Ex libris

1989-03-17
  • Jaargang 33
  • nummer 6
De vorige keer hebt u een paar gedichten met elkaar kunnen vergelijken en ik hoop dat u het met me eens bent: over smaak valt wel degelijk te praten. Laten we er liever geen twist van maken. Vandaag wil ik u allereerst attent maken op een bundel die vast en zeker bij velen in de smaak zal vallen, en die smaak is dan helemaal zo gek nog niet. Dat is de bundel: Avondmaalgangers, geschreven door Ewoud Gosker.
Het eerste gedicht is:

De predikant

Liefkozend breekt zijn hand het brood aan brokken.
De schaal raakt vol; er is weer overvloed.
Met zorg schikt hij de bekers om de schalen:
een stilleven dat doden leven doet.

Met spanning wacht hij wie aan tafel komen:
de weduwe, de ouderling, diens vrouw, het kinderloze echtpaar en het meisje!
- ,,'k Heb zo gebeden dat ze komen zou!" -,

de stille jongen - "Nee, nog geen verkering' -,
zijn ouders en de moeder al van acht (ze kijkt nog eens waarschuwend naar haar oudste),
de schilder die zo graag en bulderend lacht,

zijn vrouw - "Wat ziet ze wit! Die grote ogen!" -,
het frisse kind dat pas belijdenis deed,
de mensen die sinds kort nog maar hier wonen,
en 't oudje dat wat mompelt en 't niet weet.

't Zijn al de zijnen; 't is Gods kleine kudde,
gekocht met bloed onttrokken aan de dood.
"Ach HERE, zegen deze spijze. Amen."
Het orgel zwijgt. Hij heft het heilig brood.

In de bundel komen twaalf avondmaalsgangers voor. Het zijn niet allemaal dezelfde als in het hierboven afgedrukte gedicht. Waarom eigenlijk niet? Liggen er misschien nog enkele gedichten in de bureaula van Gosker? Had het eerste gedicht niet aangepast moeten worden bij de rest van de bundel? Vergelijkt u het gedicht over de dominee. nu maar weer eens met het volgende.
Welke vindt u het beste?

De huisschilder

De harten omhoog! Het staat er zo simpel,
zo haast tussen neus en lippen door.
De harten omhoog! Het is me onmogelijk;
ik ben toch geen paard met oogkleppen voor!

Ik zit hier met broeders en zusters aan tafel
- veel korrels vermalen tot één enkel meel -,
maar als ik hen zie met hun witte gezichten,
dan vliegt me de bitterheid naar de keel.

Voor wie van hen heb ik het huis mogen schilderen?
Waar heb ik behangen of stucwerk gedaan?
Nee, als het aan hen had gelegen, d
an was ik er met mijn bedrijf onderdoor gegaan.

Zwartwerkers, die hebben ze laten komen en mannetjes knoeiden tot diep in de nacht;
mij hebben zij zuinig en vroom laten stikken, op mijn plank geen brood, nog geen broodkorst gebracht.

Soms denk ik: waar bleven die bittere kruiden?
Ze hoorden bij 't Pascha - waarom nu niet meer?
Of hebt U die bitterheid weggenomen?
Waarom ben ik dan zo verbitterd, Heer?

Is het kleingeloof? Moet ik voor U op de knieën?
U bent door de knieën gegaan voor uw kerk ...
Vergeef me, 0 Heer, mijn rebelse gedachten en,
als 't in uw raad kan bestaan, geef mij werk!

We zullen over smaak geen ruzie maken. Ik geef alleen mijn commentaar en dan moet u maar eens zien of u het ermee eens bent. Het tweede gedicht spreekt mij veel meer aan dan het eerste. Die bitterheid van de huisschilder kan ik goed begrijpen. Dat is concreet! Hij heeft moeite het hoofd boven water te houden en zijn geloofsgenoten laten hem in de steek. "Het hart omhoog!"
Ja, heel mooi hoor, maar er moet wél brood op de plank zijn.
Maar tegelijk: zo mág ik niet denken!
Eigenlijk geldt hetzelfde voor de meeste andere gedichten in deze bundel. Ze zijn zo goed herkenbaar, al die mensen met hun eigen grote en kleine vragen. Neem nou het kind dat pas belijdenis heeft gedaan en nu voor het eerst Avondmaal viert. Zou die beker niet zwaar zijn?
Hoe moet je die vastpakken? Zou ik me niet verslikken? En ik ben zo gespannen, ik kan niet goed nadenken.
Dan is er de homofiele jongen met zijn geheim, het kinderloze echtpaar met hun schrijnend gemis, de moeder van acht kinderen met haar zorgen over het kroost, de vrouw van de ouderling die zich ergert aan "die opgedirkte grieten".
Allemaal mensen die je herkent, die je zo voor je ziet. Lezers van Opbouw, als uw dominee dit bundeltje nog niet heeft, dan weet u nu een goed cadeau voor hem!
En nu dat eerste gedicht. De dominee herken ik niet. Ik kan me via dit gedicht niet inleven. "Liefkozend breekt zijn hand het brood aan brokken."
Liefkozend? Een dominee die vol is van de betekenis van het Heilig Avondmaal, gaat die 'liefkozend' het brood breken als symbool van het lichaam van onze Heer dat ook gebroken werd? En dan: "er is weer overvloed". Wie denkt daar nou aan, als hij de schaal ziet? Wat heeft dat met de betekenis en de ernst van het Avondmaal te maken?
De laatste zin van de eerste strofe is gekunsteld, niet echt. Een stilleven?
We hebben niet met een schilderij te maken! Een stilleven dat doden leven doet? Dat is misschien eens een aardig zinnetje voor een preek of meditatie, hoewel .. Maar in een gedicht? Nee!

De volgende strofe is niet logisch.
Na de eerste regel verwacht je een opsomming: zou die en die er zijn?
Maar het gaat over mensen die hij echt ziet komen. We worden ook een beetje nieuwsgierig: waarom heeft hij zo speciaal voor dat meisje gebeden? Ze komt verderop in de bundel niet terug. Waarom niet? De volgende strofe heeft ook zwakke elementen. Die stille jongen. Had u soms willen vragen of hij al verkering heeft? "De moeder al van acht"
is natuurlijk niet al acht jaar, maar al moeder van acht kinderen. Maar zoals het hier staat, wordt het lachwekkend.
Het rijmt nu natuurlijk wel mooi op 'lacht'.

Goed, het zijn geen kunstwerkjes, deze gedichten, het is geen literatuur wat we in deze bundel lezen, maar toch: dit is stukken beter dan bij 'voorbeeld 'Waarom niet meer blij?' dat u de vorige keer kon lezen.
Avondmaalgangers, geschreven door Ewoud Gosker is uitgegeven door De Vuurbaak in Barneveld.
Sybrand Steen leverde er een aantal mooie tekeningen voor die wat doen denken aan schetsen van Rembrandt. Een mooie uitgave die de prijs van f 14,90 beslist waard is.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief