Van wie is het probleem?
1989-03-03
Er kwam een vrouw bij me praten over de problemen die ze met haar man had.- Jaargang 33
- nummer 5
Het huwelijk was vastgelopen; de vrouw voelde hoe de man langzamerhand van haar en hun drie kinderen vervreemdde. Ze vermoedde dat hij een andere vrouw, een vriendin had. Niet ten onrechte, zoals later bleek. Elke week kwam ze een avond stoom afblazen, hulp zoeken.
Ze huilde veel, had het erg moeilijk met de hele situatie, ze stond machteloos tegenover haar man. Wat moest ik met haar?
De echtgenoot zag ik nooit, ik hoorde dus ook nu weer alles van één kant, en dat maakt het hulpverlenen veel moeilijker. Dus vroeg ik haar of ze haar man wilde uitnodigen om ook eens te komen. En dat wilde hij wel.
Zo verscheen hij op een avond, keurig in het pak, het hoofd omhoog: hij had immers geen problemen, hij was niet verdrietig, had geen slapeloze nachten, hij hing de vlotte jongen uit. Hij wist heel goed wat hij wilde, hij hoefde geen hulp, geen advies, geen luisterend oor of wat dan ook. "Wat wilt u van mij?", was zijn vraag aan mij. Dan sta je als hulpverlener machteloos, je kunt niet verder komen.
De vrouw verwachtte wellicht dat ik haar man ertoe zou kunnen brengen weer naar haar terug te keren en zo haar probleem op te lossen. Dát is wat hulpvragers vaak willen: dat de hulpverlener degene die, naar hun eigen idee, de problemen veroorzaakt, wel weer in het gareel zal laten lopen. Uiteraard het liefst in het gareel dat zij voor de 'probleemveroorzaker' hebben bedacht. Je ziet dat ook vaak in gezinnen wanneer een kind afwijkt van het patroon, dat ouders zich zelf voorstellen.
Ouders verwachten dan van de hulpverlener datgene waar ze zelf niet in slagen: het kind even terug te zetten op de plaats waar zij vinden dat het hoort. En dat is altijd onmogelijk.
Dat kan geen enkele hulpverlener, dat kan geen mens.
Wat de hulpverlener wel kan?
Als mensen echt verdriet hebben om iemand anders, als ze echt geen uitweg zien, proberen samen met hen een uitweg te vinden. Een antwoord op hun vraag.