nadrukkelijk betuigde rechtvaardigheid van Noach vergeten? Nee, want heel kenmerkend (en alsof er met zoveel woorden stelling genomen wordt in het vraagpunt dat we in dit artikel hebben opgeworpen!) staat er vervolgens dat Noach door zijn geloof een erfgenaam geworden is van de gerechtigheid die aan het geloof beantwoordde. Inderdaad is het geloof hier het hoofdbegrip en leunt de rechtvaardigheid daartegenaan. God schonk Noach die gerechtigheid als genadeloon op zijn uiterst gevoelig en gehoorzaam reageren op wat hem over Gods plannen was geopenbaard. Zijn gerechtigheid was vrucht van zijn geloof. Zoals we dat van Paulus en Luther al wisten, maar hier komt het in een enigszins ander verband ter sprake.

De juiste volgorde
Je krijgt inderdaad de indruk dat de Brief aan de Hebreeën met zijn passage over Noach even de puntjes op de i zet en een rechtzettend commentaar geeft op wat ook toen al gangbare opvatting begon te worden dat namelijk van Noach niets anders te zeggen viel dan dat hij een rechtvaardige was en slechts in die zin voorbeeld ter navolging. Nee, zo wordt gepreciseerd, Noach was stellig een rechtvaardige, daar gaat niets van af. Maar hij was het als gelovige, als iemand die met de Heilige in gesprek was over de tijd waarin hij leefde en over het plan dat God ging uitvoeren en die aan dat gesprek ook konsekwenties verbond.
Die gevoeligheid voor het gebeuren en voor het wereldverloop was Noach trouwens in zijn opvoeding al meegegeven en ging dus ook in ruimere zin aan zijn ethisch handelen vooraf.
"Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem die de HERE vervloekt heeft", zei zijn vader bij zijn geboorte (Genesis 5 : 29). Dat duidt aan hoezeer er in dat gezin over Gods voetstappen in het gebeuren gesproken is. Hoe het besef daarvan levend was. En in het kader daarvan zal de onberispelijkheid van handel en wandel aan de orde gekomen zijn waardoor Noach door Gods genade de rechtvaardige werd die hij was.

De troost
Ook onze gezinnen en evenzo de kerk moeten plaatsen zijn waar voorop over het heilsplan gesproken wordt.
Eérst over G6ds handelen en dan over het onze. Velen denken vandaag dat de kerk er is om de mensen te leren onberispelijk te leven en ieder het zijne te geven. En het is waar, dat wil de kerk óók. Maar een kerk werkt aan haar eigen leegloop als ze het daarbij laat. Want niet geheel ten onrechte zeggen de mensen dat je daarvoor niet naar de kerk hoeft omdat fatsoen op meer plaatsen te bekomen is. Dat is zo. Nog wel. Pas dit echter is de volle verkondiging van de kerk: "Richt uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt! En dáárom: gij zult niet...en gij zult wel..." Met deze volle prediking troost de kerk in de boze wereld en moeilijke tijd waarin wij leven. Met de troost die we nodig hebben om het vol te houden, ook met de rechtvaardigheid.
En dit lijkt me dan ook de grauwheid in het bestaan van de kerkverlaters uit te maken: ze missen die troost. Idealisme genoeg maar waar is de vertroosting? Ik denk daarom dat de voorrang van het geloof op de rechtvaardigheid voor ons onopgeefbaar is. Om onzes levens wil. Misschien reik ik met dit artikel iets aan voor de straks weer beginnende bijbel- of gesprekskringen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief