Het karakter van de wet in de nieuwtestamentische bedeling
1992-08-28
Blikopener- Jaargang 36
- nummer 18
De Decaloog (of, zoals de naam gewoonlijk luidt: de Tien Geboden) is het verbondsstatuut waarin het verbond tussen de HERE en Israël werd vastgelegd. Allerlei recent archeologisch onderzoek heeft laten zien, dat er in de vormgeving formele overeenkomsten bestaan tussen de Decaloog en verdragen tussen een machtige koning en zijn vazallen.
Nu is het niet zo, dat de Decaloog pas op grond van deze archeologische onderzoekingen als een verbondsverdrag gezien moet worden. Die onderzoekingen onderstrepen alleen maar wat we uit de Schrift zelf al hadden kunnen weten. De Schrift zelf laat namelijk met ondubbelzinnige duidelijkheid zien, dat we in de Decaloog met een verbondsverdrag te maken hebben.
Dat we daar in het verleden nauwelijks of geen oog voor hadden, laat zien hoe gangbare meningen het lezen van wat er staat kunnen belemmeren. De veel voorkomende gedachte dat de Decaloog een algemeen geldige zedenwet is, een soort natuurwet, heeft het zicht op wat de Schrift zelf zegt verduisterd.
Het archeologische onderzoek heeft gewerkt als een blikopener. Als je eenmaal oog gekregen hebt voor dat verbondskarakter, kom je het zo duidelijk in de Schrift tegen, dat je je verbaasd afvraagt hoe je daar ooit overheen kon lezen.
Geen wet maar een verbond
We hebben nog steeds de neiging wat er op de Sinaï gebeurde te zien als de afkondiging, de publicatie van een wet.
Tegenwoordig wordt een wet niet vanaf een berg afgekondigd maar gepubliceerd in de Staatscourant. Daarmee treedt die wet dan in werking. Wij denken bijna automatisch dat er bij de Sinaï iets dergelijks gebeurde.
Toch hebben we dan een scheef beeld en een verkeerde kijk op wat daar gebeurde.
Dat komt dan helemaal in een verkeerd daglicht te staan. Er gebeurt namelijk iets veel ingrijpenders dan dat er een wet wordt gepubliceerd. Er wordt een verbond gesloten tussen Jahwe en Israël. En een verbond wordt niet getypeerd en gedragen door een wet zoals wij die in onze samenleving kennen, maar door een overeenkomst, een statuut. Wie die overeenkomst niet naleeft, overtreedt daarmee niet maar een wet maar verbreekt een verbond.
Hij lapt dat verbond aan zijn laars. Dat is veel en veel ingrijpender. Als ik een snelheidsbeperking overtreed, door een rood stoplicht rijd of belasting ontduik, overtreed ik een wetsbepaling. Als ik daarop betrapt word, moet ik een boete betalen. Maar de agent die de bekeuring uitschrijft of de rechter die mij een boete oplegt, is door mijn overtreding niet persoonlijk geraakt. Ik kan bij wijze van spreken onmiddellijk daarna met die agent of rechter heel plezierig en gezellig ergens een kop koffie drinken of een etentje hebben. Mijn wetsovertreding hoeft geen enkele invloed te hebben op mijn persoonlijke verhouding tot hen, want die was niet tegen hen persoonlijk gericht. Bij een verbond ligt dat anders. Er bestaat een verbond tussen mij en mijn vrouw, waarbij we elkaar onder andere wederzijdse trouw beloofd hebben.
Wanneer ik nu een verhouding aanga met een andere vrouw, heb ik niet maar een of andere bepaling overtreden maar dat verbond verbroken, mijn verbondspartner zelf geschaad en kwaad aangedaan en daarmee de verhouding met haar geschonden. Wie een verbond niet nakomt, doet daarmee tekort aan de verbondspartner.
Ingrijpender
Dat geldt ook van het verbond met Jahwe. Hij kondigde geen wet af maar een verbond. Overtreding van de verbondsbepalingen is dan ook veel meer dan wetsovertreding. Het is veel ingrijpender dan het negeren van een wet.
Het is niets minder dan negatie van Jahwe zelf. Zonde is ongelooflijk veel meer dan een misstap in formele, juridische zin.
Zonde is een klap in Gods gezicht. De gemeenschap met Hem wordt erdoor opgebroken. Wie zondigt, dat wil zeggen: Gods verbond schendt en Hem als verbondspartner negeert, kan daarna niet net doen alsof er niets aan de hand is en kan niet alsof er geen vuiltje aan de lucht is bij Hem aan tafel schuiven. Wanneer zonde niet meer was dan een wetsovertreding, zou dat best mogelijk zijn. Dan zou je bij wijze van spreken je portefeuille kunnen trekken en zeggen: ik betaal mijn boete wel. Wat ik deed was niet tegen U persoonlijk gericht. Even goede vrienden. Laten we gezellig ergens gaan eten.
Dat zou kunnen als de HERE op de Sinaï alleen maar een wet had afgekondigd.
Dan zou de zonde nog wel wat meevallen. Maar het is anders. De Decaloog is geen wet maar een verbondsstatuut.
De HERE heeft met zijn volk een verbond gesloten. Dat is veel rijker maar ook veel ingrijpender. Want nu heeft dat alles te maken met de persoonlijke verhouding tot Hem.
Schriftgegevens
Zoals gezegd is dat in de Schrift zelf te vinden. Wat die Schriftgegevens betreft wil ik op de volgende wijzen: in Ex.
34:28 is sprake van de twee tafelen die door God beschreven worden. Daarop stonden, zegt de tekst, de woorden van het verbond, de tien woorden. (Op elk van beide tafelen de complete tekst.) Hier wordt in alle duidelijkheid gezegd: de Decaloog is een verbondsstatuut. Zoals bekend moesten deze tafelen gedeponeerd worden in de ark.
Daarom wordt de ark meer dan eens getypeerd als de ark van het verbond (Num. 10:33; 14:44; Deut. 10:8). In het verslag van de inwijding van de tempel van Salomo in 1 Kon. 8 wordt verteld, dat de priesters de ark van het verbond des HEREN naar haar plaats brachten (vs. 6). En, zegt vs. 9 dan, er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen die Mozes op de Horeb erin had gelegd, dè tafelen van het verbond dat de HERE met Israël gesloten had. Vers 21 zegt het nog compacter en spreekt van de ark waarin het verbond des HEREN berust, dat Hij met onze vaderen gesloten heeft toen Hij hen uit het land Egypte had geleid. Er valt nog een hele reeks teksten uit Deuteronomium te noemen om dit te staven (4:13,23,31; 5:2,3; 9:9,11,15; 29:1,9,12,14,21).AI deze Schriftplaatsen maken genoegzaam duidelijk dat de twee stenen tafelen de tafelen van het verbond zijn. Ze kunnen zelfs kortweg getypeerd worden als: het verbond. De teksten uit 1 Kon. 8 maken bovendien duidelijk, dat de Decaloog het verbondsstatuut met Israël is en niet met één of meer andere volken. Deze verbondsbepalingen gelden uitsluitend voor Israël. Volgens de Schrift is de Decaloog niet een algemene zedewet voor alle tijden en volken, maar het verbond dat God sloot met Israël bij de Sinaï.
Verbondskader
Een volgend belangrijk gegeven is, dat dit niet alleen voor de Decaloog geldt maar voor heel de wetgeving aan Israël.
Die staat in haar geheel in een verbondskader. Ook dat maakt de Schrift zelf duidelijk.
In Ex. 24 waar verteld wordt over de verbondssluiting bij de Sinaï, lezen we dat Mozes het boek van het verbond nam en het las voor de oren van het volk (vs. 7). Mozes leest het boek van het verbond, niet: de tafelen van het verbond. Met andere woorden: wat Mozes voorleest, is omvangrijker dan de Decaloog en bevat heel wat meer voorschriften. Toch worden ook die als verbond bestempeld. Datzelfde vinden we aan het slot van het boek Deuteronomium, waar alle in dit boek gebundelde wetten getypeerd worden als het verbond dat de HERE Mozes geboden heeft met Israël te sluiten in het land Moab. Niet alleen de Decaloog maar heel de wetgeving wordt door de Schrift getypeerd als verbond (zie Deut. 29:1,9,12,14,21).
Eens te meer wordt dat bevestigd in 1 Kon. 22 en 23. Daar lezen we dat bij de restauratie van de tempel tijdens de regering van Josia een wetboek gevonden wordt. Nadat Josia kennis genomen heeft van de inhoud van dit wetboek, roept hij het volk bijeen bij de tempel in Jeruzalem. En toen las hij hun voor al de woorden van het boek des verbonds dat in het huis des HEREN gevonden was (23:2). En het volk beloofde de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven waren, gestand te zullen doen (23:3). Ook in 23:21 komen we de uitdrukking 'boek des verbonds' nog eens tegen. De conclusie kan niet anders zijn dan dat heel de wetgeving een verbondskarakter draagt.
Wat de verhouding tussen de Decaloog en de overige wetten betreft kan gezegd worden, dat de Decaloog de kern, het hart, van het verbond vormt en dat de overige wetten de verdere uitwerking ervan zijn. Zij zijn de kleine lettertjes die bij het verbondsverdrag horen, de bijlagen waarin het concreet wordt uitgewerkt.
Relatie
Heel de oudtestamentische wetgeving geeft dus gestalte aan de verbondsrelatie tussen de HERE en zijn volk Israël.
Dat is van wezenlijk belang voor een juiste taxatie en een goed functioneren van Gods wet in het leven van zijn volk.
Die wetten zijn er met het oog op de relatie met Hem.
Ook dat laat de Schrift zelf duidelijk uitkomen. Om dat te illustreren verwijs ik hier naar twee Schriftplaatsen. AI die inzettingen en verordeningen zijn er, zegt Deut. 6:2, opdat ge de HERE uw God vreest door al zijn inzettingen en verordeningen te onderhouden. En in Deut. 8:11 lezen we: neem u ervoor in acht, dat ge de HERE uw God niet vergeet door zijn geboden te verwaarlozen. Het gaat in het onderhouden van de wet om Jahwe. Wie die geboden verwaarloost. vergeet Hém.
Om dat nog wat te verduidelijken geef ik een voorbeeld. Als een moeder met zware migraine in bed ligt, zegt de vader tot zijn kinderen: jullie moeten rustig zijn, want moeder is ziek. Dat kan hij dan nog nader specificeren: jullie mogen geen ruzie maken, niet schreeuwen, niet met de deuren smijten en niet op de trap bonken. Zolang die kinderen aan hun moeder denken, houden ze zich aan die regels en zeggen ze bij zichzelf: 0 ja, ik moet rustig zijn en geen herrie schoppen, want daar kan zij niet tegen. Maar als ze niet meer aan hun moeder denken en vergeten dat zij boven ziek in bed ligt, vergeten ze ook de regels en beginnen ze zomaar weer te schreeuwen en met de deuren te smijten. En dan zegt die vader niet: je mag geen lawaai maken.
Maar dan zegt hij: denk aan je moeder; vergeet haar niet. Want het gaat om háár.
Daarom zegt Mozes ook: denk erom dat jullie de HERE niet vergeten door zijn geboden te verwaarlozen. Anders gezegd: het vergeten van God leidt tot wetteloosheid. De geschiedenis van Israël laat zien, dat het volk telkens die weg insloeg en de HERE vergat. De profeten spreken in dat verband over het breken en schenden van het verbond (Jes. 24:5; Jer. 11:10; 22:9; 31:32; Ezech. 16:59; 44:7; Hos. 8:1). Heel duidelijk komt dat ook uit in Hos. 6:7. Daar wordt het overtreden van het verbond nader omschreven als: het trouweloos bejegenen van Jahwe.
Wetticisme
Maar we stuiten bij Israël ook nog op een andere ontwikkeling: die naar het wetticisme. Ter verduidelijking daarvan grijp ik nog even terug naar het voorbeeld van die zieke moeder. Er zijn namelijk ook kinderen die zich weliswaar aan de regels van hun vader houden, maar dat doen ze niet omdat ze zo van hun moeder houden en aan haar denken, maar omdat ze bang zijn voor straf. Ze sluipen heel voorzichtig door het huis en houden zich muisstil, niet omdat ze hun moeder het belangrijkst vinden maar omdat ze bang zijn dat hun vader kwaad wordt en dat ze een draai om hun oren krijgen als ze lawaai maken.
Dat is de wetticistische levenshouding ten voeten uit: de wet komt centraal te staan in plaats van God. Dat betekent een miskenning van het verbondskarakter van de wet. De wet wordt zo een middel waardoor je iets bereiken moet, een heilsweg. De wet als verbondsstatuut gaat uit van de relatie met God. De wet als heilsweg wordt een middel waardoor je zelf je behoud en vrede met God moet bewerken. Wanneer de wet zo gehanteerd wordt, krijgt ze het karakter van een godsdienstig systeem dat als een loden last op je gaat drukken. De wet als systeem wordt altijd een zwaar drukkend juk, een keurslijf dat het leven insnoert en afknijpt en de ontplooiing ervan in de weg staat en dat de mensen moe maakt. Van het leven volgens een systeem, van het zeulen met een vracht zware, neerdrukkende geboden kan een mens oneindig moe worden.
Daarom roept Christus hen onder die tot systeem verwrongen wet weg (Matth. 11:25-30). Hij ziet hoe ze voortstrompelen onder dat gewicht van gebod op gebod en regel op regel. Hij ziet hoe ze erdoor belemmerd worden in hun bewegingen en dat er een domper op hun leven ligt. En Hij roept hen naar zich toe en zegt: laat die last toch van je afglijden. Kom naar Mij toe, jullie allemaal die vermoeid en beladen zijn. Neem mijn juk op je. Want mijn juk is zacht en mijn last licht.
Waarom is zijn last licht? Omdat ze niet bestaat in een godsdienstig systeem, maar in het wandelen met Hem in een levende, persoonlijke verhouding. Zolang ik van mijn vrouw houd, kost het me geen moeite me te houden aan de regels van het huwelijksverbond. Maar als ik niet meer van haar houd, worden die regels een dwangbuis. Dan gaan ze knellen en wordt het naleven ervan een moeizame plicht die me steeds zwaarder gaat vallen.
Daarom is de liefde ook de vervulling van de wet (Rom. 13:10).
Thora
Alles goed en wel, zegt iemand, maar in Deut. 27:8 wordt dan toch maar gesproken over de woorden dezer wet.
Betekent dat niet dat die sterke nadruk op het verbondskarakter tot eenzijdigheid leidt en een teqenqstelllnq forceert die de Schrift zelf helemaal niet kent?
Het is waar dat we de Tien Woorden in onze nederlandse bijbelvertalingen ook wel vinden aangeduid als wet. Maar dan moeten we ons wel onmiddellijk realiseren, dat we dan te maken hebben met de weergave van het hebreeuwse woord thora. En dat woord heeft toch een heel andere gevoelswaarde dan ons woord wet. Thora betekent: onderricht, richtlijn, wegwijzer. De thora is geen wetboek van strafrecht maar de aanwijzing hoe je in het verbond met Jahwe behoort te leven. De thora is het onderricht dat je duidelijk maakt op welke wijze je de gemeenschap met Jahwe, die in het verbond naar je toegekomen is, kunt onderhouden. Je zou de thora kunnen vergelijken met verkeersinformatie. Die vertelt de automobilisten hoe ze het beste kunnen rijden, en zegt bijvoorbeeld: ga niet langs weg A en vermijd weg B, want als je die wegen neemt, kom je muurvast te zitten en kun je geen kant meer uit. Zo geeft de thora aanwijzingen voor het verkeer met de HERE en zegt: pas op dat je die kant niet uitgaat. Sla die verleidelijk uitziende weg niet in. Want het zijn doodlopende wegen. Je komt er hopeloos vast te zitten. Maar als je de aanwijzingen van de thora opvolgt, kun je ongestoord blijven rijden. Dan wordt de gemeenschap met Jahwe niet verstoord. Dat is de functie van de 'wet', de thora.
