Jagen en kamperen met de belijdenis in je hart

2007-10-12
  • Jaargang 51
  • nummer 20
Tussen de zwaargevulde rubrieken Geestelijk leven, Kerkelijk leven, Gezinsleven en Opvoeding duikt in de inhoudsopgave van de eerste jaargang van Opbouw ineens het kopje Sport en kamperen op. Kom daar in 2007 eens om! Overigens, een sportrubriek met déze inhoud zou nu helemaal niet meer kunnen. De Partij voor de Dieren zou steigeren. De zeven sportartikelen gaan namelijk allemaal over de jacht. Ze zijn geschreven in briefvorm door een enthousiaste jager die zich naar de beschermheilige van de jacht Hubertus noemt. Het blijken verslagen van spannende jachtpartijen. Zo vertelt hij vol trots over zijn allereerste vossenjacht: Op dat ogenblik huppelden twee halfwasvosje het vak uit, recht de brandgang over, richting vak 27. Ik zag mijn kansen, nam de naastbijlopende op de korrel, zwaaide mee tot de grens van het perceel hout en drukte rustig af. Ik zag hem een luchtsprong maken en ter plaatse blijven liggen, zag de andere met één sprong verdwijnen, zag dat nummer 1 nog steeds op de plaats rust lag, rook de scherpe kruitlucht, zette het geweer af en kneep mezelf eens goed in de arm.

Hij maakt je deelgenoot van zijn mislukte kansen: Tijdens het heffen merkte ik dat de maan glanzen toverde op de loop en de grendel. Ik voelde dat dit te veel zou zijn voor onze keiler – volwassen mannetjes wild zwijn – wiens slagtanden ik al aan de muur zag hangen. Nog voor ik de kolf tegen mijn schouder voelde, zag ik hem afspringen, een-, tweemaal. Nog stond hij stil in de struiken, snoof diep de lucht in en gaf een rauwe grom weg. Ik liet mijn geweer maar zakken. Onhoorbaar verdween de keiler.

Een wilde kat of weggelopen hond blijkt ook niet te versmaden Elke jager mag elke verwilderde kat in zijn jachtterrein zonder pardon doodschieten; en als zijn jonge fazanten, konijnen en patrijzen en ander wild hem lief zijn, zal hij het wel moeten doen ook. Ongeacht de bijkomstigheid dat een tamme kat er in het veld precies zo als een verwilderde kat uitziet! Je weet hoe we elk voorjaar onze wildstand moeten beschermen tegen een half dozijn honden die de reekalveren verscheuren. Hun moorddadige spelletje gaat door, ten koste van edel wild. Tenzij…

En het kamperen? Al in de tweede zin worden jongens en meisjes aangesproken, het zal dus wel als jeugdrubriek bedoeld zijn. In vijf vervolgartikelen wordt een soort cursus kamperen gegeven. Wel in een duidelijk andere tijd: Wanneer onze kampeerder de deur achter zich dichttrekt, verdwijnt hij naar plaatsen waar hij zo min mogelijk andere menselijke wezens ziet en waar hij zo veel mogelijk buitenluchtjes ruikt.

Alles heel elementair. Over het grondzeil, de potten en pannen die je nodig hebt en het gebruik van de primus: Heus jongens, als je de jus niet bruin kunt krijgen is er wel een meisje die je vertellen kan hoe het moet. En meisjes, wanneer je vergeten bent het ventiel van de primus dicht te draaien, dan is er altijd wel een jongen – want daar zijn mannen bij nodig – die je met een glimlach – wat natuurlijk niet mag – vertellen zal dat een primusventiel moet worden dichtgedraaid voor het gebruik. Het vierde artikel gaat over reinheid, van buiten: Je ziet ze nog wel, die met shirts en shorts aanlopen waarvan je soep kunt koken voor een weeshuis omdat ze het vertikken hun kleren even te verwisselen, voor een frisse met zee- en boslucht geparfumeerde pyama. En dan de reinheid van binnen: De geloofsbelijdenis staat achter in je kerkboekje en mogelijk weet je er al bar veel van. Maar het moet zo worden dat als je de geloofsbelijdenis leest, je weet dat je van binnen zo denkt. Als je dàn gaat kamperen dan wil je zelf als christen leven. Op je waslijstje staan dan ook het bijbeltje en het psalmboekje.

Jan Lakerveld is neerlandicus, lid van de NGK te Emmeloord en redacteur van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief