Gereformeerd kerkepad (4; slot)
1989-03-03
In het vorige nummer van 'Opbouw' werd de ontwikkeling van de gereformeerde kerkbouw tussen 1900 en 1930 beschreven. In deze periode ontwikkelden de gereformeerden hun eigen karakteristieke bouwstijl. In dit nummer gaan we verder In op de bouwstijl van de zgn. Amsterdamse school.- Jaargang 33
- nummer 5
Daarna worden ontwikkelingen uit de meest recente geschiedenis van de kerkbouw besproken.
Een gereformeerde kathedraal
De Rooms-Katholieke kerk, de Gereformeerde kerken én de socialistische arbeidersbeweging laten in hun keuze voor vormen van architektuur een merkwaardige parallel zien: ze ontwikkelen alle drie een eigen bouwstijl die kenmerkend werd voor hun streven naar erkenning en emancipatie. Bij de gereformeerden en de socialisten ontstaat de eigen stijl vooral onder invloed van de zgn. Amsterdamse school.
Kenmerkend voor deze stijl is o.a. het gebruik van 'eerlijke' bouwmaterialen (vooral baksteen) en de expressieve decoratie (natuursteen, baksteen, glas in lood).
De socialisten bouwden uiteraard geen kerken, maar toonden zich bedreven in arbeiderswoningbouw; deze bouw is nog terug te vinden in enkele woonwijken in Amsterdam.
Bij de gereformeerden komt de Amsterdamse school in de architektuur tot uiting in de bouw van een aantal karakteristieke kerkgebouwen. De kerkgebouwen die in deze stijl en in deze periode zijn gebouwd zijn vaak imponerend: bolwerken die een grote mate van zelfbewustzijn uitstralen.
Wie zich een goed beeld van deze kerkelijke bouwstijl wil vormen, zou eens de 1200 zitplaatsen tellende 'gereformeerde kathedraal in Noord-Holland' in Andijk moeten bekijken (een ontwerp van Egbert Reitsma). Kerk, kosterswoning, pastorie en bijgebouwen vormen een groots geheel van expressieve architektuur.
Kunst in de kerk
Zoals in het tweede deel van deze serie al werd opgemerkt was er nauwelijks sprake van kerkelijke kunst in het protestantse kerkinterieur.
Het weren van de beeldende kunst heeft grote invloed gehad op de gereformeerde kerkbouw. Men hoeft geen vreemdeling in kerkelijk Jeruzalem te zijn om te weten dat nieuwe ideeën op dit terrein op grote weerstand konden stuiten.
Boeyenga ging bij zijn ontwerp voor de Koningskerk in Haarlèm dan ook al heel ver door aan de buitenzijde sculpturen van de Reformatoren aan te brengen.
Geheel in de lijn van het denken van de Amsterdamse school was ook ' Reitsma betrokken bij het totale ontwerp van zijn kerkgebouwen; dus ook (bv.) bij de keuze de lampen en het meubilair. Bij zijn ontwerpen paste hij kunstzinnige voorstellingen toe, vooral in de vorm van gebrandschilderde ramen. Zijn veelzijdige talenten op dit gebied brachten ook hem regelmatig in konflikt met de heersende opvatttingen over (de onmogelijkheid van) kunst in de kerk. Hoewel zijn ontwerpen uitgingen van de (gereformeerde) kultuuropdracht (Kuyperl) en zaken uit het alledaagse leven uitbeeldden (bv. een zaaier, een zeilboot, een haven) werd toch gesproken over 'beeldendienst' en 'rooms gedoe'. Reitsma heeft dan ook bij een aantal van zijn kunstzinnige ontwerpen flink wat water in de wijn moeten doen.
Meer zakelijk
Wie het werk van Egbert Reitsma volgt ziet dat de ontwerpen van deze veelzijdige architekt een illustratie zijn van de ontwikkeling die de gereformeerde kerkbouw tussen 1920 en 1960 heeft doorgemaakt (in 1958 ontwierp hij samen met zijn zoon de gereformeerde kerk in Grootegast).
Nadat de kerk in Andijk voltooid was maakte Reitsma de tekeningen voor de Pelikaankerk in Leeuwarden. Het is een totaal ander kerkgebouw geworden.
de stijl doet denken aan het raadhuis van Hilversum (Dudok); grote gesloten vlakken, kleine ramen, gladde muren, een rechthoekige toren. Deze meer 'zakelijke' stijl (waarbij vrijwel iedere dekoratie ontbreekt) is kenmerkend voor de moderne kerkelijke architektuur uit de jaren dertig. Soms wordt gebruik gemaakt van betonnen elementen en van metalen ramen.
Na de Tweede Wereldoorlog
Veel kerken uit de eerste 10 jaar na de Tweede Wereldoorlog zien er vrij traditioneel uit. Soberheid was een ideaal en expressieve vormen zouden gemakkelijk de, gedachte post kunnen doen vatten dat er 'met geld gesmeten was'.
Sommige kerken zijn in een zeshoek of achtkant gebouwd, andere zijn zeer traditioneel; een lange rechthoekige kerkzaal met de preekstoel voorin en alle banken in dezelfde lijn (in plaats van in een halve cirkel om de preekstoel). Soms zijn er vergaderruimten onder de kerkzaal.
Aan het eind van de jaren vijftig wordt vaak vrij 'abstrakt' gebouwd. Sommige kerkgebouwen onderscheiden zich nauwelijks van sportzalen. Dan wordt bv. een kruis noodzakelijk om de funktie van het gebouw duidelijk te maken.
De jaren zestig
Pas in de jaren zestig is er weer sprake van duidelijk expressieve vormen bij de kerkbouw. De Maranathakerk in Dordrecht kan worden gezien als een overgang van de abstrakte naar de expressieve bouwstijl: “een abstrakte baksteendoos van muurdammen en lichtspleten"
Toch valt het gebouw op dankzij een expressieve klokketoren.
De diversiteit in bouwstijl is groot in de jaren. zestig. Er worden kerken in piramidevorm gebouwd, of met schuin omhoog lopende muren (alsof de kerk een tent is). Ook ronde vormen doen hun intrede; hier lijkt de invloed van Le Corbusiers meesterwerk in Ronchamps aanwezig te zijn.
De Tabemakelkerk
De Tabernakelkerk in Apeldoorn is in de vorm van een tent gebouwd. De nederlands gereformeerden konden dit prachtige, nog geen 25 jaar oude, kerkgebouw in 1987 kopen van de Gereformeerde kerk. Het telt 550 zitplaatsen, terwijl er onder de kerkzaal (beperkte) vergaderruimte is.
In het vorige deel van deze serie werd opgemerkt dat Abraham Kuyper ervoor pleitte om ruimte in het kerkgebouw te scheppen voor de bediening van de Sacramenten. In het boek over 150 jaar gereformeerde kerkbouw wordt om deze reden aandacht besteed aan de Tabernakelkerk. Een groot deel van de ruimte in de kerkzaal is nl. bedoeld voor de viering van het Heilig Avondmaal. Op de tekening staat bij dit gedeelte het cijfer 8. Men kan deze ruimte ook gebruiken bij meer besloten diensten (zoals bij de bevestiging van een huwelijk):
Opnieuw schuikerken?
Na de expressieve jaren zestig doet zich opnieuw een enorme verandering in de gereformeerde kerkbouw voor. Paradoxaal genoeg zijn het juist vaak de kleinere kerkgenootschappen die een eigen kerkgebouw laten bouwen. Gereformeerde 1kerkgebouwen worden in de grote steden nauwelijks meer gebouwd; vaak vinden verschillende kerkgenootschappen onderdak in één kerkgebouw.
Dit gebouw wordt vaak voor allerlei doeleinden gebruikt; door de kruisvereniging, de bibliotheek, ten behoeve van buitenlandse werknemers, als kursuslokaal.
Het lijkt of de beginjaren van de gereformeerde kerken terugkomen; de kerk valt nauwelijks meer op in het straatbeeld.
In het boek over 150 jaar gereformeerde kerkbouw vinden we enkele voorbeelden van deze situatie. De gevel van een kerkgebouw in Delft volgt helemaal de gevellijn van de straat; slechts een kruis op een rond 'trappenhuis' geeft aan dat dit een kerkelijk centrum is. In Rotterdam verrijst op de plaats van een vroeger kerkgebouw een
woningbouwprojekt in vijf woonlagen met op de
eerste verdieping een kerkzaal die 'werkplaats' wordt genoemd.
Daarmee is de kerk weer terug in de wijk en kan op die manier ook als een soort huisgemeente een vrijplaats vormen met een lage drempel.
Dat is het positieve en sympathieke van deze ontwikkeling. Het is te hopen dat deze kerken ook werkelijk 'kerk' durven te zijn en niet als een kameleon opqaan in de wijk.
Want een kerk die geen boodschap meer durft uit tè dragen kan beter een buurthuis genoemd worden.
De Goede Herderkerk
De Nederlands gereformeerde kerk van Heerenveen nam op 15 oktober 1988 een eigen kerkgebouw in gebruik.
Het gebouw past in het friese landschap; kop- hals- romp. Achter de ruime pastorie gaan hals en romp (de laatste is de kerkzaal) bijna schuil. De Goede Herderkerk valt nauwelijks op als kerkgebouw in de nieuwbouwwijk De Greiden. Men zou bijna kunnen spreken van een schuilkerk, zoals ook de doopsgezinde vermaning schuil ging achter de stedelijke bebouwing (zie de eerste aflevering uit deze serie).
In zijn toespraak bij de opening van dit kerkgebouw sprak Ds. K. Muller over de plaats van de kerk in de huidige samenleving en daarbij haakte hij uiteraard ook in op de plaats van dit kerkgebouw: "Het haalt bij lange na niet het juichende en triomferende dat oudere kerkgebouwen zo kan kenmerken. Juichend en triomferend staan die in het centrum van het maatschappelijke leven. Regerend over al wat een mens doet en laat. Die tijd is voorbij. Ons kerkgebouw heeft geen toren, ja zelfs geen klok om te luiden ten teken dat de dienst gaat beginnen. We mochten de slapende buurt eens ongevraagd wekken".
Nederlands gereformeerd
Aan het einde van deze serie citeren we opnieuw Ds. Muller. Over de plaats van het kerkgebouw bij de nederlands gereformeerden zei hij het volgende; "Onze kerken zijn zo klein dat maar ongeveer de helft beschikt over een eigen kerkgebouw.
Prekend in onze kerken kun je komen te staan in een oude monumentale kerk, maar net zo goed in een aula van een school of in een kantine van een fabriek. We hebben geleerd - veelal gedwongen - om af te zien van indrukwekkende en mooie gebouwen. AI sinds 1834, en sinds 1970 in versterkte mate. In die zin hebben wij een voorsprong op andere kerken. De overgang van een triomferend gebouw midden in het dorp naar een tent op de camping (een typering die werd gebruikt door Prof. Runia) is ons vertrouwd.
We hebben door de geschiedenis heen geleerd niet persé in een als kerk gebouwd gebouw te hoeven kerken. We hebben geleerd - maar moeten dat ook steeds weer leren - dat het Woord in het midden belangrijker is dan de stenen rondom.
Noot:
De serie over gereformeerde kerkgebouwen was voor een groot deel gebaseerd op de inhoud van het boek 'Honderdvijftig jaar gereformeerde kerkbouw' door
Dr. Regn. Steensma en Dr. C.A. van Swigchem (Kok, Kampen, 1986). In het volgende nummer van 'Opbouw' verschijnt nog een korte bespreking van dit boek.