Ze regelt het verbondsverkeer, de gemeenschap met Jahwe. En uiteraard zijn dat geen vrijblijvende aanwijzingen.
Ze komen naar je toe met het gezag van de HERE God. Die kant is er ook. Ze vragen gehoorzaamheid. Maar dan wel ingekaderd in het verbond.
Christus is het einde der wet
Wat we tot nu toe gevonden hebben, kan als volgt worden samengevat: de Decaloog is geen algemene zedewet maar statuut van Gods verbond met Israël. Israëls wetten zijn daarom geen systeem van godsdienstige plichten maar het erin om het leven met de HERE en om de liefde tot Hem.
Welke consequenties heeft dat nu voor ons die in de nieuwe bedeling leven?
Om te beginnen zegt het Nieuwe Testament luid en duidelijk dat Christus het einde der wet is (Rom. 10:4), niet slechts van een deel van de wet (de ceremoniële wetten) maar van de hele wet. Ik ben het wat dit betreft eens met prof.dr. J. Douma, die ergens schrijft: ..Het is b.v. onjuist te stellen, dat Christus wel het einde der wet is voor zover het de ceremoniële geboden en niet voor zover het de morele geboden betreft. Een splitsing van de wet vindt geen grond in de schrift."
Art. 25 van de Ned. Geloofsbelijdenis gaat dus niet ver genoeg. Natuurlijk komen er in de wet, in het totaal van de mozaïsche wetgeving, ceremoniën, schaduwen, voor. Maar met de Schrift in de hand kan ik niet hard maken, dat Christus alleen het einde is van de ceremoniële wetten of van een bepaalde functie van de wet. De hele wet is een tuchtmeester, een pedagoog, geweest tot aan de komst van Christus (Gal. 3:23,24). Nu, in de nieuwe bedeling, lopen we niet meer aan de hand van de pedagoog. Christus is het einde van de wet omdat Hij die wet heeft vervuld (Matth. 5:17).
Hij heeft die wet helemaal nageleefd, volbracht, maar ook tot voltooiing gebracht.
Als ik een bepaalde taak vervuld heb, wil dat niet alleen zeggen dat ik gedaan heb wat ik moest doen, maar ook dat die taak er nu niet meer ligt. Dat is ook zo met betrekking tot de wet. Christus heeft het verbond met God volkomen nageleefd. Daarmee heeft Hij het tegelijkertijd tot voltooiing gebracht, het afgerond. Daarom is het nu uitgediend en vervangen door een nieuw verbond. Als Christus het avondmaal instelt, zegt Hij bij de beker: deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed (Luc. 22:20). Deze woorden bevatten een duidelijke parallel met de woorden van Mozes bij de verbondssluiting op de Sinaï. Bij die gelegenheid sprenkelt Mozes na de voorlezing van het verbondsboek het bloed van stieren op dat boek en op het volk met de woorden: zie, het bloed van het verbond dat de HERE met u sluit. Dat verbond is nu aan zijn eind gekomen, zegt Christus. Het oude Sinaï-verbond is voorbij. Nu begint een nieuw verbond dat niet meer berust in het bloed van stieren en bokken maar in mijn bloed.
Wij staan niet meer aan de voet van de Sinaï waar het oude verbond gesloten werd, zegt de schrijver van de brief aan de Hebreeën. Wij hebben niet te maken met die donkere wolk, met de donder en bliksem en met de bazuin die toen klonk en wij horen niet de majesteitelijke stem van God die de Tien Woorden van het verbond afkondigde. Wij verkeren in een andere situatie. We leven onder een ander, nieuw verbond.
