Dichter bij elkaar of verder uiteen?
1989-03-03
Er is in het voorbije jaar wat beweging gekomen in de verhouding tussen de vrijgemaakte en de Ned. Geref. Kerken. Het is niet zo dat er officiële contacten zijn.- Jaargang 33
- nummer 5
Gaan we af op de handelingen van de laatstgehouden synode van de Geref. Kerken (vrijg.), dan zou men alle hoop laten varen o.a. gezien het feit dat in de samenspreking die men aangaat met de Chr. Geref. Kerken zal worden gevraagd de contacten met onze kerken te verbreken.
Zijn er geen officiële besprekingen, toch is het gesprek niet verstomd.
Het Nederlands Dagblad gaf brede aandacht aan de zaak die ons bezig houdt door een aantal gesprekken tussen prominenten uit beide kerken te publiceren. Op enkele plaatsen zijn er samensprekingen tussen kerkeraden op gang gekomen. Voeg daarbij dat er na de breuk in de zestiger jaren een nieuwe generatie is aangetreden die vragen gaat stellen aan de ouderen.
Komen we nu dichter bij elkaar of raken we verder uiteen?
Die vraag kwam op bij het lezen van een aantal artikelen in 'De Reformatie'.
In het Nederl. Dagblad schreef één van de redacteuren dat het Contact Orgaan Geref. Gezindte (COGG) dezer dagen misschien meer waarde heeft dan ooit te voren.
Deze voorzichtige vraag was voor dr. W.G. de Vries en voor Prof. J. Kamphuis aanleiding in de pen te klimmen met als resultaat twee uitvoerige artikelen van de hand van eerstgenoemde en drie van laatstgenoemde.
Hoe kan een bescheiden vraag zoveel reactie oproepen, vraagt men zich af. Dr. d. V. schrijft onder het hoofd: 25 jaar vrijblijvendheid en neemt het met name de Chr. Geref.
broeders kwalijk dat zij in 1963 deelnamen aan het COGG, omdat ook vertegenwoordigers van de Geref.
Kerken (syn.) hierin zitting hadden.
Hoe kon men met onze vervolgers en uitwerpers, met deze kerkscheurders confereren, mediteren en bidden, roept hij uit.
Heb ik de schrijver goed begrepen dan is zijn verwijt dat COGG de ware eenheid van de kerken niet heeft bevorderd maar gestalte heeft gegeven aan een status quo van vrijblijvendheid. Het is niet alleen de aanwezigheid van de Geref. Kerken (syn.) die verzet oproept. Sinds 1982 werken ook onze kerken officieel mee in het COGG en wanneer ik dr.
d. V. mag geloven zijn wij niet veel beter en hij klaagt: "Wat is er namelijk in de zestiger jaren gezucht en geleden onder de dictatuur van deze zg. trouw-gereformeerde ambtsdragers.' , Vervolgens worden onze kwalen en gebreken opgesomd, waaronder de leer van wijlen ds. B. Telder, die volgens Calvijn zich aan een "beestachtige dwaling" zou hebben schuldig gemaakt. De schrijver haalt heel wat overhoop, zoals kan blijken uit de exclamatie: "Leren we het dan nooit? Een Contact Orgaan Geref. Gezindte voortgezet in een confessieloze E.O." Het is niet mijn bedoeling een gesprek met dr. d. V. aan te gaan want ik heb mij volgens hem schuldig gemaakt aan personalistische en kinderachtige op de man spelende critiek. Waar het mij omgaat is dat wie schrijft als dr. d. Vries blijk geeft van een zeker onvermogen om broeders aan te voelen die een ander inzicht hebben in wat de Schrift ons leert over Jezus Christus en zijn kerk.
De leden van het COGG weten heel goed dat er nauwelijks vorderingen zijn op de weg naar de eenheid en ervaren dit als een last. Hadden de vrijgemaakte kerken zich niet afzijdig gehouden, dan waren we mogelijk iets verder gekomen. Wanneer deze broeders ons uit de moeite kunnen helpen zijn ze hartelijk welkom, maar ik vrees dat zij evenmin verder komen als wij.
Eenheid van de kerken
Wijlen ds. C.G. Bos ging de eenheid van de kerken zeer ter harte en hij schreef een brochure waarin hij in feite als weg uit de verdeeldheid alle belijders van gereformeerden huize opriep zich bij de vrijgemaakte kerken te voegen. In een uitvoerige bespreking door diverse scribenten uit de Geref. Gezindte werd hierop veel critiek uitgeoefend. Het is ook mijn overtuiging dat de eenheid gevonden wordt in een gezamenlijk zich buigen onder de heerschappij van de Here Jezus Christus, in de aanvaarding van het Woord en de handhaving van de daarop gegronde belijdenis. Maar de weg naar die eenheid is niet zo eenvoudig. In de laatstgehouden vergadering van het contactorgaan zat links van mij een Chr. Geref. predikant en rechts een vertegenwoordiger van de Geref. Bond in de Herv. Kerk. Van beiden is bekend dat zij het goede zoeken voor Christus' kerk en trouw willen zijn aan Schrift en Belijdenis.
In de Geref. Bond wil men niet weten van de weg van Afscheiding en Doleantie en bij al de bezwaren die men heeft, trouw blijven aan de 'vaderlandse' kerk.
Het beroep op art. 28 van de Ned. Gel. Bel., dat het ambt aller gelovigen is zich af te scheiden van degenen die niet van de kerk zijn en zich te voegen bij de ware kerk, dat in de Afscheiding in 1834 en ook in de Vrijmaking veelvuldig is gedaan, wijzen zij beslist af. Drs. K. Exalto schreef kort geleden dat het in Art. 28 niet om een zich afscheiden van de valse kerk gaat, maar van degenen, die in de wereld en niet van de kerk zijn. Vervolgens houden deze broeders ons voor dat de weg van afscheiding tot een vergaande versplintering van de kerk heeft geleid en het verval niet heeft kunnen stuiten, terwijl in de Herv. Kerk de vrijzinnigheid de gereformeerde leer niet heeft verdrongen.
Bij de Chr. Geref. Kerken ligt de zaak weer anders. Men is de weg van de Afscheiding gegaan, maar heeft een veel billijker benadering van andere kerken dan de vrijgemaakten.
In het gesprek met deze kerken is ons duidelijk gebleken dat eenheid in belijden nog geen eenheid in kerkelijk samenleven met zich meebrengt; het is een eerste stap op een lange weg. Terwijl we één zijn in belijden, is er gelijk een verschil over het beschouwen van de gemeente en de toeëigening van het heil, dat voor velen in deze kerken een struikelblok op de weg naar eenheid is.
Wanneer Ds. d. V. de besprekingen zou meemaken en de grote ernst opmerken waarin gesproken wordt, zou hij wellicht niet zulke onbillijke oordelen vellen.
Geloofswerkelijkheid
Het is al meer dan tien jaar geleden dat ik in het blad Saamhorig er op wees dat in de dagen van Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking de wegen van gelovigen uiteengingen.
Daarbij citeerde ik Dr. J.G. Woelderink, die eens schreef over gereformeerden in de Herv. Kerk, die in de dagen van de strijd in 1834 en in 1886 alles overwegende hadden besloten in de Hervormde Kerk te blijven: Hun beslissing was een geloofsbeslissing.
Zo was het ook bij hen die gingen. Het is een werkelijkheid waar we mee te maken hebben. Wie er aan vasthoudt dat Jezus Christus sedert 1944/45 uitsluitend vergadert op het adres van de vrijgemaakte kerken stelt zich op buiten deze geloofs-werkelijkheid, ook al wordt volmondig beleden dat er gelovigen buiten die kerken zijn. Later ontdekte ik dat Prof.Dr. L. Doekes in twee artikelen in De Reformatie bij mij een denkfout t.a.v. de kerk meende te constateren. Toegegeven werd dat in onze wereld de wegen van gelovigen uiteengaan, maar de schrijver vroeg zich af of het juist is te zeggen: "door het geloof hebben Kohlbrugge, Groen van Prinsterer en vele anderen geweigerd zich bij de kerk der Afscheiding te voegen". Ik begrijp de moeite, die Prof. Doekes verwoordt met de vraag: Maar dan blijft in ieder geval het probleem voor ons staan of het ware geloof de mogelijkheid open laat tot een diametraal tegenovergestelde keus t.a.v. de kerk van Christus. "
Van J.H. Gunning las ik dezer dagen dat hij, verbonden met de gemeente en haar geloof, verbonden was met "hoger dan de kerk". De kerk van onze Here Jezus Christus in deze wereld is een unieke zaak en gaat wel eens boven de logische conclusie in onze gedachten uit: er is een eenheid in Christus die blijft ook als de (kerkelijke) wegen van Gods kinderen uiteengaan.