Wij staan bij de berg Sion, hebben te maken met het hemelse Jeruzalem, met tienduizenden engelen, met de grote menigte van ingeschrevenen in de hemel en met nog veel meer (12:18-23). Niet Mozes is onze middelaar zoals bij het oude verbond van de Sinaï, maar Jezus. Hij is de Middelaar van het nieuwe verbond (Hebr. 9:15; 12:24). In die zin is Christus het einde der wet. Hij heeft het oude verbond tot voltooiing gebracht en afgerond en het nieuwe geïnitieerd.
Wijziging In de geldigheid
Wat het Nieuwe Testament over het einde van de wet zegt, kunnen we alleen maar scherp voor ogen krijgen als we ons ervan bewust zijn, dat we in die wet te maken hebben met het verbond tussen de HERE en Israël. Als we dat niet zien, komen we er niet goed uit. Wie er bijvoorbeeld van uitgaat dat de Decaloog een algemene zedewet is, wordt door de nieuwtestamentische uitspraken over het einde der wet voor grote problemen geplaatst en kan met die nieuwtestamentische benadering niet goed uit de voeten. Ook prof. Douma verstrikt zich in zijn genoemde boekje mijns inziens in een dergelijk probleem. Hij schrijft: "Het is niet voor bestrijding vatbaar, dat de wet als heilsweg in het christelijk leven heeft afgedaan.,,2 Maar we hebben al gezien, dat de wet in het Oude Testament helemaal niet de functie van een heilsweg heeft. Het verschil tussen toen en nu kan dus niet zijn, dat die functie voor ons heeft afgedaan, want de wet heeft die functie nooit gehad.
Even verder schrijft hij: "Wanneer het Nieuwe Testament over de vrijheid van de wet spreekt, heeft dit geen betrekking op een wijziging in de geldigheid van de wet, maar in de positie van de gelovige, die door Christus is vrijgekocht van de vloek der wet. ,,3 Dat laatste is natuurlijk waar. We zijn inderdaad vrijgekocht van de vloek der wet.
Maar daarmee is niet alles gezegd. Paulus zegt niet alleen dat we vrijgekocht zijn van de vloek der wet (Gal. 3:13), maar ook van de wet zelf (Gal. 4:5). Als er geen wijziging gekomen is in de geldigheid van de wet, zoals Douma zegt, blijf ik met dergelijke nieuwtestamentische uitspraken in de maag zitten.
Nu is het wel te begrijpen dat men tot een dergelijke opvatting komt, want· meer dan eens zet Paulus zich ook af tegen de rabbinistische misvorming van de wet. De rabbijnen hadden van de wet een moraal-catalogus gemaakt, door middel waarvan je bij God in een goed blaadje moest komen. Maar dat was een caricatuur van de wet. En als het Nieuwe Testament zegt dat Christus het einde is van de wet, houdt dat meer in dan dat Hij een eind aan een caricatuur gemaakt heeft.
De oplossing van dergelijke problemen ligt mijns inziens in het feit dat de wet het verbond was tussen God en Israël.
Dat verbond is door Christus vervangen door een nieuw verbond. Dat betekent dat het oude verbond (verbondsstatuut en kleine lettertjes) voor ons geen rechtsgeldigheid meer bezit. Wij zijn niet genaderd tot wat er bij de Sinaï gebeurde, maar tot het hemelse Jeruzalem (Hebr. 12:18vv). Wij zijn dienaren van een nieuw verbond, niet van de letter, maar van de Geest (2 Cor. 3:6). Met andere woorden: er is wel degelijk verandering gekomen in het geldigheidskarakter van de wet.
Grondstructuur
We leven niet meer onder de wet. Israëls verbondsstatuut is niet meer ons verbondsstatuut. Betekent dat, dat de Decaloog en heel de wetgeving aan Israël ons niets meer te zeggen hebben?
Natuurlijk niet. Juist het feit dat ze een verbondskarakter dragen, impliceert dat ze ook ons nog wat te zeggen hebben. Want weliswaar is het oude verbond afgelost door het nieuwe, maar in beide gevallen is er sprake van een verbond. Dat wil zeggen: de grondstructuur van de verhouding tot God is gelijk gebleven. De mensen uit de tijd van het oude verbond werden niet langs een andere weg behouden dan wij. Zowel toen als nu kon dat alleen maar door het geloof.
Dat thema wordt in het begin van het Oude Testament al aangeslagen. Abraham geloofde God en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend (Gen. 15:6). Het Nieuwe Testament legt daar sterke nadruk op en zegt: dat was toen zo en is ook nu nog zo (Rom. 4). En de wet, die er 430 jaar na Abraham bij kwam, heeft daarin geen verandering gebracht (Gal. 3:17).
De grondstructuur van het verbond is blijvend. Om het met Calvijn te zeggen: het verbond is hetzelfde; alleen de bediening, de uiterlijke vorm en wijze, is veranderd. De aankleding is inderdaad anders. Wij houden de sabbat niet meer. We besnijden onze kinderen niet meer. We brengen geen offers meer in een tempel. Maar zowel toen als nu is er sprake van een verbondsverhouding. Als dat niet zo was, zouden we de Decaloog en heel de wetgeving, ja zelfs heel het Oude Testament, uit onze bijbel kunnen scheuren. Dan zouden we er niets mee kunnen beginnen en er ook niets aan verliezen.
Rust
Wanneer we de verbondsbepalingen en verordeningen van het Oude Testament lezen, zullen we ons steeds moeten afvragen: welke bëtèkenis hadden ze voor Israël? Wat wilde God zijn volk ermee leren voor het verbondsverkeer met Hem? Op die manier kunnen we, om een uitdrukking uit art. 25 van de Ned. Geloofsbelijdenis te gebruiken, de waarheid en de substantie ervan in Christus Jezus op het spoor komen en in onze relatie met God toepassen.
Omdat de verbondsstructuur blijvend is, kunnen we in het nieuwe verbond ook in dezelfde fouten vallen als Israël in het oude. Ook wij kunnen van de regels die Christus gaf, een wettisch systeem maken, dat als een loden last op ons drukt. Hoe komt het dat ook wij soms al zuchtend, zo ongeïnteresseerd en tegenstribbelend doen wat Christus van ons verwacht? Hoe komt het dat we er vaak aan onze oren bijgesleept moeten worden en soms zelfs helemaal weigeren te doen wat Christus vraagt?
Zou het niet komen doordat we dan de wet van Christus ervaren als een knellend systeem van godsdienstige bepalingen die je vrijheid beknotten, als een drukkende godsdienstige plicht?
Als we met veel pijn en moeite, al steunende, doen wat Christus van ons verwachten mag, is er plaats voor de vraag: zien we Christus nog wel? Gaat het ons nog wel om Hem en om de gemeenschap met Hem? Of zijn we bezig Hem kwijt te raken en onszelf in te kapselen in het dwangbuis van een godsdienstig systeem?
Als dat laatste het geval is, is er slechts één weg. Dan moeten we luisteren naar Jezus die zegt: kom toch bij Mij. Laat het juk van de knellende godsdienstige plichten van je afglijden. Kom naar Mij toe, want Ik zal je rust geven.
Rust, dat wil zeggen: sabbat. Hij geeft ons ontspannenheid, een relaxed bestaan, waarin alle hijgerige krampachtigheid en frustraties en tegenzin van je af vallen en de blijdschap zich weer kan ontplooien. Want je ziet Hém weer.
Het gaat weer om Hem. Je leven bestaat niet meer uit het vervullen van godsdienstige plichten, maar uit een vrolijk en ontspannen volgen van Hem.
Als je Jezus volgt, is het elke dag sabbat voor je.
1 J. Douma, Voorbeeld of gebod? Enkele opmerkingen over het Schriftberoep in de ethiek. Kampen, 4e dr., 1983, p.33.
2 A.w., pag. 33.
3 A.w., pag. 34.